VIII. De wonderkring van den Zoon


Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven; men noemt zijnen naam Wonderlijk.

Jes. 9 : 5. a


Gelijk men zich herinnert, deelden we de Wonderen in drie kringen: Wonderen der Schepping, der Verlossing en der Heiliging; beantwoordende aan de drievuldige belijdenis van het goddelijk Wezen als Vader, Zoon en Heilige Geest.

We zijn thans tot den tweeden kring, dien der Verlossingswonderen, genaderd, na reeds kortelijk op den overgang te hebben gewezen, die deze tweede wonderenreeks met de eerste verbindt.

Tot op zekere hoogte, dus bleek ons, valt het Scheppingswonder met het Verlossingswonder saâm.

Beide duiden aan, dat er een werking, een beweging, een verschijnsel, de openbaring eener kracht wordt waargenomen, wier bewegende kracht ter laatste instantie niet in de natuur ligt; zoomin in haar krachten als in haar wetten. Beide doelen derhalve op een onmiddellijke daad Gods, daargelaten of die onmiddellijke daad |68| zich al dan niet aan het bestaande aansluit. Beide hebben ten slotte nog dit gemeen, dat ze niet een voorbijgaande vertooning vormen, maar een kracht werken, die invloed wil oefenen op wat daarna komt.

De Scheppingswonderen vormen een kring, die met den rythmus van het zesvoudig Goddelijk werken in de Sabbatsruste van den zevenden dag sluit. Ze vormen een kring, niet doordien de verschillende Scheppingsdaden op elkander volgen, maar wijl ze bijéén hooren, op elkaâr zijn aangelegd, met elkaâr in onmiddellijk verband staan en eerst saâm een geheel vormen. Het licht b.v. dat ijlings tot aanzijn komt, doelt reeds op het oog, dat eerst straks gevormd zal worden. En evenzoo, bij de vormiqg van het menschelijk lichaam wordt de voorafgaande schepping van dier en plant en stof ondersteld.

Eén geheel vormen de Scheppingswonderen, wijl ze alle door éénzelfde gronddenkbeeld worden beheerscht, op de Schepping van den mensch heendoelen, en in dien mensch den beelddrager Gods eeren, in wiens bewustzijn al de stralen zijner Schepping als in één middelpunt moeten saamvallen.

Maar één geheel vooral daardoor, dat elk Scheppingswonder dat voleind werd, slechts schijnt te strekken om het vermoeden te wekken van een nog grooter, nog heerlijker wonder, dat komende is. Van elk Scheppingsgewrocht, dat tot aanzijn komt, hooren we de uitspraak herhalen, dat de Heer het aanzag en bevond dat het goed was; maar telkens wordt de glans waarin het schitterde, door den luister van een nieuwe schepping, die daarna komt, overstraald. Eerst in den mensch heeft de reeks der Scheppingswonderen aanvankelijk |69| ruste gevonden. Met Adams optreden sluit de eerste wonderenkring zich toe.

Toch slechts aanvankelijk. Waar de eerste kring zich sluit, opent zich een tweede. Het Paradijs was nog niet het Rijk der heerlijkheid.

Er bleef, ook na de schepping van den mensch, nog een andere wereld, nog een rijk van hoogere orde, nog een leven van luisterrijker heerlijkheid in Gods Almacht verborgen, dan het Paradijs te aanschouwen gaf. De slotkapittels van de Openbaring reiken oneindig verder dan Genesis 2 en 3. Wat geen oog gezien, geen oor gehoord had, en in geens menschen hart was opgeklommen, bleef ook na de voltooiing der eerste Schepping nog verborgen in God.

Zou dat Rijk der heerlijkheid ooit komen, dan kon ook het Wonder niet uitblijven. Immers, wat geen wonder is, moet uit den natuursamenhang van het bestaande verklaard worden en blijft dus in de lagere orde van het reeds geschapene bevangen. Zal er daarentegen een openbaring komen van die nog heerlijker wereld, uit die veel hoogere orde der dingen, dan moet dit den natuursamenhang wel verbreken, of van zijn hoogere natuur zou niet blijken kunnen.

