III. Hoe het verbondswezen voortvloeit uit het eigen wezen Gods


Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al mijn welbehagen doen.

Jes. 46 : 10. a


„Verbondssluiting”, zoo zagen we dan, is niet maar een zekere vorm, waaronder men onze betrekking tot God voorstelt; maar een wezenlijk bestaand iets. God heeft metterdaad een „Verbond” gesloten. Dat „Verbond” is er. Onder dat „Verbond” leven we. Naar dat „Verbond” zullen we geoordeeld worden. Anders dan uit dat „Verbond” is er voor ons geen heil.

Maar na dit alzoo duidelijk op den voorgrond te hebben gesteld, en den lezer te hebben doen gevoelen, dat we in het Verbond met een zeer wezenlijke zaak te doen hebben, gaan we een schrede verder en zullen aantoonen, dat een verbond te sluiten tot de noodzakelijke uitingen van Gods Wezen behoort.

We bedoelen daarme dit:

Er moet niet maar gezegd: „De Heere heeft nu eenmaal een Verbond gesloten. Het feit ligt er toe. God |19| verkoos dat nu zoo. Onder de gegeven omstandigheden ging Hij er toe over. Maar . . . Hij had ons ook wel op een andere wijze kunnen verlossen.” Neen maar er moet duidelijk ingezien en beslist volgehouden: „Dat het niet anders kon. Dat het zoo geschieden moest, als het geschied is. Dat het Verbond met noodwendigheid tot stand kwam. En dat het tot stand komen van dit Verbond niet hing aan onze toevallige gedraging, maar rechtstreeks en in volstrekten zin rustte op het Wezen en de deugden Gods.”

Menschen die niet op de hoogte zijn, hoort men thans veel klagen over die splinterige haarkloverijen tusschen Coccejanen en Voetianen. En voor zoover men daarme bedoelt, dat ook in dien kerkelijken strijd veel onheilig vuur op den altaar is gedragen, stemmen we met die klachte in. Duizenden bij duizenden riepen ook toen van weerskanten me in de strijdleuze zonder eigenlijk iets van die strijdleus te verstaan. En achter het schild van Gods eere verborg zich partijzucht en cteriegeest, om de gemeente haar troost te ontrooven, de kerk te beroeren, en het land zwak te maken.

Gezondigd is er in dien strijd dus zeer zeker.

Maar als men verder gaat en beweert, dat er bij dien strijd eigenlijk geen enkel gewichtig belang op het spel stond, dan, men houde het ons ten goede, komen we met ernst en nadruk tegen zoo onware voorstelling op.

Het ging toch in den diepsten grond om geene mindere vraag dan deze: Rust het Verbond Gods op zijn eeuwigen raad, in zijn onveranderlijken wil, en dus in zijn eigen Goddelijk Wezen? — dan wel is het |20| Verbond slechts iets voorbijgaands, dat alleen rust op toevallige historische feiten?

Of korter gezegd: Ligt de grondslag van het Verbond in God zelf die onwankelbaar is, — of in gebeurtenissen, die komen en gaan?

Het laatste wilde Coceejus met zijn uitpluizen van allerlei tijdperken en verbondsvernieuwingen en verbondsveranderingen, en heel het choor van theologen, dat sinds ganschelijk de leer der Verbonden bestreed en uitwierp, valt hem daarin bij en juicht hem daarin toe.

Terwijl omgekeerd het volk uit den gereformeerden stam, dat niet kan noch wil rusten in tusschen-oorzaken, maar moet en zal rusten in de onwankelbare Grond-oorzaak aller dingen, d.i. in Gods eeuwig, onveranderlijk Wezen, n destijds hiertegen opkwam, n nu nog, voor zoover het op de hoogte is, deze losmaking der eeuwige banden afkeurt en bestrijdt.

Denk, om dit als bij instinct te gevoelen, maar eens even in, wat verbondssluiting eigenlijk is.

Waarom sluit ge op een reis naar Zwitserland vooraf geen verbond met het kanton Bazel, dat ge door moet, en waarom sluit een reiziger die van Jaffa naar Damascus reist, wel een verbond met de daar omzwervende nomaden?

Waarom sluit gij, bij het betrekken van een huis of hofstede, geen verbond met uw buren links en rechts, en deed Abram dit oudtijds wel met zijn naastaan bivouakkeerende herdersvorsten?

