XI. Israël op eigen erf


In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

Gen. 12 : 3. a


De wonderen van het Oude Verbond loopen evenvijdig met die van het Nieuwe Testament.

In het Nieuwe, mits men de Openbaring van Johannes er niet buitensluite, vinden we vier groepen van wonderen: 1º. de geboorte van den Christus; 2º. in het leven van den Christus; 3º. zijn opstanding en de wederoprichting aller dingen; en 4º. het oordeel.

Hieraan beantwoorden in het Oude Verbond: 1º. de wegneming van het Paradijs door Vloek en Zondvloed; 2º. de wonderbare geboorte van Isaäk (d.i. van Israël); 3º. de wonderen uit den Mozes-cyclus; 4º. de wonderen uit den cyclus van Elia.

Valt de overeenkomt tusschen beide reeksen niet terstond in het oog, toch blijkt bij aandachtige vergelijking dat die harmonie volkomen is.

Niemand weêrspreekt dit ten opzichte van Isaäks geboorte vergeleken met die van Jezus.

We weten zeer wel, dat Jezus’ geboorte nog op |95| gansch andere wijze wonderbaar was, dan Isaäks oorsprong, maar niettemin valt beider overeenkomst terstond in het oog. Zoowel Isaäks geboorte als die van Jezus week af van den gewonen loop der natuur: bij Jezus door de ontvangenis uit den Heiligen Geest, bij Isaäk door de verwekking van een kind uit de verstorven lenden en de verstorven moeder. Zoowel Jezus’ geboorte als die van Isaäk is de bekroning van een lang beproefd geloof, de eindelijke vervulling van een alles beheerschende belofte. Uit Isaäk is het Israël der besnijdenis voortgekomen, gelijk uit Jezus het Israël naar den geest. Beider geboorte was de vrucht van een buitengewone machtdaad Gods, waardoor een hooger kracht in deze wereld is ingebracht en waardoor de grond werd gelegd voor dat volk des Heeren, dat in het Oude Verbond aan Israëls naam verbonden, onder het Nieuwe Testament uit alle volken gekocht zou zijn.

Even licht valt het, de overeenkomst te ontdekken tusschen het optreden van Elia en Jezus’ komen ten oordeel. Elia was de IJveraar, die niet kwam om te behouden, maar om vuur van den hemel te laten regenen, opdat de wederpartijder van Jehovah zou bezwijken voor zijn macht. Als zoodanig is Jezus bij zijn eerste verschijning op deze aarde niet gekomen. Zijn aanwezigheid op deze aarde, waarvan de vier Evangeliën berichten, vertoont met de Elia’s-gestalte schier geen enkelen trek van gelijkheid. Hij kwam toen niet om te oordeelen, maar om te redden; niet om te toornen, maar om te zegenen; niet om vuur van den hemel te laten regenen, maar om te doopen met het vuur van zijn geest. Toch is het een ergerlijke miskenning van de openbaring der Schrift, indien men op dien grond |96| beweert, dat de Elia’s-gestalte aan den Christus vreemd is. Integendeel. Zelf heeft hij nadrukkelijk verklaard, dat ook hij eens als de ijveraar Gods komen zal; dat zijn teeken zal gezien worden op de wolken; dat hij als Elia op een anderen Karmel de getrouwen Jehovahs en de dienaars der wereld bijeen zal verzamelen, om door het vuur dat uit zijn mond uitgaat terug te stooten in de buitenste duisternis, al wat de liefde en de genade zijns Gods weerstaat. Men behoeft slechts de gelijkenissen van het onkruid en de tarwe, van het vischnet en van de talenten naast elkaâr te leggen, en de profetische stukken van Mattheüs 24 en 25 daarmeê te vergelijken, om aanstonds in te zien dat de ijveraar voor Gods eer die den tempel reinigde nog slechts de afschaduwing was van de voltooide Elia’s-gestalte, waarin de Zoon des menschen eens op de wolken komen zal. De Joden begrepen het niet, veel Christenen begrijpen het nog niet, en toch heeft Jezus het hun en ons zoo duidelijk gezegd: Elias is, zoo gij wilt, gekomen; of ook: Elias moet nog komen, om alles weder op te richten.