De vraag, of er na de voleinding der Schepping nog wonderen te wachten waren, moest ontkennend beantwoord, indien in het Paradijs het hoogste reeds gegeven was; maar daarentegen toestemmend, indien het Paradijs nog slechts de afschaduwing en aanduiding was van een veel heerlijker werkelijkheid, die nog verborgen was in God. De ontkenning van het Wonder vloeit dus voort uit het valsche denkbeeld, alsof we reeds hier op aarde de hoogste orde der dingen bezitten. |70| En omgekeerd, elk mensch, die weet en inziet, dat deze orde der dingen niet de hoogste is; wiens hart naar een nog hooger heerlijkheid uitgaat; die naar het apostolisch woord, niet zoekt de dingen die op aarde, maar de dingen die boven zijn, waar Christus is, en als een toon uit het eigen hart het lied der Pelgrims begroet: Hoog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet! — moet niet slechts de mogelijkheid der wonderen onderstellen, maar ook de realiteit van hun verschijning krachtens zijn geloof postuleeren. Zonder den dorst naar en de vaste overtuiging aangaande de realiteit van het Wonder bestaat er geen diep doordringend, hooger opleidend, huis en maatschappij hervormend geloof!

Ziehier nu een uitnemendheid van de Gereformeerde belijdenis, waarvan duizenden bij duizenden zelfs onder haar geloovige belijders geen vermoeden meer hebben.

Ook u kwam de tegenstelling van Genadeverbond en Werkverbond wel ter ooren. Ge weet, hoe de groote hoop in onze dagen meêlijdend op deze, zoo heet het, verouderde en al te spitsvondige tegenstelling neêrziet. Zoo weinig weten thans zelfs sommige predikers meer van de leer der vaderen, dat het niet ongewoon is Werk- en Genadeverbond als eensluidend met Oud- en Nieuw-Verbond te hooren voorstellen. Het Oude Testament, zoo zegt men dan zeer verkeerdelijk, was het verbond der werken, eerst met het Nieuwe Testament ontstond het verbond der genade.

Ons bestek verbiedt hierover verder uit te weiden. We bepalen ons daarom tot de korte herinnering, dat volgens de leer onzer vaderen het Werkverbond uitsluitend in het Paradijs bestond, door den zondeval |71| verbroken werd, en reeds in het Paradijs door het Genadeverbond is vervangen. Immers dit is voor de rechte beschouwing van de Verlossingswonderen genoeg!

Het Werkverbond rust op het denkbeeld van verdienste. De eerste mensch was in zulk een toestand geplaatst, dat hij doen kon en moest, wat na den val in zonde, voor den zondaar de hoogste aanmatiging en de ondraaglijkste hoovaardij zou zijn: door het volbrengen der geboden Gods een toestand van hooger zaligheid als loon verwerven. Hij bezat het eeuwige leven, d.i. die hoogere zaligheid, dien gelukstaat van hoogere orde, nog niet. Wel was zijn natuur er op aangelegd, om tot dat Rijk der heerlijkheid te komen; wel kwam het gebod van ’s Heeren wege tot hem, om dat hoogere te verkiezen boven hetgeen hij bezat; maar zijn deel was het nog niet. Dat eeuwige leven, dat de uitverkorene thans door genade erlangt, is door de zonde niet teloor gegaan, wijl het eens bezeten niet teloor gaan, en juist wijl het eeuwig is, niet sterven kán; maar zou, indien hij in steê van te zondigen, ’s Heeren gebod volbracht had, hem als hoogere natuur zijn toegekomen.

Tegen Roomschen, Socinianen en Remonstranten heeft de Gereformeerde Kerk dit uiterst gewichtig stuk der waarheid steeds met hand en tand verdedigd. Ze hield staande, dat prijsgeving van dit leerstuk aan den godsdienst zelven afbreuk deed en geheel de openbaring Gods omverwierp.

Bezat Adam in het Paradijs reeds het hoogste, was toen reeds de staat van volkomen gelukzaligheid zijn deel, dan bestaat er ook geen hoogere orde van dingen, vervalt de tegenstelling van Paradijs en Hemel, en kan in het dusgenaamde Rijk der heerlijkheid niets |72| verwacht worden, dan wat Eden reeds bezat. Dan is wel door ’s menschen oog gezien, wel door ’s menschen oor gehoord, en wel in ’s menschen hart opgeklommen, wat hierna ons bereid is. Dan zijn zij in hun recht, die u aansporen om liever den hemel dan de aarde te vergeten en voor haar de toewijding van uw leven en uw krachten vragen. Dan kan er van een wonder geen sprake zijn en weêrspreekt het Maranatha zichzelf.

