II. Het verbondsbestaan in zijn waarachtigheid


Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord?

Job 15 : 8. a


Om in den diepen, heiligen zin van het Verbond des Heeren althans eenigermate in te dringen, is vr alle dingen noodig, dat men ophoude in de leer der Verbonden niets dan een manier van voorstelling, een wijze van inkleeding, een vorm van uitdrukking te zien, dr menschen of ter wille van menschen gebezigd, alleen maar om ons een denkbeeld te geven van „Gods trouw.”

Met dat verkeerde inzicht moet ns voorgoed gebroken worden.

Zoolang men in dien strik gevangen blijft, zal noch kan men ooit den troost en de kracht dezer heilige waarheid indrinken.

Een „verbond Gods”, dat slechts een menschelijke voorstelling ware, kan geen wortel schieten in het leven der gemeente, omdat het dan feitelijk niets zou wezen dan een schijn. |11|

Het zou dan namelijk z wezen: dat God eigenlijk volstrekt geen verbond gesloten had; dat er in wezenlijkheid geen verbond tusschen God en ons bestond; en dat we ons dus ook inderdaad op geen enkele verbondsbelofte beroepen. konden; maar dat hetgeen andere, gewone menschen op eenvoudiger manier „de onveranderlijke trouwe Gods” noemden, door ons, naar een voorstelling uit den patriarchalen tijd; dus in tale Kanans; in den meer mystieken vorm van een „verbond” werd gegoten.

In die overoude tijden, zegt men, toen er nog geen vaste staten gevormd waren en ieder op zijn zwaard leefde, en men omtrok met nomadenhorden, was verbondssluiting het eenig middel om de menschelijke maatschappij tegen onderlinge vernieling en uitmoording te bewaren. Het ne stamhoofd sloot dan met het andere stamhoofd een zoutverbond, waarbij ze beloofden elkanders kudde niet te zullen rooven, elkanders weg niet te zullen versperren en in den oorlog met andere stammen elkar onderling bij te staan. Een verbond zooals Abram het met Achimelech, zooals Laban het met Jakob sloot, en gelijk nu zelfs nog door Engelsche reisgezelschappen in Palestina gesloten wordt met de Arabische cheiks. En overmits nu, zoo redeneert men dan verder, overmits nu in die tijden en landen het verbondsrecht het nig geldend recht was; het hoogste recht; die levensvorm, waar het edelst van het menschenhart zich bij spande; zoo kon het wel niet anders, of men moest in die dagen den verbondsvorm ook op het heilige doen Gods overbrengen en zich voorstellen, dat men ook met den Heere zijnen God, als volk, in een zoutverbond stond. Van de |12| patriarchen zal die voorstelling dan, eenigszins gewijzigd, op Isral zijn overgegaan. Zich aan de Isralietische gedachtenvormen aansluitende, zal ook Jezus, hoewel uiterst spaarzaam, dit woord „verbond” op de lipen hebben genomen. En de apostelen, wel verre van in het verbondsrecht iets wezenlijks te zien, zullen slechts bij manier van tegenstelling met het „oude” verbond, van het Evangelie onder den vorm van een „nieuw verbond” gesproken hebben.

Zoodoende zou het er dus op neerkomen, dat wij, die onder gansch andere omstandigheden leven; en persoonlijk met niemand meer een eigenlijk zontverbond sluiten; en dus ook de kracht van zulk een verbond veel minder diep gevoelen; volkomen in ons recht zijn, indien we geheel die verbonds-voorstelling uit den kring onzer gedachten bannen; en dezelfde idee, die oudtijds onder den verbondsvorm omliep, alsnu voordragen in woorden en vormen van onzen tijd.

Zoo spreken de conservatieve modernen; zoo kunt ge het tot mowordens toe door de Groningers herhalen hooren; en zoo spreekt men het in de toongevende kringen der nieuwere orthodoxie, de modernen en de Groningers niet zelden na.

Gevolg hiervan is geweest, dat het „Verbond des Heeren” een halve eeuw lang schier ganschelijk uit de prediking, uit het catechisatieonderwijs en van den academischen leerstoel verbannen was, om eerst in deze laatste dagen weer als een „werkelijkheid tusschen God en menschen”, in de gemeente terug te keeren.

Dit gemis van de Verbondsprediking maakte dan weer, dat het vrome volk zich in eenzijdige beschouwingen van den verborgen Raad Gods terugtrok; de |13|indenking waarvan, zoodra ze van de Verbondsleer wordt afgescheiden, slechts tot in-slaap-wieging van ons hooger leven kan leiden.

En zoo is het geschied, dat Satan juist door dit behendiglijk uitstooten van de Verbondswaarheid, de gemeente op eenzijdige paden heeft gelokt, het heilige Doopsel ondermijnd heeft, en het fundament heeft weggegraven, waarop alleen een gezond gemeenteleven bloeien kan.

Welk een aanduiding van het hooge belang, dat de gemeente van den Zone Gods er bij heeft, om weer naar het heiligdom der Verbonden te worden teruggeleid!

*

Vraagt men nu, of er dan niets aan is van dat zeggen, dat „het Verbondsleven uit de dagen der patriarchen” met „het Verbond Gods” in zeker verband staat, dan aarzelen we geen oogenblik deze vraag toestemmend te beantwoorden.

De openbaring van Gods waarheid in de Heilige Schrift staat geen oogenblik buiten het leven; maar is in het leven van de personen, de gezinnen en de volkeren, voor wie God de Heere zijn licht schijnen liet, als ingeweven.

De beelden b.v. van den herder, van den wijnstok, enz., in hun toepassing op Jezus, toonen dit overtuigend.

