IX. Mozes, Elia en de Christus


De Heere vernedert, ook verhoogt Hij.

De Heere doodt en maakt levend.

De Heere doet ter helle nederdalen en Hij doet weder opkomen.

1 Sam. 2 : 6, 7. a


De Verlossingswonderen, die saâm den wonderkring van den Zoon vormen, dragen een tweeledig karakter, naar gelang ze oordeelend of begenadigend zijn. In sommige, b.v. in de machtdaad Jehova’s aan de Roode Zee, is deze dubbele karaktertrek tegelijkertijd aanwezig, doordien de Egyptenaren geoordeeld en de Israëlieten begenadigd worden; maar even dikwijls zien we beide zich splitsen. De vernietiging van Sodom en Gemorrha is een wonder der veroordeeling, de uitdroging der Jordaan bij Israëls overtocht een wonder der redding.

Dat we ook de oordeelswonderen onder de wonderen der Verlossing rekenen, behoeft nauwelijks rechtvaardiging. Sinds er door de zonde een macht van het Booze op aarde ontstaan was, moest de Mogendheid des Heeren zich wel oordeelend en vernielend tegen de bewerkers |77| van het kwaad stellen, zou verlossing denkbaar zijn. Deden zich telkens verhoudingen voor, waarin Israëls verlossing zich niet denken liet zonder den ondergang van zijn vijanden, dan springt het elk in ’t oog, hoe vernieling en verlossing vaak slechte twee namen zijn voor eenzelfde betooning van ’s Heeren macht, al naar gelang ge met de uitwerking van die macht op Israël, dan wel op Israëls vijanden rekent. Er was door de zonde een strijd op aarde ontstaan. Het karakter nu van elken strijd is, dat de uitredding des eenen den ondergang des anderen onderstelt, en de Mogendheid des Heeren, die als bondgenoot in dien strijd tegen Sathan optrad, moest dus wel vernielend op den tegenstander werken om verademing, verlossing en zegepraal te schenken aan hen, die voor den naam des Heeren streden. Zoo wordt wat eerst tegenstrijdig scheen, een geheel doorzichtig en natuurlijk verschijnsel. Verlossingswonderen moeten veroordeelend en vernietigend zijn voor hem, die onze verlossing tegenstaat, zal ooit de verlossing ons deel en zullen wij der vrijheid deelachtig worden.

Dit dubbel karakter van het Verlossingswonder houde men daarom scherp in het oog. Het is een zwaard en schild tevens. Een schild voor wie God vreest, en een tweesnijdend zwaard voor elke macht, die zich tegen Hem keert.

Nadat dit op den voorgrond is gesteld, dient er op gewezen, dat de Verlossingswonderen een geschiedenis vormen, die in het Paradijs begon, in Christus haar middelpunt heeft en haar besluit eerst vinden zal in de wederoprichting aller dingen.

Had men nu met verdichting te doen, dan kon men |78| verwachten, dat de wonderenreeks het rijkst zou zijn in de oudste tijden, allengs zou afnemen naarmatemen verder in den tijd kwam en geheel dood zou loopen in de dagen, waaruit ons omstandige berichten zijn toegekomen.

Zie maar, zoo roepen de loochenaars der wonderen hun volgelingen toe, hoe gaandeweg het aureool der wonderen in de geschiedenis verbleekt. Een heugenis der wonderen wordt ons overgeleverd uit die overoude tijden, wier geschiedenis geheel in het duister schuilt. Al minder bespeurt ge van wonderen, hoemeer ge den historischen tijd nadert. En komt ge ten laatste aan die jongere tijden der geschiedenis, waaruit oog- en oorgetuigen u hun berichten overzenden, dan verdwijnt het wonder geheel. Wel een bewijs, zoo besluiten ze dan, dat van al die voorgewende wonderen niets in de werkelijkheid plaats greep. Ze bestaan voor de verbeelding, zoolang het donker blijft, maar zóó daagt het licht der historie niet of deze toovergestalte der verbeelding verdwijnt.

Ten deele hebben onze tegenstanders hierin gelijk. Hun beweren slaat zelfs met treffende juistheid op de historie van de meeste volken der oudheid, die schier onveranderlijk met de avontuurlijkste verhalen begint, maar in meer bekende tijden van geen wonder meer heeft te gewagen. Zooveel weten ook onze lezers wel van de geschiedenis van Rome en Griekenland, om in te zien met hoeveel grond men juist uit dien hoofde de zonderlinge verhalen omtrent de eerste lotgevallen dezer natiën als verzinselen verwerpt.

Maar ongelijk in hooge mate hebben deze predikers eener valschelijk dusgenaamde wetenschap, indien ze het |79| onderstaan, om naar dien regel ook de wonderen, waar van de Heilige Schrift bericht, te verwerpen. Eer het tegendeel is waar. Juist de regel, dien ze opstelden komt de geloofwaardigheid der Schriftwonderen ten goede.