Maar dat is immers uiterst eenvoudig!

Omdat er in Zwitserland een regeering is, die het kanton Bazel tot de orde zou roepen indien men u leed deed, wordt daar aan geen verbond gedacht, |21| maar denkt men daar wel aan in de woestijn van Damascus, waar elke macht boven de cheiks, om uw leven te beveiligen, ontbreekt.

En zoo ook, met uw buren zoudt ge ng een verbond sluiten, indien er geen bewind boven hen was, dat hen vanzelf dwingt u geen hinder aan te doen, en ge zoudt nog evenals Abram met Eskol een verbond sluiten moeten, indien zulk een hooger bewind ontbrak.

Verbonden sluiten daarom ook nu nog alleen de koningen en staten onder elkander , omdat er geen hoogere macht boven hen staat, die ze tot het doen van recht en verleenen van hulp kan dwingen.

Hieruit ziet dus een ieder, dat verbondssluiting alleen dan denkbaar is; alleen dan tepas komt; als er geen hoogere macht aanwezig is, die tot het doen van recht kan noodzaken.

In dat geval toch zou er zonder verbond eenvoudig een volkomen ontstentenis ontstaan van orde en veiligheid en maatschappelijk welvaren. Er zou dan maar n recht, het recht van den sterkste heerschen. Een iegelijk zou op zijn zwaard leven. Het zou n moorden en rooven overal worden.

Om nu dt schriklijk kwaad te voorkomen sluit men over en weer verbonden. D.w.z. men voert zelf een vast recht in; een recht dat steunt op de eer van het woord en de trouw van het karakter; en het is aldus dat de goedgezinden uit plichtsbesef en de kwaadgezinden uit nooddwang, in verbondssluiting het middel vinden, om rust en veiligheid te scheppen om zich heen.

Maar z komt aan dien rechteloozen toestand geen einde, of zoodra er weer een geregeld bestuur optreedt, |22| en een landswet geldt en de overtreder gestraft wordt, raakt de verbondssluitiug weer in onbruik. Waartoe toch zou men zelf recht maken, indien er, zonder ons toedoen, reeds een recht boven ons is, dat voor onze veiligheid waakt?

Het blijft dus bij wat we in den aanvang stelden: waar boven meerderen die sam leven moeten, nog een andere macht staat, komt geen verbond tepas. Maar ook, staat er geen andere macht boven hen, dan is het verbond noodzakelijk, het verbond de eenige grondslag waarop men handelen kan, het verbond de levensvorm die met volstrekte noodwendigheid komen moet.

*

Brengt men dit nu over op de betrekking die tusschen God en menschen bestaat, dan ligt de slotsom, die we daaruit te trekken hebben, voor de hand.

Stond er boven God en menschen een ng Hooger Wezen, een ng Hoogere Wetgever, en werd door die ng hoogere macht het leven tusschen God en menschen vanzelf bepaald en geregeld, dan zou er ook tusschen God en menschen van geen verbond sprake kunnen zijn.

Maar nu zulk een Hooger Wezen niet bestaat, nu God zelf de Allerhoogste is en dus niemand Hem dwingen kan, nu volgt hieruit rechtstreeks, dat er geen vrije, wederzijdsche verhouding tusschen God en menschen denkbaar is, dan uitsluitend doordien God met den mensch en de mensch met God in een verbond treedt.

Want het is wel waar, dat God zelf des menschen |23| Opperheer is, zijn Wetgever en zijn Rechter; het is wel waar, dat de mensch volstrekt van God afhangt en dus in alles door Hem kan gedwongen worden; maar wie door de Heilige Schrift geleerd is, weet ook, dat God de Heere, juist om het geestelijk leven in den mensch mogelijk te maken, van den troon zijner majesteit afklimt, zich tot den mensch nederbuigt, op zijn levenspad naast hem komt wandelen en met hem, naar menschelijke wijze handelend, als een man met zijn broeder spreekt en als een vriend met zijn naaste.

Iets waarin nu weder volstrekt geen verloochening van het Goddelijk karakter ligt, maar integendeel van dat Goddelijk karakter de rechtstreeksche uiting. God de Heere schiep immers alle ding om Zichzelfs wil. Zijn lieve kinderen om door hen geliefd te worden.

