X. De wonderen van Jezus’ toekomst


Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel.

Hebr. 12 : 26. a


Onder de Verlossingswonderen noemden we in de eerste plaats den Vloek, die over de aarde kwam, en den Zondvloed. Door beide werd de toestand van deze aarde aanmerkelijk gewijzigd. Beide gebeurtenissen zijn alleen door een inwerking van hooger krachten te verklaren. Beide hadden ten doel den toestand dezer aarde in overeenstemming te brengen met de natuur des menschen, gelijk die door den zondeval geworden was.

De zondaar kon niet in het Paradijs blijven. Zoolang de Paradijstoestand hem bleef omringen, ontbrak die aanleiding tot strijd en worsteling, die voor den gevallen mensch onmisbaar was. Miskent niemand de hooge beteekenis van het lijden in het werk der verlossing, als middel tot ontdekking van zonde, loutering en volmaking, dan spreekt het vanzelf dat de zondaar uit den toestand van stoorloos geluk moest worden uitgebracht. In het Paradijs was geen lijden. Lijden was voor den zondaar onmisbaar. Waaruit volgt dat het wegnemen |86| van het Paradijs voor den zondaar een eerste schrede op den weg der verlossing was.

Bij den Zondvloed is nog iets anders in het spel. De eigenaardige beteekenis dezer ontzettende gebeurtenis ligt niet zoozeer in de wijziging, die ze de natuur deed ondergaan, als wel in de aanvankelijke vernieuwing van het menschelijk geslacht. Uit het verhaal van Genesis blijkt ten duidelijkste, dat de gedrochtelijke uitbreking van hoovaardij, moedwil en overmoed, het toenmalig kenmerk van „het gedichtsel van ’s menschen hart”, den heiligen God ten oordeel verwekte. Afsnijding van die afgrijselijke ontwikkeling, waartoe de zondemacht, hand over hand toenemend, ijlings gekomen was, stond bij dat oordeel op den voorgrond. Het menschelijk geslacht wordt niet weggenomen, maar op ontzettende wijze in zijn wilde loten besnoeid, om niets dan een enkele stek over te laten, die van minder wilde natuur, opnieuw wortel schieten en zich tot een nieuwen stamboom der menschheid ontwikkelen zal. Ook in Noachs familie blijft de beste een zondaar, maar de geweldige macht der menschelijke natuur is op gevoelige wijze gekortwiekt; de ontwikkeling, die nu volgt, schrijdt daardoor langzaam voort; en dienovereenkomstig is ook de ontwikkeling der zonde langzamer en minder kolossaal. De mogelijkheid althans om een geslacht als dat van Abram voor te bereiden, is nu aanwezig. Het gevaar, dat de overmacht der zonde het ontstaan van het volk des Heeren beletten zou, week.

Zoo blijkt dan hoe metterdaad reeds deze twee gebeurtenissen, zoowel de Vloek als de Zondvloed, schakels zijn in het groote werk der Verlossing, maar ook, |87| hoe ten onrechte een niet onaanzienlijk gedeelte der Gemeente deze beide wonderen uit het oog heeft verloren. We gaan niet te ver, indien we beweren, dat verreweg de meesten op het eerste wonder (den Vloek) nauwelijks hebben gelet en het hooge belang van het tweede (den Zondvloed) schier uitsluitend in het oordeel hebben gezocht, dat over de wildheid en den overmoed van het toenmalig geslacht geveld werd.

Dit sleepte een ander, niet minder droef gevolg na zich. Heeft men geen oog voor den algeheelen ommekeer, die, tengevolge van de zonde, in onze natuur, in de verhoudingen van het planten- en dierenrijk, en vooral in het menschelijk geslacht doorbrak, dan kan men ook niet inleven in de leer der laatste dingen en zoomin de apocalyptiek van de profeten als van Jezus en zijn apostelen verstaan.

Het kort begrip toch van de leer der laatste dingen komt neêr op het Schriftwoord, dat we boven dit opstel plaatsten: „Nog eenmaal, spreekt de Heer, zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel.” Ziet men nu niet in, heeft men uit de Schrift niet geleerd, dat èn de natuur èn de mensch, door en na de zonde een ontzaglijke, gewelddadige vernedering heeft ondergaan, hoe kan men dan uitzien naar een verhooging en verheerlijking? Dan moet men er wel toe komen, om geheel het werk der verlossing tot de redding der ziel te beperken, en diensvolgens bij het kruis van Golgotha geheel het verlossingswerk als voltooid te beschouwen. Zelfs Opstanding, Hemelvaart en Pinksterwonder zijn dan in zekeren zin overbodig, en kunnen niet dan op gewrongen wijs worden aangewend, om het werk dat op Golgotha volbracht werd te bezegelen. |88|

Daartoe moest men wel komen.

Hecht men uitsluitend aan den geestelijken zondeval in het Paradijs, dan is met de geestelijke verlossing op Golgotha de in Adam geslagen wonde ook geheeld.

