XIII. Jezus’ hoogheerlijke Persoon


Jezus, de Nazarener, een man van God onder ulieden betoond door krachten en wonderen en teekenen, die God door hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk gij ook zelven weet. Dezen hebt gij aan het kruis gehecht en gedood; welken God opgewekt heeft. Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort.

Handel. 2 : 22, 23, 24 en 33. a


De wonderkringen van Mozes, Elia en Daniël strekken slechts ter voorbereiding van wat in Christus stond te komen. Aan de wonderen, die zich om dien Christus zelven groepeeren, zijn we thans toe.

Welke wonderen groepeeren zich om den Christus?

Uitsluitend de wonderen, waarvan ons in de vier Evangeliën bericht wordt? Omvat de wonderkring van den Christus alleen de krankengenezing, doodenopwekking, wonderbare spijziging, enz.? Is de opwekking van Lazarus het laatste indrukwekkende wonderfeit en met de genezing van Malchus’ oor de wonderkring van Jezus voorgoed gesloten?

Onmogelijk!

Indien dit zoo ware, wie gevoelt dan niet, dat de ontzettende tooneelen, die onder Mozes aan de Roode |114| zee, onder Elia op den Karmel, onder Daniël in den brandenden oven plaats grepen, in betoon van majesteit en macht verre en zeer verre de wonderen uit den kring van Jezus zouden overtreffen?

We worden daarom niet moede te herhalen, wat we reeds zoo dikwijls herinnerden: De wonderkring van den Christus is nog nauwelijks begonnen. Gesloten wordt hij eerst, als hemel en aarde zal zijn voorbijgegaan en het Rijk der heerlijkheid in vollen glans zal stralen, eeuwiglijk en altoos.

Wil men, het kan ook zóó uitgedrukt: De wonderkring van Jezus is niet beperkt tot de vier Evangeliën, maar omvat geheel het Nieuwe Testament; dus ook de wonderen, waarvan Handelingen bericht dat ze geschied zijn; ook de wonderen, waarvan Openbaringen getuigt, dat ze komen zullen. Het karakter dezer wonderen ligt in de vereeniging van de goddelijke en de menschelijke natuur.

De menschelijke natuur is het hoogste dat in Gods schepping bestaat. Krachtens de schepping is alles aan die menschelijke natuur onderworpen; moet al het geschapene haar dienen; mag zij, door niets in die schepping belemmerd, alleen onderworpen zijn aan God.

Maar zie, aan die bestemming beantwoordt de menschelijke natuur niet.

De menschelijke natuur, gelijk ze zich in de zondaren openbaart, heerscht niet, maar is slavin.

Zij is in opstand tegen God, en daarom is het geschapene in opstand tegen haar.

Juist wijl ze niet volkomenlijk en algeheel aan God onderworpen is, wordt ze onderworpen aan de lagere natuur der wereld. |115|

Dàt te keeren; dien misstand weg te nemep; daarin de van God gewilde orde te herstellen, is het doel van het Wonder.

Om dat doel te bereiken moet tweeërlei gebeuren: 1º. de menschelijke natuur moet weêr in volstrekten zin aan God onderworpen worden; 2º. is ze dit, dan weêr in haar macht hersteld worden over het geschapene.

Daarom is hoeksteen van geheel het Verlossingswerk de Godmenschelijke persoonlijkheid van Jezus Christus.

Hijzelf is het Wonder.

Het Wonder, omdat in zijn persoon de menschelijke natuur 1º. in volstrekten zin aan God onderworpen is, en 2º. over al het geschapene heerscht.

In Christus is de menschelijke natuur in den volstrekten zin aan God onderworpen.

Hoor wat hij zelf verklaart:

„De Zoon kan niets van zichzelven doen, tenzij hij den Vader dat zie doen.

Ik spreek van mijzelven niet, maar wat ik van den Vader gehoord heb.

Mijn spijs is dat ik doe den wil van mijn Vader die in de hemelen is.

Ik zoek niet mijn eer, maar de eer van Hem, die mij gezonden heeft.”

Maar ook, in den Christus heerscht de menschelijke natuur weêr over al het creatuurlijke.

Hoor nogmaals zijn stellige betuiging:

„Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

Alle dingen zijn mij overgegeven van mijnen Vader.

De Vader heeft den Zoon lief en heeft alle dingen in zijn hand gegeven. |116|

De Vader heeft al het oordeel den Zoon overgegeven.

Vader! Gij hebt hem macht gegeven over alle vleesch!”

Dit drukt de Christelijke Kerk uit in haar belijdenis: dat Christus in één persoon de menschelijke en de goddelijke natuur vereenigt.

De onderwerping van de menschelijke natuur aan God kan niet van lieverleê tot stand komen. Ze moet een volstrekte, algeheele, in al haar deelen onverkort volkomene zijn.

Hiertoe nu komt het eerst, als de Zoon, die van eeuwigheid bij God en God is, de menschelijke natuur aanneemt en ze daarmeê in zóó volstrekten zin aan zich onderwerpt, dat ze zijn instrument, zijn orgaan, zijn werktuig worde en ophoude iets, ook maar het minste, in zich te hebben, dat zich tegen Gods wil of wezen verzet.