Staat dit vast, dan volgt hieruit vanzelf, dat we Jezus’ leven van de Jordaan tot aan Golgotha niet met de Elia’s-periode, maar met het tijdperk van Mozes te vergelijken hebben. De wonderen van den Mozes-cyclus dragen, gelijk men weet, bijna zonder uitzondering, een reddend karakter: Israël wordt droogvoets door de Roode Zee geleid; Israël wordt gespijsd met manna: Israël wordt gelaafd met water uit de steenrots; Israël wordt genezen van zijn krankheid door het eten van de kwakkelen, door de beten der giftige slangen en door de zonden van Baäl Peôr ontstaan; het is een |97| wolkkolom die met Israël optrekt des daags en een vuurkolom die Israëls achtertocht bij het nachtelijk duister dekt; het is de staf van Aäron die bloeit en Israëls heirbenden tegen Amalek overwinnen doet: het is van de Roode Zee tot aan de Jordaan één machtige daad Gods van uitleiding, uitredding, verlossing en begenadiging ter stichting van de Gemeente des Ouden Verbonds, die op Sinaï haar lastbrief ontvangt en in een dubbel sacrament van Besnijdenis en Paaschlam haar verbond ziet bezegelen. Stemt, zoo vragen we met ernst, dit karakter der Mozes-wonderen niet in aard en wezen zoo volkomen met de wonderen van Jezus’ eerste optreden overeen, als het mindere op het meerde gelijken kan? Immers ook in de wonderen van Jezus bij zijn eerste optreden staat het reddend karakter op den voorgrond. Het is een spijzen en laven van zijn volk, een genezen van hun kranken, een stichten van de Gemeente in zijn bloed, een afkondigen op den Pinksterdag van de wet des Nieuwen Verbonds, en een verzegelen van dit Verbond in de sacramenten van Doop en Avondmaal. En maakt men de aanmerking, dat toch de eerste wonderen van Mozes, die hij in Egypte voor Farao deed, minder redding en barmhartigheid, dan betooning van majesteit en macht ten doel hadden, dan zij gevraagd, of het gebeurde bij den Doop, het vasten in de woestijn, het wandelen op de zee; de verheerlijking op Thabor, het ontdekken van den verrader, de vervloeking van den vijgeboom en het ter aarde werpen van de bende in Gethsémané, de duisternis bij het kruis en de aardbeving om Golgotha niet evenzeer op een reeks van wonderen bij Jezus’ eerste optreden wijzen, waarin betoon van majesteit hoofdzaak was. |98|

Herinnert men zich hierbij, hoe reeds een vorig artikel de overeenkomst aantoonde tusschen de wonderen, waardoor de Paradijstoestand van deze aarde werd weggenomen, en de wonderen, die naar luid van Johannes’ Openbaring den toestand der heerlijkheid op aarde brengen zullen, dan blijkt derhalve, dat we, nu eens niet op tijdsorde lettend, de vier wondergroepen van het Oude en van het Nieuwe Verbond in dezer voege onderling kunnen saâmstellen:

1º. De vernedering van de natuur en van den mensch door Vloek en Zondvloed, — tegenover de verheerlijking van de natuur en van den mensch in de wederoprichting aller dingen.

2º. De wonderbare geboorte van lsaäk, — tegenover de wonderbare geboorte van Jezus.

3º. De Mozes-wonderen in hun dubbel karakter van reddende genade en betoon van Majesteit, — tegenover de wonderen van Jezus’ eerste verschijning in hun dubbel karakter van Ontferming en Koninklijke macht.

En 4º. De Elia’s-wonderen, als openbaring van den IJveraar voor Jehovahs eer, — tegenover de wonderen die te wachten staan, als de Zoon des menschen op de wolken komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.

Vraagt men naar het doel, waarmeê deze wonderen gewrocht zijn en de werking die ze hebben achtergelaten, dan moet het antwoord uiteraard verschillend zijn, naar gelang ge let òf op den tijd waarin ze voorvielen, òf op het geheel der heilsopenbaring.

Met name van de wonderen des Ouden Verbonds kan gezegd, dat ze strekten om Israël zijn eigendommelijk volkskarakter te geven; om de ontvankelijkheid voor |99| het heil van den Messias te wekken; en om het terrein gereed te maken waarop de Christus zou kunnen optreden.