Weet men daarentegen met de Schrift, dat op den geestelijken zondeval nog een vernedering, een verlaging van het zichtbare leven om en aan den mensch gevolgd is, kortom, dat ná de zonde de dood en de vloek hun intocht in deze natuur en in ons geslacht deden, dan springt het terstond in het oog, dat er tegenover de dubbele vernedering ook een dubbele verlossing moet staan, en derhalve dan ook na Golgotha nog een tweede verlossing ons te wachten staat. Dan doorziet men met helderen blik, dat het met Golgotha niet uit kan zijn, dat er een Opstanding volgen moest, en dat die Opstanding, gevolgd door het opvaren van den Christus ten hemel, profetie en voorboô is van een wederherstelling der dingen, die ons aan het einde van deze bedeeling wacht. Het geloof aan de toekomst des Heeren Jezus Christus en de ontzettende gebeurtenissen, die dan niet alleen de aarde, maar ook den hemel bewegen zullen, houdt dan op een hinderlijk, aanhangsel van onze belijdenis te zijn, om veeleer met kracht voor ons te treden als de noodzakelijke voleinding van wat op Golgotha begonnen werd.

De bewering alsof de rol der wonderen zou zijn uitgespeeld, wordt dan een ongerijmdheid. Veeleer staat men dan in de overtuiging, dat de wonderen, waarvan we in de Schrift lezen, nog slechts het zwakke voorspel zijn van de wonderen die ons te wachten staan. Althans de enkele betooningen van bovennatuurlijke macht, die zich om de groote gestalten van Mozes, |89| Elia en den Christus groepeeren, zijn met de onderstbovenkeering en wederoprichting, die dan komen zal, nauwelijks te vergelijken, en moet terug naar de ontzaglijke gebeurtenissen van den Vloek en den Zondvloed, om iets te vinden, dat den indruk van zoo alomvattende machtsopenbaring onzes Gods wekken kan.

De vraag of de natuurwetten kunnen gebroken worden heeft op dat standpunt geen zin meer. Waren de wetten, die thans de orde der natuur beheerschen, een onoverkomelijke slagboom, dan kon er van een verheffing tot een hoogere orde geen sprake zijn. Alles bleef dan in de ijzeren wrong van die natuurwetten besloten. Men kon er niet uit. Men kon niet tot hooger geraken. Het baatte ons niet, of we al wisten, dat er nog een andere, gelukzaliger wereld, dat er nog een hoogere en betere orde van dingen bestond. Dat alles ware voor ons onbereikbaar; als door een hemelhoogen muur van ons gescheiden; het kon tot ons niet doordringen. Achter de natuurwetten, als achter zoo vele traliën van de poort onzer gevangenis, mochten we op die heerlijkheid turen, — ze in ons bereik trekken konden we nooit.

Weet men daarentegen, dat de toestand, waarin mensch en natuur tegenwoordig verkeeren, ingezonken en verlaagd, maar ook door God bestemd is, om op zijn tijd en in zijn ure eens tot heerlijkheid te worden opgeheven, dan spreekt het vanzelf dat geen natuurwet of wat ook, een slagboom voor zijn Almacht kan zijn, en de aanvankelijke doorbreking van het hoogere leven in deze verlaagde natuur niets ongerijmds in zich heeft, maar eisch van het gezonde denken is.

De tegenwerping, dat toch ook de loochenaars der |90| wonderen erkennen dat er zeer wel ontwikkeling mogelijk is en dat deze ontwikkeling het gelaat des aardrijks zeer aanmerkelijk kan veranderen, doet hiertegen niets af. De hyacintbol is, hoe onooglijk en vormeloos ook, ongetwijfeld voor schier ongelooflijke ontwikkeling vatbaar, zoo zelfs dat een kind niet licht op den inval komen zou, dat zoo geurige, prachtige bloem uit zoo wanstaltige bol was voortgekomen. Maar met dat al blijft de hyacint in haar orde. Ze blijft een plant en kan zich niet tot het hoogere leven van den nachtegaal verheffen. Leert dus de Schrift, dat er juist verheffing tot een leven van hoogere orde zal plaats hebben, dan komt men met het denkbeeld van ontwikkeling niets verder. Daarmeê blijft men in de kluisters der natuurwetten besloten. Ook kluisters kunnen zekere speelruimte laten, waarbinnen zeer aanmerkelijke ontwikkeling mogelijk is. Maar ontwikkeling en verheerlijking zijn twee geheel uiteenloopende begrippen, die nooit het ééne door het andere kunnen worden verklaard.

Wat volgt hieruit?

Dat men van tweeën één moet doen: òf deze natuur voor het hoogste verklaren, dat we bereiken kunnen, òf de noodzakelijkheid van het wonder erkennen.