En omgekeerd: de Zoon, die van eeuwigheid God en bij God is, geeft zich aan de menschelijke natuur en stort haar juist daardoor de kracht in, om meesteresse in steê van slavin te worden en te heerschen over alle creaturen.

„Indien dan de Zoon u heeft vrijgemaakt, zoo zijt gij waarlijk vrij!”

„U heeft Hij mede opgewekt en mede gezet in den hemel in Christus.”

„Want wij moeten met hem heerschen!”

In de reeks der wonderen, die aan Jezus’ naam verbonden zijn, staat daarom het wonder van zijn persoon bovenaan. Alle overige wonderen zijn slechts lichtglansen, die van dat ééne middelpunt uitstralen.

Dat er een Middelaar Gods en der menschen, dat er |117| een Heiland en Behouder, een Verbondshoofd, een Hoofd der nieuwe menschheid, een Messias, een Chriatus, priesterlijk Profeet en koninklijk Priester, in den eeuwigen Raad des Drieëenigen Gods voorzien en in de volheid der tijden geopenbaard is, dáárin en daarin alleen bestaat het wonder, dáárin ligt aller wonderen bron èn uitgangspunt èn verklaring.

Laat voor dat allerheerlijkste uw geestesoog ontdekt zijn, en uw ziel leeft op, en de Schrift wordt voor u ontsluierd en een wereld zonder wonderen zou u de dwaaste ongerijmdheid zijn.

Maar ook, verkeer omtrent dat ééne nog in het duister, en ge kunt aan geen wonderen gelooven en ge gelooft er niet aan, ook al keert ge u met toorne af van hen, die de wonderen loochenen.

Onmiddellijk met het wonder van Jezus’ persoon hangen de wonderen saâm, die aan zijn persoon geschied zijn; eerst daarna komen in de derde plaats de wonderen, die hij gedaan heeft of doen zal.

Tot de wonderen aan zijn persoon geschied behooren: 1º. de geboorte uit de Moedermaagd; 2º. de Heilige Doop; 3º. de Verheerlijking op den Thabor; 4º. de Opstanding; 5º. de Hemelvaart.


Het „niet uit den wil des mans noch uit den wil des vleesches” kan noch mag door de Christelijke Kerk worden prijsgegeven.

Haar belijdenis is en zal tot den jongsten dag toe blijven: „Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria.”

Ze zou aan deze belijdenis even onwrikbaar blijven vasthouden, ook al dacht men zich de mogelijkheid, |118| dat het ooit aan de critiek gelukte, de waarheid van wat Mattheüs en Lucas ons desaangaande meldden, twijfelachtig te maken.

De Kerk van Jezus bouwt zoomin deze als eenige andere belijdenis op deze of gene uitkomst van wetenschappelijk onderzoek.

De belijdenis is de onmiddellijke levensuiting en gaat daarom aan elk wetenschappelijk onderzoek vooraf.

Ze rust op wat Jeremia in dezer voege omschrijft: „Ik vermoeide mij om het te verdragen; maar ik kon niet; het werd als een vuur in mijn beenderen; Gij, Heere, zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht!”

De Kerk leeft uit de innerlijke bezieling, die Thomas deed uitroepen: „Mijn Heer en mijn God!”

In die belijdenis van de Godheid des Heeren ligt haar levenselement.

Ze heeft den vrede, het volkomene, het eeuwige, het volstrekt reine en heilige en bezit daarin het goddelijke; niet in idealen, maar in een leven; in het leven en wezen van een persoon, dien ze eert en mint en liefheeft; en daarom kan die persoon haar niet anders dan God zijn!

Ding daarop af, iets, het geringste, wat ook, en de Kerk houdt op Kerk te zijn, ze wordt een school, een secte, een der vele kringen die naar den vollen vrede zoeken; die dorsten, maar zonder de Fontein des levens te kennen; die streven maar niet leven uit de reine levensvolheid.

Welnu, uit dat innerlijk besef zou ze nog tot een wonderbare geboorte des Heeren besluiten moeten, ook al viel Lucas’ en Mattheüs’ verhaal voor haar weg.

Uit een zondaar en zondares kon nooit dan een |119| zondaar, uit een man en vrouw nooit dan één der menschenkinderen geboren zijn.

Te belijden dat Jezus „geen zonde gekend heeft”, dat Jezus niet maar een mensch, maar het Hoofd der menschheid, ja dat hij Middelaar Gods en der menschen is, staat dus volkomen gelijk met deze andere belijdenis: dat Hij niet op de wijze waarop wij, zondaren, het leven ontvingen, uit den man ontvangen en dientengevolge uit een vrouw kan geboren zijn.

De belijdenis van Jezus’ bovennatuurlijke geboorte en de belijdenis dat hij onze Borg en Middelaar is, zijn volstrekt één.