Niet alleen in het liefde geven nu, maar ook in het geliefd worden, in het dorsten naar liefde, spreekt zich Gods heerlijkheid uit. En overmits een slaaf wel voor ons kruipt en een die van ons leeft ons wel vleit, maar een kind, een vriend, een broeder, een bruid door liefde wordt gedreven, zoo is het eisch van Gods Wezen, om, opdat Hij gemind worde, niet met kruipend gevlei, maar met teedere liefde, zijn schepsel zijn kind te doen worden; dat zijn creatuur als vriend voor hem trede; dat de mensch broeder worde aan den met God eenswezenden Zoon; en dat die Zoon de gemeente en in die gemeente de zielen huwe, gelijk een bruidegom zijn bruid.

Er moet dus een vrije betrekking geboren worden. Zich tot het schepsel neder te buigen en naast het |24| schepsel te gaan staan uit ondoorgrondelijke, peillooze goedertierenheid, vloeit dus rechtstreeks daaruit, dat God „God” is voort. En, overmits God de Heere nu, alz tot den mensch naderende, geen macht boven zich heeft, zoo volgt hieruit, dat God f met den mensch in geen neerbuigende betrekking kan treden, f wel dat zich die betrekking uiten moet in den vorm van het Verbond.

*

Ja, zelfs nog dieper kan en moet dit ingedacht en teruggeschoven tot in de huishouding van het Goddelijk Wezen in zichzelf , d.w.z. tot de onderlinge levensbetrekking van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest.

Een iegelijk die door Gods genade belijden mag, dat de Heilige Drieenheid niet maar een gebrekkige vorm is, om het Wezen Gods voor te stellen, maar de wezenlijke, door Hem zelven geopenbaarde uitdrukking voor de verborgenheid van het Goddelijk leven, die weet, doorziet en erkent dan ook, dat er van alle eeuwigheid af een betrekking, een levende betrekking, een bewuste betrekking, ook tusschen den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest heeft bestaan.

En omdat nu Vader, Zoon en Heilige Geest elkanders „gelijken” zijn, en er geen, boven deze Drie staande, denkbaar is, zoo volgt hieruit, dat dus ook de onderlinge betrekking tusschen deze drie Personen in het Goddelijk Wezen rusten moet op het wederzijdsche woord, op wederzijdsche wilsverklaring, op even gelijke Wezensuiting, en dus den vorm moet dragen en het karakter moet bezitten van een Verbond. |25|

In het stoffelijke, ongeestelijke, onbewuste regelt zulk een verhouding zich vanzelf. Ons bloed en onze levensadem en de levensgeest, die in ons zijn, werken op en in elkar, zonder van elkar af te weten. Dat gaat vanzelf. Dat werkt als de stoom op het rad.

Maar in de Heilige Drieenheid kan dat niet zoo wezen. Vader, Zoon en Heilige Geest kunnen niets zonder bewustheid doen; eenvoudig omdat een onbewuste God een Bal wordt die slaapt.

Er moet dus een bewust leven zijn in den Vader, en een bewust leven in den Zoon en een bewust leven in den Heiligen Geest.

Daarom noemt de gemeente elk dezer Drie „Personen”.

En overmits nu personen, die elkanders gelijken zijn, niet in betrekking van liefde en trouw kunnen treden, of het moet in den verbondsvorm zijn, zoo mag het als een leiding des Geestes begroet worden, dat de Kerk des Heeren dit allengs ook op het verborgen Goddelijk leven, zij het ook nog slechts ten deele, en nog onzuiver heeft toegepast, door haar belijden van een „Raad des Vredes.”

*

En brengt men nu ten slotte die beide uitkomsten sam: Vooreerst dat God met den mensch in geen betrekking van neerbuigende liefde kan treden; en ten tweede dat de Drie Personen in het Goddelijk Wezen niet in bewuste levensbetrekking denkbaar zijn, dan door een Verbond; — dan behoeft nog slechts aan het feit herinnerd, dat de mensch naar Gods beeld is geschapen; herinnerd aan het feit dat de Zone Gods „mensch” wierd; en herinnerd aan het feit dat de |26| Heilige Geest in „menschen” woning maakt, om te doen gevoelen, dat deze beide uitkomsten eigenlijk n zijn, en beide heur uitdrukking vinden in deze ne waarheid, die we wilden aantoonen:

Het Verbond rust op het eigen Wezen Gods!




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het verbond des Heeren’ III, De Heraut No. 144 (12 september 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001