Dit springt het sterkst in het oog, indien men op het volk van Israël let, gelijk het nog in onze dagen zijn bestaan onder de natiën voortzet. Drie karaktertrekken zijn in het volk van Israël nog onmiskenbaar. Zijn nationaliteit laat zich niet uitroeien; de band die Israël saâmhoudt is onverbreekbaar; zijn talent overtreft dat van alle andere natiën.

Eer de naam van Israël in Azië, laat staan in Europa, nog genoemd was, bloeiden aan de Oostkust der Middellandsche Zee de rijken der Edomieten, Ammonieten, Moabieten, Amalekieten, Kenieten en wat dies meer zij; heerschten machtige koningen over geheele volkerengroepen aan de oevers van Tiger en Eufraat; en dongen in Europa de Boeötiërs en de bewoners van Attica, die van Argolis en Lacedaemonië, of wil men de Etrusciërs, Latiërs en Sabijnen elk in hun kring naar de opperheerschappij. En zie, terwijl van al deze natiën en van zoo onnoembaar vele met haar, slechts de heugenis op het historieblad overbleef, terwijl haar stam en geslacht in andere natiën opging en zich tot onherkenbaar wordens toe oploste, staat Israël, schier alleen onder alle, nog heden ten dage in het midden der volken als een scherpgeteekende, op den eersten oogopslag herkenbare, geheel eigendommelijke nationaliteit. En Israël bleef dit, niet door de gunst, maar ondanks de ongunst der tijden; want indien er één volk van stad tot stad verjaagd en vervolgd, eeuwenlang getrapt en verdrukt is, dan wel de zonen Abrahams. Alleen Israël bleek onder alle volken de geheel eigenaardige gave |100| te hebben ontvangen, om Israël te blijven en zich niettemin langs alle paden in het leven der natiën, waaronder het vertoefde, te vermengen. De Jood is ook nu nog dezelfde Jood, ’tzij ge hem in Algiers of Tripoli, in Polen of Moravië, in Amsterdam of Londen ontmoet. Hij is den Pool een Pool, den Amsterdammer een Amsterdammer geworden, en desniettemin verloochent hij, onder wat hemelstreek ge hem ook aantreft, nooit zijn sterksprekende, diepgewortelde, geheel eigendommelijke, oorspronkelijke nationaliteit.

Reeds dit verschijnsel is een wonder, dat zich alleen uit het wonder van Israëls oorsprong verklaren laat. Wat we in Genesis van Isaäks wonderbare geboorte lezen en nog heden ten dage van Israëls wonderbare verschijning op onze straten zien, strekt het een voor het ander tot onderlinge bevestiging. Lezende hoe Israël in Isaäks geboorte zijn oorsprong ontving door een buitengewone machtdaad Gods, zou men reeds op het vermoeden komen. dat het volk uit dien Isaäk geboren een bovennatuurlijk sterke nationaliteit zou moeten bezitten. En omgekeerd, bij Israël onder alle hemelstreken door alle eeuwen een zoo geheel exceptioneel sterke nationaliteit waarnemende, zou men, ook al zweeg de Schrift, wel tot de veronderstelling moeten komen, dat zijn oorsprong een buitengewoon karakter had gedragen.