Doet men het eerste, dan is het uiteraard ongerijmd, nog langer van de mogelijkheid der wonderen te bazelen. Dan haalt men over zoo onzinnig denkbeeld de schouders op, lacht over zooveel achterlijkheid en gaat zijns, weegs. Maar dan is men ook naturalist op en top. Kent geen God meer, die boven het al, geen hemelzaligheid, die boven dit aardsche leven staat. Dan is de Natuur het hoogste dat we kennen en met dit natuurleven ons aanzijn uit. |91|

Stuit daarentegen zulk een kras naturalisme u tegen de borst, wend dan ook niet langer doellooze pogingen aan om aan de macht van het wonder te ontspringen. Men lette er wel op. Elkeen, ook zij die strak en stijf de wonderen der Schrift loochenen en toch nog aan een eeuwig leven vasthouden, keeren feitelijk in de beschouwing over hun eigen toekomst tot de aanvaarding van het wonder terug. Te gelooven, te leeren en te belijden, dat zekere persoon, noem hem N. of X., nadat we zijn persoonlijkheid in een lijk zagen veranderen, tegen alle wetten van zwaarte en doordringbaarheid in, het vertrek waarin zijn lijk staat, verlaten heeft, en tot een hoogere orde van dingen is overgegaan, is, mits men oprecht en eerlijk wil zijn, zonder de erkenning van het wonder in absoluten zin onmogelijk. Zulk een overgang is een wonder in den volsten, strengsten zin des woords, en het is volkomen verklaarbaar, dat zij, wier geest in volstrekten zin tegen het wonder gekant is, even uit dien hoofde dan ook de mogelijkheid van zulk een overgang ontkennen en het eeuwig leven loochenen. Dit is consequent. De houding der modernen is halfslachtig en beginselloos.

Welke keus men doen zal, is een vraagstuk niet van het verstand, maar van het hart. Althans voor de toongevende geesten. Er zijn tal van menschen, die anderen napraten dat ze de wonderen loochenen, en toch bij elke levensuiting toonen, dat ze zich nog in de levensbeschouwing van het wonder baden. En evenzoo zijn er omgekeerd honderden bij honderden, die nog voor de waarheid der wonderen in de bres springen, zonder dat hierin een eigen toon van het hart meêspreekt. Dezulken zonderen we uit. We bedoelen |92| thans uitsluitend diegenen, die, tot het opmaken van een eigen slotsom bevoegd en geroepen, tot een overtuiging kwamen. En dan houden we vol, dat de vraag, of ge de wonderen aanvaardt dan wel loochent, een quaestie van het hart is.

Voelt gij u thuis in dit leven; beantwoordt het aan de aspiratiën van uw geest; vindt uw hart in dezen engen kring wat het zoekt; gaat het in dit lagere leven op? — dan, hoe zou het anders kunnen, heeft de opsluiting van uw aanzijn binnen de wetten dezer natuur voor u geen bezwaar; dan kunt ge aan het bestaan eener hoogere orde van dingen niet hechten; dan kan, wat niet bestaat, ook niet tot u doorbreken; en kunt ge het wonder niet aanvaarden.

Maar grijpt het omgekeerde bij u plaats; bevredigt dit leven, ook in zijn edelste uitingen u niet; laat het een leêgte in uw hart over; voelt ge de profetie in u van een hoogere harmonie; en gaat uw ziel, met haar innigst begeeren, naar dat hoogere uit, — dan, het behoeft. geen betoog, is het bestaan van een nog hoogere orde der dingen voor u een onomstootelijke waarheid; een werkelijkheid waaraan ge u ontworstelen wilt noch kunt; dan is het tot u doorbreken van die hoogere orde u noodiger dan het brood des levens; en is een geschiedenis van uw geslacht en van uw eigen leven u zonder de erkenning van het wonder ondenkbaar.

Wat we beweerden, wordt door de geschiedenis gestaafd.

Immers de strijd tegen het wonder ging steeds hand aan hand met de zucht om van dit leven de hoofdzaak te maken. |93|

Daarentegen in kringen, waar het wonder zijn heerlijke kracht bleef oefenen, was steeds een onderschatting van het aardsche leven merkbaar, die niet zelden te ver gedreven, tot rechtmatige bedenking aanleiding gaf.

De twee helften, waarin zich almeer onze maatschappij deelt, kunt ge dan ook niet beter indeelen dan naar de waarde en den prijs, dien ze aan dit leven, aan deze bedeeling, aan deze orde der dingen hechten.

Bekleedt dit leven de hoofdplaats in hun schatting, dan vindt ge loochening van het wonder. Of ook, wordt aan dit leven een ondergeschikte plaats aangewezen, dan vindt ge dankbare aanbidding van dien God, die alleen wonderen doet.

Bedenkingen door moderne theologen tegen dezen stelregel aan enkele uitzonderingen beiderzijds ontleend, doen niets ter zake af. De feiten getuigen tegen hen, en niemand, die onbevooroordeeld de toestanden om zich heen gadeslaat, kan ontkomen aan de droeve bekentenis, dat de bemoeiing met de lusten en lasten dezes levens zich in gelijke mate heeft uitgezet, als het geloof aan de wonderen inkromp.

Natuurlijk. Het Wonder is juist de majestueuse aanwijzing dat dit leven niet het hoogste is. Het veroordeelt derhalve in de consciëntie een iegelijk, die niettemin dit leven als het hoogste in zijn hart geprijsd heeft. Vandaar de felheid, waarmeê een maatschappij, die in dit leven haar één en al zoekt, zich tegen het Wonder aankant. |94|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004