XII. Israël onder de volkeren


Ik zal U psalmzingen onder de natiën.

Psalm 108 : 4. a


Jonas, Hizkia en Daniël staan noch met den wonderkring van Mozes noch met dien van Elia noch met dien van den Christus in onmiddellijk verband, en toch wordt ons uit hun dagen in verband met hun persoon, van zeer aangrijpende wonderen bericht. Op deze wonderen zouden we terugkomen.

Is het waar, wat thans door velen beweerd wordt, dat het op deze wonderen minder aankomt; dat het minder zeker is, of deze wonderen wel plaats grepen; dat men, zonder het voorvaderlijk geloof te verlaten, deze wonderen wel naar een onzichtbaren achtergrond kan wegschuiven; en dat noch het geheel der Openbaring noch ons geloof daaraan de minste schade behoeft te lijden, al vermoeden we, zonder het zoo driest uit te spreken, dat althans deze wonderen van zeer twijfelachtige natuur zijn?

Er bestaat wel aanleiding toe, om deze vraag eens in het midden der Gemeente neder te leggen.

Of zijn het niet deze wonderen vooral, die het eerst |105| en het aanhoudendst den geest der spotternij tot speelbal hebben gediend? Voelt men niet onwillekeurig, dat het met deze wonderen zich eenigszins anders heeft toegedragen dan met de wonderen uit den Mozes- en Eliakring? Maakt de lezing van Jonas’ en Daniëls profetieën niet een anderen indruk dan de lezing van Amos en Maleachi? Werd ons niet telkens herinnerd, dat het boek van Daniël in den ouden Joodschen Bijbel achteraan, geheel buiten den bundel der Profeten stond? En heeft dit een en ander, dit vreemde, dit ongewone, dit duidelijk bewijs, dat er achter deze boeken iets zonderlings stak, hun inhoud niet allengs uit de prediking verbannen, bij het godsdienstig onderwijs steeds kleiner plaats doen innemen, en er tal van geleerden en gemeenteleden, die overigens vasthouden aan den Christus als hun Heer, niet toe gebracht, om de echtheid dezer boeken te ontkennen? Ja heeft het niet soms al den schijn, alsof de geestelijke moed om aan de echtheid dezer boeken te durven twijfelen den wetenschappelijken orthodoxe van zijn meer bekrompen medebroeder moest onderscheiden?

Te meer nadruk leggen we op die vraag, omdat zich het zeldzaam verschijnsel voordoet, dat deze zelfde boeken, waaraan men thans het minst hecht, in den bloeitijd der Christelijke Kerk, in de eeuwen van bezieling en geloofskracht, schier boven de andere werden gewaardeerd. Men zou toonen vreemdeling te zijn, zoo in de schriften der Kerkvaders als in die der Hervormers, indien men dit ontkennen dorst. Wat Isaäk Newton schreef, was slechts de nagalm van het geloofsgerucht der Gemeente: „Wie de echtheid van Daniëls profetieën loochenen dorst, zou het fundament van den Christelijken |106| godsdienst ondermijnen, die door Christus zelf met Daniëls Godspraak in onmiddellijk verband is geplaatst.”

Heeft Newton hierin zoo ongelijk?

Is het te loochenen, dat Christus het diepste mysterie van zijn dood en verrijzen aan Israël uit Jonas’ profetieën heeft verklaard? Is zijn aanwijzing: „Gelijk Jonas de profeet drie dagen en drie nachten geweest is in den buik van den visch, alzoo zal ook de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten zijn in den buik der aarde,” niet te omstandig, te stellig, te nauwkeurig, om het denkbeeld van onmiddellijke, opzettelijke profetie in Jezus’ bedoeling uit te sluiten? En evenzoo: is Jezus’ verwijzing naar Daniëls Godspraak in Mattheüs 24, onder uitdrukkelijke bijvoeging van de woorden: „Die het leest die merke het op!” niet te in het oog vallend, te ongewoon en in het bijzondere afdalend, om twijfel aangaande Jezus’ oordeel over Daniël te gedoogen?

Behoeft men het menschelijke in Jezus’ natuur wel voorbij te zien, om aan dit dubbel getuigenis afdoende beteekenis toe te kennen? Ook wij bestreden steeds de meening, alsof men de kennis, die Jezus van aardsche dingen had, zonder meer uit de goddelijke alwetendheid kon afleiden; niet alsof we aan die alwetendheid te kort wilden doen, maar omdat de „zelfvernietiging” van den Zone Gods, volgens Philipp. 3 : 7, een andere opvatting van zijn vleeschwording eischt. Maar is daarmeê het gezag van Jezus bij de keuring van de echtheid der Bijbelboeken ontzenuwd? Was zijns dan niet zonder mate die Heilige Geest, die hem, zonder feil, geheel het werk van Gods openbaring deed doorzien? Was zijns dan niet die vlekkelooze, voor feil onvatbare, zedelijke waarheidszin, die Hem met volkomen |107| gewisheid deed toetsen wat waarheid en wat verdichting was? Kan men dan gezegd worden voor de majesteit van het heilige in den Christus zich eerbiedig neder te buigen, indien men niet zonder aarzeling toegeeft, dat hij, zonder mogelijkheid van vergissing, met de onmiddellijkheid en de vastheid van het heilig bewustzijn getast en gegrepen heeft, wat in het Woord Gods een levende schakel des Geestes en wat daartusschen door menschen, uit eigen verdichting, met vrome, ’t zij zoo, maar dan toch altijd met ongeloovige bedoeling was ingeschoven?