En zoo stemmen we dus ook onbewimpeld toe dat de heilige Verbondsleer, om ingang in menschenharten te kunnen vinden en op menschen indruk te kunnen maken, eischte en veronderstelde een volkstoestand, |14| waarin verbondssluiting een overbekende zaak en een gewichtig element van het hoogere, edeler leven was.

In een toestand, als waarin wij nu leven, zou God de Heere zijn openbaring over de Verbondswaarheid niet hebben kunnen geven. Althans, wij zouden er schier niets van gevoeld hebben en er allerminst tot zaligheid door zijn bewerkt.

Vast staat het dus ook voor onze overtuiging, dat wel terdege de hooge beteekenis van het Verbondsleven in Abrahams dagen, middel in Gods hand is geweest, om de Verbondswaarheid in de Heilige Schrift neer te leggen, en door dat Woord aan de gemeente aller eeuwen te doen prediken.

Slechts zit hierin het onderscheid tusschen wat de pezen-snijders van de Heilige Schrift beweren en hetgeen wij meenen te moeten voorstaan, dat, naar hn zeggen, de Verbondswaarheid slechts een tijdelijke vgrm van voorbijgaande waarde is, die toevallig door menschen aan dat oude Verbondsleven is ontleend; terwijl wij staande houden, dat het Verbondsleven uit Abrahams dagen opzettelijk door God in het leven is geroepen, als voorbijgaand middel om de onwankelbare Verbondswaarheid aan zijn gemeente in te prenten.

Ge gevoelt het verschil tusschen die beide.

Volgens de Verbondsbestrijders sloot God geen eigenlijk verbond; kwam het Verbondsleven in Abrams dagen uit andere oorzaken tot stand, die met het Verbond Gods niets te maken hebben; en doet het er niets aan toe noch af, of we dien nu verouderden verbondsvorm nog van den Vader aller geloovigen blijven overnemen.

Maar volgens hen, die in stillen eerbied voor de |15| Verbonden Gods weer opkomen, is het juist omgekeerd, en hebben we het ons ongeveer aldus voor te stellen:

Het Verbond Gods is het eenig wezenlijke. Dat Verbond Gods bestond eer de wereld geschapen werd. Eer er menschen op die wereld leefden. Ja, eer er ooit nog was nagedacht, hoe die menschen op aarde leven zouden.

Het Verbond Gods gaat alzoo aan elk menschelijk verbond; aan alle menschelijk leven; ja, aan het bestaan van den eersten mensch vooraf.

Toen God de wereld schiep, heeft Hij ze derhalve alzoo geschapen, dat ze geschikt zou zijn, om zijn diepe verborgen waarheden te openbaren. De Messias geleek maar niet toevallig op een herder, maar het herdersleven ontstond juist m dit beeld van den Christus te kunnen geven. Christus had niet maar veel van een wijnstok, maar toen God den wijnstok schiep, schiep Hij dien naar het beeld zijns Zoons. In het kort, de Heere God heeft later bij de openbaring aan zijn Godsmannen niet maar ter opheldering van de hoogste waarheid dingen er bij tepas gebracht, die nu toevallig toch al bestonden. Neen, maar de Heere God heeft bij de schepping zelve de dingen alzoo in het leven geroepen, dat ze later tot toelichting van zijn waarheid dienen konden.

De Heiland zelf leerde ons dit alzoo in Matthes 13, toen hij van de gelijkenissen ze, dat het niet maar tepas gebrachte beelden waren, maar „dingen verborgen van voor de grondlegging der wereld.”

Ook van het Verbondsleven zeggen we dus: God heeft, toen Hij de menschenwereld schiep en ook voor |16| het menschenleven zijne ordinantin stelde, dit alles geschapen en ingericht met het oog op de openbaring van zijn goddelijk Leven. En overmits nu tot dit Leven Gods ook het Verbondsleven hoorde, heeft de Heere opzettelijk dat menschenleven en de menschelijke toestanden en de gelegenheden van hun aanzijn alz ingericht, dat er een tijdlang een Verbondsleven onder menschen moest komen. En dat wel met het doel, om, als dat Verbondsleven genoegzaam zou ontwikkeld zijn, alsdan met de heilige openbaring van zijn oorspronkelijk goddelijk Verbondsleven klaarder voor den dag te komen, en aan de kerk van Christus de openbaring te geven van haar heil.

Dienovereenkomstig vangt de eigenlijke, de nadere, de teederder openbaring van het Verbond Gods dan ook aan bij Abraham.

Reeds Calvijn merkte dit treffend op.

Zoo ziet men dus, hoe ook wij wel terdege met het verloop der historie en met de toestanden rekenen, waaronder de Godsmannen optraden. Slechts met dit verschil, dat ons die historie geen dienst doet, om de openbaring Gods de pezen door te snijden, maar juist strekt om de diepe wijsheid van Gods paden te aanbidden.

En is het zoo niet redelijk tevens?

Of gaat het aan, te zeggen, dat God de dingen der wereld schiep zonder te denken aan de waarheden van zijn eigen Wezen?

Is het niet veel zinrijker en redelijker, te belijden, dat Hij alle dingen schiep met het oog daarop?

Bij ons is eerst het, natuurlijke, en dn het geestelijke. Maar in de schepping immers juist omgekeerd: |17| het geestelijke eerst, en het natuurlijke naar het beeld van dat geestelijke geschapen.

Ook het Verbondsleven der menschen dus naar het heilig model van het Verbond Gods.

En toch ook weer niet opzettelijk, als ware het berekening geweest.

Neen, maar vanzelf.

Het menschelijk verbondsleven geschapen naar het beeld van Gods eigen Verbondsleven, gelijk de mensch zelf geschapen werd naar den beelde Gods.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het verbond des Heeren’ II, De Heraut No. 143 (5 september 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001