Even opmerkelijk is het zeer sterke gevoel van onderlinge verbondenheid, dat Israël ook nu nog kenmerkt. Hoe krakeelziek ook van aard, toch kleven de zonen Israëls ook nu nog aan elkander met een gehechtheid, die zich niet alleen uit hun gemeenschappelijke afstamming en verdrukking verklaren laat. Die gehechtheid heeft haar grond in de teederheid der familiebanden, |101| die vooral tusschen ouders en kinderen steeds onverzwakt voortbestaan. Ze heeft derhalve haar grond in de instellingen, waarin Israël opwies en wijst daardoor onmiddellijk terug naar het heldentijdvak van Mozes, toen Israël zijn volksinstellingen uit hooger hand ontving. Toch ligt dit bijzondere nog minder in het karakter dier instellingen dan wel in de reeks van ontzaglijke gebeurtenissen, die aan het geven dier inzettingen voorafgingen, ze verzelden en ze opvolgden. Gelijk een vrouw die moeder wordt in de dagen van haar dracht en de dagen van stille afzondering in het kraamvertrek een bijzonder diepe ontvankelijkheid voor indrukken bezit, zoo ging het ook Israël in de ure zijner wording. De majestueuse tooneelen waarvan het getuige was, de wonderen uit ’s Heeren hand, waardoor het veertig jaren in de woestijn bestond, dat leven op de dorre vlakte, van alle natiën afgescheiden, in de wilde natuur, met de teekenen van Gods almachtige tegenwoordigheid om zich, hebben Israël zoo machtig aangegrepen, zijn innerlijk leven dermate geschokt en zijn ontvankelijkheid voor diepe, blijvende indrukken op zoo ongelooflijke wijze verhoogd, dat men de beteekenis van Sinaï’s wetgeving geheel miskennen zou, indien men niet in de eerste plaats op dat buitengewone der omgeving lette. Alleen daaruit laat het zich verklaren, dat de grondlijnen van Israëls volksbestaan zóó diep in zijn volkskarakter zijn ingesneden, dat zelfs geen samenloop van de droefste lotgevallen, geen overmaat van volkszonden, ja zelfs geen eeuwen van druk en verguizing de macht konden oefenen, om dien grondtrok van zijn familieleven en daarmeê van zijn onderlinge verknochtheid uit te wisschen. |102|

Ten slotte wezen we nog op de buitengewone mate van talent en geestesgaven, die Israël alle eeuwen door bezat en waarop het ook thans nog bogen mag. Metterdaad er is geen tweede voorbeeld aanwijsbaar van een betrekkelijk zoo klein volk, dat in zoo kleine groepen onder grootere natiën verdeeld, zulk een onmetelijken invloed over die alle uitoefent. Schier geheel de geldmacht van Europa is in hun handen. De dagbladpers wordt bijna uitsluitend door zonen Israëls bediend. In geheel het rechtswezen en vooral aan de balie hebben ze hun tente opgeslagen. Wel zijn het slechts zeer zelden gestarnten van eerste grootte, die aan Israëls hemel schitteren, om dan nog, gelijk in onzen Da Costa, meest tot den glans van het hoogste licht door te breken, maar niettemin is hunner een Melkweg, zoo dicht bezaaid met lichtende punten van zeer helder schijnsel, dat bijna gansch Europa in onze dagen op hun licht afgaat. Wie weet welk een macht de beurs, de balie en de pers in onze Europeesche maatschappij zijn, zal deze lofspraak niet te stout achten, en wie daarenboven zich herinnert wat we onlangs van de bijna, ongelooflijk gunstige resultaten voor de zedelijkheidsstatistiek van dit raadselachtige volk meêdeelden, zal toestemmen, dat er in geen land een minderheid, in geen natie een kleine stam is, die ook maar van verre in dit wicht der talenten, in dit fonds van geestelijke kracht met Israël kan wedijveren.

Ook voor dit buitengewoon verschijnsel moet een oorzaak aanwezig zijn, die bij Israël wel, bij de overige natiën niet aanwijsbaar is, en wie denkt dan niet als vanzelf aan het eeuwenlang voortgezette wonder der profetie? De profetie d.i. als men wil de gestadige |103| toevoer aan Israëls volksbestaan van nieuwe, aan hooger orde ontleende krachten, die het sterkst in Elia schitterend, maar evenzeer in elk der profeten aanwezig, het geestelijk volkskarakter een volheid van inhoud moesten schenken, als geen ander volk bezat.

Voeg dit saâm: Israëls onuitroeibare nationaliteit, zijn sterke onderlinge gebondenheid en zijn exceptioneel talent, — en plaats daartegenover zijn wonderbaren oorsprong, zijn wonderbare volksstichting en zijn niet minder wonderbare volksbezieling door de profetie, — en we willen gevraagd hebben of niet het ééne verschijnsel het andere op uitnemende wijze verklaart.

Natuurlijk komt het niet in ons op, te wanen dat reeds hierin de werking der Oud-Testamentische wonderen zou zijn uitgeput; maar in een tijd, die onder de heerschappij van den Joodschen geest op de beurs, in de pers en aan de balie gebukt gaat, kon het toch zijn nut hebben de realiteit der Oud-Testamentische wonderen allereerst aan te wijzen in het wonderbaar verschijnsel dat we dagelijks om ons heen zien. |104|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004