Valt hiermeê nu saâm, dat de Gemeente des Heeren, in dagen van vervolging om den naam des Heeren, in tijden van krachtig bezield geloofsleven, toen haar geestelijk instinct helder sprak, juist in diezelfde boeken den krachtigsten steun voor haar belijdenis heeft gevonden, — zou er dan geen oorzaak zijn, om de weifeling van sommigen in onze dagen uit de algemeene verzwakking van het geloofsleven te verklaren; te meer, daar in de allerlaatste tijden, nu er weêr verhooging van geloofsleven viel waar te nemen, het aantal van de wetenschappelijke verdedigers dezer boeken weêr op verrassende wijze toenam?

Doet dit ons met te ernstiger belangstelling vragen, waarin dan het eigenaardige van de wonderen, die aan Jonas’ en Daniëls naam verbonden zijn, bestaat, dan valt terstond in het oog, dat èn Jonas èn Daniël niet tot Israël, maar tot de heidenwereld zijn gezonden; niet met de koningen van Israël, maar met de machtige vorsten van Ninevé en Babel in aanraking zijn gekomen en uit dien hoofde, ten deele, buiten onmiddellijk verband met Israëls geschiedenis staan. Men kan zich Jonas en Daniël wegdenken, zonder dat de geschiedenis |108| van het Israëlietische volk een andere zou geworden zijn dan ze thans was.

Hieruit blijkt, dat de wonderen des Heeren een dubbele richting namen. Eenerzijds, voor verre het grooter deel, doelden ze op Israël, brachten ze nieuwe krachten in Israëls volksleven, beheerschten ze Israëls lot. Maar ook anderzijds hadden ze een beteekenis voor de volkeren; toonden ze, dat de Raad des Heeren óók de heidenen bleef omvatten; ja, soms zelfs zich, met uitsluiting van Israël, alleen naar de heidenwereld keerden.

Dit feit is van uitnemend gewicht.

Israël was als eigen volk door Jehovah in Isaäks wonderbare geboorte gesticht. Het had als volk een geheel eenige roeping, en voor die roeping bijzondere gaven ontvangen. Als andere volken was het niet. Het was een volk op zichzelf. Boven andere volken gezegend. Gunsteling Gods.

Edoch, in welken zin?

Om te heerschen? Of om te dienen?

Was Israël het einde der wegen Gods, of wel een instrument, dat Hij zich bereid had, om het heil aan de menschheid toe te dienen?

Israël in zijn geestelijken afval meende het eerste. In Gods Raad was, naar de stellige verklaring van Jezus en zijn apostelen, het tweede bedoeld.

Zou Israël de eere waardig zijn, om beelddrager van den Messias te wezen, dan moest het ook als die Messias in de wereld optreden, niet om gediend te worden maar om te dienen en zijn ziel, d.i. zijn geestelijk leven, te geven tot rantsoen voor velen.

Blijkt nu, dat vooral Jonas’ en Daniëls optreden deze hooge, alomvattende waarheid, in tegenstelling met |109| Joodsche bekrompenheid boven alle verdenking verheffen moest, — is het dan wonder dat Jezus met zulk een nadruk en klem vooral op deze profeten heenwees?

Toch is hiermeê wel hun indrukwekkend optreden, maar nog niet de wonderglans verklaard, die hen omstraalt.

Om dien eigenaardigen wonderkring te waardeeren, moet op de verhouding tusschen de heidenwereld en Jehovah zelven gelet.

Zeer zeker heeft de Heer de heidenwereld overgegeven in haar eigen zin en op haar eigen wegen laten wandelen. Toch vatte men dit nooit op, alsof Jehovah zich aan de heidenwereld volstrekt onbetuigd had gelaten. Integendeel. Ook in haar afval bleef die heidenwereld omringd van een Openbaring Gods in de natuur en droeg ze een Openbaring Gods in de consciëntie, ja, bezat ze in de priesterlijke overleveringen, hoe ook schier onkenbaar geworden, nog een flauwe heugenis van de oorspronkelijke Openbaring Gods in het Paradijs.

Dat ze desniettemin van den levenden God steeds verder afdoolde, tot zelfs zijn naam vergat en met haat en vijandschap tegen zijn volk bezield was, kon de barmhartigheid Gods niet verkorten, die aan zulk een wereld zijn Zoon zou schenken en uit zulk een menschheid zich de Gemeente des Nieuwen Testaments verkiezen zou.

Door dien afval kon de vrijmachtige genade slechts te schitterender uitblinken.

Zulk een wereld te redden zou te heerlijker openbaring van de ondoorgrondelijke ontferming onzes Gods zijn.