Immers, dit weet elk, die in de Heilige Schrift geen volslagen vreemdeling is, dat we in de eerste achttien eeuwen, waarvan de Bijbel meldt, schier van geen enkel wonder hooren; dat de wonderenreeks haar glans eerst begint te ontsteken, als we op historisch terrein in engeren zin komen; en haar hoogste schittering juist dan bereikt, als de historie van het volk des Bijbels ten einde loopt en Jeruzalems verwoesting voor de deur staat.

Hier dus geen afneming, maar een toeneming van het wonder, naarmate we verder komen op het historieblad. Minder wonderen, zoolang het vergelijkenderwijs donker biijft op het historieblad, en de meeste wonderen als saâmgehoopt op een enkel punt des tijds, waarin het geschiedkundig licht zoo helder was opgegaan, dat men personen, plaatsen en tijden tot in kleine bijzonderheden kent.

In drie groote groepen zijn de Verlossingswonderen in te deelen, waarvan de twee eerste reeds voleind zijn en de derde nog komen moet. De eerste loopt van den Zondeval tot na afloop van den Zondvloed. De tweede van den Zondvloed tot op de stichting der Christelijke Kerk. De derde kennen we nog slechts in profetie, als die openbaring van ’s Heeren mogendheid, die aan het einde der dagen zal uitblinken in de toekomst van Christus.

De eerste groep had ten doel de algemeene gesteldheid |80| van deze aarde en van ons geslacht uit den Paradijstoestand over te leiden in den staat, waarin wij ze kennen.

Ieder weet, dat naar luid der Schrift, een machtige omkeer in de bestaande orde van zaken tot stand kwam door den Zondvloed, maar minder wordt er gelet op de niet minder belangrijke verandering, die reeds plaats greep in het Paradijs.

Toch hebben we bij die eerste groep metterdaad met een dubbel wonder te doen: 1º. de wegneming van het Paradijs, en 2º. de Zondvloed.

Wel wordt ons van de wegneming van het Paradijs geen afzonderlijk bericht gegeven, maar niettemin weet ieder Bijbellezer, dat de Heilige Schrift ze onderstelt. De Schrift toch begint met ons het bericht te geven van een hof Eden, waarin het Paradijs met zijn wonderboomen geplant was; meldt daarna dat de mensch uit dit Paradijs verjaagd werd; en laat voor het overige nergens doorschemeren, dat het Paradijs nog ergens op aarde zou te vinden zijn. Reeds hieruit zou zijn af te leiden, dat door een buitengewone machtdaad Gods het Paradijs, dat er eerst was, werd weggenomen en verdween.

Maar bovendien, wel terdege wordt ons in de Schrift bericht, dat na den Zondeval „de vloek” over de aarde is uitgesproken. Het aardrijk zij vervloekt om uwentwil! En dat hierbij niet slechts aan een zedelijk oordeel over den mensch, die de aarde bewoont, maar inderdaad aan een verandering in den natuurlijken toestand van deze aarde te denken is, blijkt op afdoende wijze uit wat er onmiddellijk op volgt: Het aardrijk zij vervloekt om uwentwil, d.w.z. distelen en doornen zal het u voortbrengen, en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. |81|

Aan de hand der Schrift deze alles beheerschende verandering nauwkeuriger te omschrijven zou thans buiten ons bestek liggen; maar zooveel staat na het gezegde dan toch vast: dat de Heilige Schrift melding maakt van een wonder, waardoor de Paradijs-toestand van deze aarde overging in een anderen, van veel ongunstiger geaardheid, waarbij de mensch gedwongen werd tot een worsteling met de natuur, om haar zijn levensonderhoud te ontwringen, in steê van, gelijk in het Paradijs, haar tot zijn wil en dienst te hebben.

Nog minder twijfel kan bestaan omtrent de nadrukkelijke vermelding van het tweede wonder dat tot deze groep behoort: de Zondvloed.

Geen Bijbeluitlegger heeft het recht deze geheel buitengewone gebeurtenis tot de afmetingen van een sterke overstrooming terug te brengen. Wat de Schrift ons van den Zondvloed meldt, geeft in elk opzicht den indruk van een gebeurtenis, die de perken van de gewone natuurwerking zeer verre overschrijdt. Het is niet tegen te spreken, dat de Schrift ons den Zondvloed als een der machtigste wonderen schildert, die den gewonen loop der dingen hebben afgebroken, en waardoor een andere toestand ingetreden is, dan vooraf bestond.