Het wonder, dat bij den Heiligen Doop van Jezus aan hem plaats greep, voltooit slechts wat in zijn geboorte begonnen was en heeft daarom in de summiere belijdenissen der Christelijke Kerk nooit een afzonderlijke plaats ingenomen.

Niet als ware het een feit van ondergeschikt gewicht dat blijkt wel anders uit het omstandig verhaal, door de vier Evangelisten ons desaangaande meêgedeeld; maar wijl het met de geboorte één geheel uitmaakt.

Hierdoor komt het, dat de oude Christelijke Kerk, die nog geen Kerstfeest vierde, op het Epiphaniënfeest zijn Doop herdacht; en dat sinds het Kerstfeest opkwam, dit Doopfeest op den achtergrond geraakte en in de Kerken der Hervorming schier geheel wegviel.

De beteekenis van dit wonder ligt in de waarheid van Jezus’ menschelijke natuur.

Was hij waarlijk mensch, dan kon ook de menschelijke ontwikkeling bij Jezus niet ontbreken.

Ook niet de ontwikkeling van zijn bewustzijn.

Was nu zijn persoon, zijn roeping, zijn ambt en de |120| daarvoor onmisbare gave des Geestes niet uit de wereld, niet uit vleesch en bloed, maar van Boven, dan kou hij ook zijn Verlossingswerk niet aanvaarden, eer Hij omtrent zijn eigen wezen, zijn roeping en ambt die volle verzekerdheid, óók voor zijn menschelijk bewustzijn, had ontvangen, die alleen een openbaring uit den hemel, tegelijk met de instorting der gave, hem geven kon.

Dit is onverstaanbaar voor dengene, die niet weet te onderscheiden de persoonlijke gemeenschap des Geestes en de geestelijke gave voor het ambt. Weet men daarentegen dat een Saul wèl ambtelijke gave des Geestes, maar nooit den Heiligen Geest voor zijn persoon ontving, dan spreekt het vanzelf, dat ook de Christus, hoewel hij krachtens zijn innerlijk wezen en zijn geboorte geen oogenblik zonder den Heiligen Geest kan gedacht worden, niettemin eerst op dertigjarigen leeftijd, als mensch, de Geestesgave voor het Messias-ambt ontving. „En ik zag den Heiligen Geest op hem nederdalen en op hem blijven.” „God geeft hem den Geest niet met mate.”

Ons bewustzijn komt niet van onze geboorte, maar wordt gevormd in ons verkeer met de wereld. Let hierop!

Daar nu Jezus zijn hoog en heilig bewiigtzijn onmogelijk uit deze zondige wereld kon ontvangen, moest het hem van Boven komen, uit den geopenden hemel, d.i. door het Wonder.


Over de verheerlijking op den Thabor is vroeger in een afzonderlijke reeks artikelen gehandeld. Ter bekorting zij verwijzing daarheen ons geoorloofd. |121|


Tot aan de opstanding is in Jezus wel de menschelijke natuur volstrekt aan God onderworpen, maar is het tot het tweede: de onderwerping van alle creatuur aan de menschelijke natuur, nog niet gekomen.

Hij is de Messias, maar de lijdende. Nog in den staat der vernedering. Hij wordt verdrukt, hij lijdt, hij sterft.

Dit nu vindt zijn keerpunt in het wonder der Opstanding.

Door die Opstanding wordt ook in de menschelijke natuur van Jezus die hoogere kracht uitgestort, waardoor ze tot hare heerschappij over de schepping geraakt, vrij wordt van de banden, waaraan al het geschapene gebonden is, de slavenboei uitschudt en den koninklijken scepter, haar in het Paradijs ontvallen, herneemt.

Na de Opstanding blijft nog slechts dit ééne te doen over, t.w.: dat tot de menschheid worde uitgebreid, wat in den mensch Christus Jezus aanwezig is.

Dat kan niet geschieden, als Jezus op aarde blijft. Om aan de uitverkoren menschheid te kunnen meêdeelen, wat hij als mensch bezit, moet hij ten hemel varen, verhoogd worden en een plaats innemen, van waar hij geheel het menschelijk leven overzien, geheel de menschheid beheerschen kan.

Daartoe strekt het wonder der Hemelvaart.

De Koning was in de kribbe geboren, bij den Doop gezalfd, in de Opstanding gekroond, — maar om zijn heerschappij te kunnen uitoefenen, moet hij ook zitting nemen op zijn troon.

Die troon kon nog op aarde niet staan.

Daarom verlaat het Hoofd der menschheid de aarde, om van uit den hemel eerst die menschheid, en daarna |122| die aarde te reformeeren naar den eisch van zijn Koninkrijk.

Die arbeid begon met de uitstorting des Heiligen Geestes.

Die Middelaarstaak is sinds achttien eeuwen onafgebroken voortgezet. Aan dat werk werkt de mensch Jezus Christus, als Middelaar Gods en der menschen, nog.

Om u heen.

Ook in u?

Zeker voor u.

Als die taak zal voleind zijn, — dan zal het einde er wezen.

Tot die ure toe, blijft de Bruid roepen:

„Kom, Heere Jezus! ja kom haastelijk!”




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004