Maar dan moest haar schuld ook zonneklaar gebleken zijn; dan ook, niet slechts in het leven van den enkelen |110| zondaar, maar ook in het leven der volkeren gebleken zijn, dat ze zich willens en wetens tegen dien levenden God hadden verhard.

Vandaar dat we de wereldgeschiedenis in haar hoogere ontwikkeling telkens met het volk Gods in aanraking zien komen. China, Japan en zelfs Indië staan buiten de groote beweging der wereldgeschiedenis, en het zijn de rijken van Egypte, Ninivé, Babylon onder de Meden en Babylon onder de Perzen, het rijk van den Griekschen Alexander en van den Romeinschen keizer Augustus, die den samenhang vormen in de wereldgeschiedenis der oudheid. Welnu, met elk dezer rijken is Israël achtereenvolgens in aanraking gekomen. Elk dezer volken heeft voor de keuze gestaan, of het zich tegen Israël kanten, of dat Israël den vrede zou bieden. Achtereenvolgens heeft elk hunner den toeleg geopenbaard om het volk Gods van de aarde weg te nemen; en de uitkomst is geweest, dat terwijl we van de Egyptenaren nog slechts pyramiden en sarcophagen, van Ninivé en Babylon nog slechts ruïnes, van Oud-Griekenland nog slechts beelden en schrifturen, van Augustus’ rijk nog slechts een onder lava bedolven stad overig hebben, dat oude Israël ze alle overleefd heeft en nog in representanten van vleesch en bloed onder alle rijken van Europa, Azië en Amerika omwandelt.

Deze keuze der hoofdvolkeren tegen Jehovah moest met bewustheid geschieden. De groote gang der wereldgeschiedenis moest toonen, dat de volkeren, die in het leven der menschheid den toon gaven, niet bij vergissing, uit ontwetendheid, bijgeval Gods Raad hadden verworpen.

Daartoe moest in den zetel zelf dezer wereldrijken op |111| indrukwekkende wijze de macht van Jehovah, tegen wien men zich aankantte, geopenbaard.

Zoo was het geschied in Egypte, toen tusschen Mozes en den Farao het pleit geopend werd over Jehovahs macht, en Egypte zich niet dan tegen de ontzettendste teekens in, aan den wil des Heeren kon onttrekken.

Zoo was het Sanherib weêrvaren, die met schrik en ontzetting van voor Jeruzalems poorten moest wegvlieden, opdat een Nebucadnezar weten kon, dat hij niet door eigen macht, maar alleen als ’s Heeren instrument, die poorten zou binnentrekken.

Maar zoo moest het dan ook gebeuren in het land van Tiger en Eufraat zelf, toen het in Israëls ballingschap scheen alsof Jehovah zelf in zijn volk overwonnen was.

In den persoon des konings Nebucadnezar, drager van de macht zijns rijks en daarmeê van de wereldmacht zelve, moest aan geheel die wereld een teeken worden gesteld, dat ze nog altijd met dien levenden God te doen had. En omgekeerd in de personen van Daniël, Sadrach, Mesach en Abednego moest voor het oog van Bel en Nebo blijken, dat Israël niet in ’s vijands macht was, dan om eigen ontrouw en met gedoogen van zijn God.

Eindelijk, de wonderkring in Jonas, Sanherib en Daniël deed in den schoot der heidenwereld die geestelijke uitspruitsels ontkiemen, die ons in de schare der proselieten, in een moorman van Candacé, in een Cornelius, in den hoofdman bij het kruis en straks bij de reizen van Paulus aan alle oorden der bewoonde wereld verrassen.

Al hebben noch de wonderen des Heeren aan de Roode Zee noch zijn machtdaden aan den Eufraat en in Belzazars paleis de regeeringen dezer volkeren doen |112| bukken, toch lieten deze aangrijpende gebeurtenissen een diepen indruk in veler hart na. Vaak was dit slechts een indruk van vreeze, gelijk bij de volken van Kanaän toen Israël onder Jozua over de Jordaan trok; dikwijls was deze indruk voorbijgaand, gelijk te Ninivé op Jonas’ prediking en in Babel onder Nebucadnezars bewind; maar niettemin is èn in Rachab èn in Bileam èn in de eere waartoe Daniël opklom èn in Kores’ lastbrief over den herbouw van Jeruzalem èn in Ahazuëros’ optreden tegen Haman de nawerking van dien indruk waarneembaar. De magiërs uit het Oosten, die aan Bethlehems kribbe komen aanbidden, zoowel als de Grieken die Philippus vragen om Jezus te zien, vertoonen ons van dien indruk nog de sporen.

Te boek gesteld en in de lijst der zielservaringen en profetieën gevat, zijn deze gebeurtenissen, die aan Jonas’ en Daniëls naam verbonden waren, op zijn beurt voor Israël een Openbaring Gods geworden van den Messias die komen zou en het Rijk dat hij zou stichten. En uit Israëls heiligen schat in den canon van de heilige schrifturen der Gemeente van Christus overgedragen, zijn de profetische geschriften van Jonas en Daniël, op de aanwijzing van Jezus zelf, twee vaste gesternten geworden, wier zachte glans ons verkwikt en op wier onbedrieglijk licht we veilig gaan. |113|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004