Dit zou reeds vaststaan, al lette men slechts op dit ééne verschijnsel, dat de ouderdom van den mensch bij den Zondvloed plotseling afneemt op zoo ongelooflijke wijze, dat aan een geleidelijke verzwakking van ons geslacht niet te denken valt. In Noach treedt nog een type voor ons van die oude patriarchen, wier leven bij eeuwen telde, terwijl we na den Zondvloed opeens van een negenhonderd jaren tot een leeftijd dalen, die de jaren der langstlevenden in onze Noordsche landen nog |82| niet met een derde overschrijdt. Honderd tachtig jaren is het langste leven dat na den Zondvloed voorkomt. Honderd vijf en dertig jaren is de ouderdom die nog onlangs werd bereikt. Een verschil alzoo van te geringen aard om niet uit geleidelijke verzwakking van ons geslacht verklaarbaar te zijn.

Nemen we deze beide feiten saâm, dan blijkt derhalve, dat naar luid der Schrift een tweeledige wonderdaad Gods, eerst, door den vloek, het aardrijk en daarna, door den Zondvloed, ook den mensch uit de hooge voortreffelijkheid van het Paradijs gebracht heeft tot den toestand, dien wij thans kennen.

In hoeverre de omwentelingen in de natuur, waarvan de jongere wetenschap verhaalt, met deze beide wonderfeiten op eenzelfde oorzaak doelen, kan thans niet besproken worden. Genoeg, zoo men slechts in het oog houde dat èn de Schrift èn de wetenschap beide naar zulk een gewelddadigen ommekeer in dezen stand der dingen heenwijzen.

De tweede wondergroep, waarvan we spraken, loopt van den Zondvloed tot op de stichting der Christelijke Gemeente en groepeert zich, vooral om drie der uitnemendste persoonlijkheden, om Mozes, Elia en den Christus. De verheerlijking op Thabor, waarbij Mozes en Elia aan den Christus verschijnen, is metterdaad de saâmvatting van deze gansche wonderenreeks.

Dat deze indeeling noch gezocht noch willekeurig ïs zal elk kenner der Schrift toestemmen.

Noch in het leven van Noachs eerste nakomelingen, noch in het leven van Abraham, Isaäk en Jacob, noch in het leven van Jozef, noch tijdens het eeuwenlang verblijf van Israël in Egypte treden de wonderen op |83| den voorgrond. Bij Abraham nog het meest; bij lsaäk ganschelijk niet; bij Jacob slechts weinig; daarna verdwijnen ze geheel.

Hoe geheel anders bij Mozes’ roeping, Israëls uittocht, de wetgeving op den Sinaï en den tocht door en uit de woestijn! Hier is het wonder het één en al, de draad die de gewone gebeurtenissen aaneenhecht, het alles beheerschend element.

Na Mozes keert zulk een wonderkring niet terug dan in Elia’s dagen. Noch het richtertijdvak, noch de geschiedenis van Samuel, noch die van David en Salomo, noch die der eerste koningen, biedt voor de wonderengeschiedenis rijke stof. Het is alsof het Wonder voorgoed heeft opgehouden. Zoo men de Urim en Thummim alsook de Profetie, uitzondert, wordt ons ten leste van geen wonder meer bericht, totdat dit plotseling geheel anders wordt in de dagen van Elia. Nu baadt men zich weêr in het wonder; is het of een nieuwe openbaring uitbreekt en de dagen van ouds zijn teruggekeerd.

Edoch, om na zijn verscheiden nogmaals weg te sterven, gelijk oudtijds na het verscheiden van Mozes, en te toeven tot de Christus zelf verschenen is, om nu in luister alle vroegere glansen van het wonder zeer verre te overtreffen.

Mozes, Elia, de Christus zijn derhalve aan te merken als de drie groote persoonlijkheden, om wie het wonder zich in zijn volheid concentreert.

Althans indien men elk dezer drie neemt met het naschijnsel, dat ze in hun discipelen hadden.

Bij Mozes hoort Jozua, bij Elia hoort Eliza, bij den Christus hooren Petrus en Paulus, en telkens zien we |84| hoe in deze discipelen de wonderkracht nawerkt, die zich in hun groote meesters had geopenbaard. De wonderen dezer discipelen zijn zwakker; ze maken den indruk van wachters, die den loop der zonnen volgen, bij wie ze gesteld zijn; Jozua is Mozes niet, Eliza staat zeer verre bij Elia achter; tusschen Jezus en zijn discipelen is geen vergelijking denkbaar; maar niettemin zet de wonderkracht van Mozes, Elia en Christus zich in deze epigonen voort.

Aan de indeeling in drie kringen wordt hiermeê natuurlijk geen afbreuk gedaan. Mozes, Elia en Christus bnjven ook zoo de drie heerlijke figuren, die in den stralenkrans der goddelijke wonderen voor ons treden.

Over Daniël, Jozua en Sanherib later. |85|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004