Houdt men daarentegen vast aan Paulus’ woord „dat het natuurlijke eerst is, daarna het geestelijke” , en dat „de eerste mensch nog uit de aarde aardsch was, terwijl eerst de tweede mensch de Heer uit den hemel is”; dan dient ook met onze Gereformeerde Kerk gepredikt en beleden. dat Adam het eeuwig leven nog niet bezat; dat het Paradijs, hoe uitnemend ook, vergeleken bij de overige Schepping, toch eenmaal zeer verre overtroffen zou worden door het Rijk der heerlijkheid; dat na afloop en voleindiging der eerste Schepping het ontstaan eener tweede, edeler Schepping, van hooger orde nog te wachten stond; dat deze hoogere Schepping niet naast de eerste zou worden geplaatst, maar in haar zou worden ingebracht om ze tot die hoogere heerlijkheid op te heffen; dat, hoewel het uitbreken dier volle glansen eerst met de toekomst des Heeren te beiden is, toch de voorbereiding voor dat Rijk der heerlijkheid zoo oud is als de Openbaring en in de Schrift aan den naam van den Messias verbonden is; dat dit allengs inbrengen van deze hoogere orde der dingen in het bestaande noodzakelijk en onafwijsbaar de optreding van het Wonder onderstelt en eischt; en dat, wijl na den zondeval de herstelling van het gevallen schepsel zich aan deze voorbereiding van het Rijk der heerlijkheid heeft |73| aangesloten, de wonderenreeks, hiertoe betrekkelijk, het natuurlijkst als de Verlossingswonderen wordt aangeduid.

De mensch, gelijk hij geschapen was, kon, wat zijn aanleg betreft, nog tot den eeuwigen dood vervallen, — wie het eeuwige leven heeft, niet meer.

Voor den mensch bleef, in de onbeslistheid des zedelijken levens, waarin hij geschapen werd, metterdaad nog een geheel levensterrein verborgen, en toen Sathan fluisterde van het als God zijn in de kennisse van goed en kwaad, was het meer vervalsching der waarheid dan verzinning van leugen, waardoor de mensch werd misleid.

Zooals de mensch daar krachtens zijn scheppingsaanleg stond, zou hij moeten beginnen met te werken, om aan het einde van zijn weg het eeuwig leven als loon te ontvangen; terwijl de wedergeborene begint met het eeuwig leven te ontvangen en zijn goede werken niet volbrengen kan dan met krachten, die bij aan dit eeuwig leven ontleent.

Wie den onmetelijken afstand tusschen loondienst en liefdesdrang uit zedelijk oogpunt weet te meten, zal beseffen, welk een breede klove tusschen dit oorspronkelijk in de Schepping gegevene en daarna uit genade geopenbaarde ligt; zal onzen gereformeerden vaderen dank zeggen, dat ze, zij het ook in ietwes scholastieken vorm, deze diep zedelijke waarheid ons hebben overgeleverd; en zal, op grond zijner levenservaring, op grond van de natuur des zedelijken levens, en niet minder krachtens het getuigenis der Schrift, de zienswijze veroordeelen alsof overgang uit dit lagere naar het hoogere standpunt, eenvoudig door ontwikkeling, zonder een tusschenkomende daad Gods, dus zonder het Wonder van den Messias voor de menschheid en zonder het |74| Wonder der wedergeboorte voor den enkelen mensch denkbaar ware.

Ook al stellen we ons derhalve voor, dat de zonde (wat niet zoo is) met haar droeven nasleep van jammeren had kunnen uitblijven, ook dan nog zou de Raad des Almachtigen Gods met de Schepping van het Paradijs nog niet zijn voleind geweest; ook dan nog ware met die Schepping nog slechts het fundament gelegd, waarop de hoogere bouw zou worden opgetrokken; ook dan zou het Rijk der heerlijkheid nooit vanzelf en door geleidelijke ontwikkeling, maar alleen door nieuwe schepping tot stand zijn gekomen; kortom, óók dan nog zou tusschenbeidetreding van het Wonder ter volvoering van den Raad des Heeren zijn geëischt.

Toch is deze onderstelling slechts denkbeeldig. De val greep nu eenmaal plaats. De zonde is er, en wijl de mensch het lot der aarde beheerscht en alle geslachten der menschen uit éénen bloede zijn, laat de voleinding van het Godsplan met deze aarde zich geen oogenblik van de Verzoening der zonden afscheiden.

Wat anders een Scheppingswonder van hoogere orde zou geweest zijn, is nu in de eerste plaats Verlossingswonder geworden.

Elk peinzen over de heerlijkheid van, hoogere orde die komt, is ijdel en arm aan zedelijke veerkracht, tenzij de dorst naar „verzoening uit loutere genade” zij voorafgegaan.

Slechts houde men in het oog, dat in het Verlossingswonder tegelijk de Schepping van een hoogere orde tot stand komt.

De wedergeborene verkeert niet in den zedelijken toestand van Adam vóór zijn val. De verlossing is geen |75| bloote herstelling in den toen verloren stand. Door de genade wordt ons niet maar teruggegeven, wat ons in het Paradijs ontviel.

Wat uit den geest geboren is, is geest.

Adam moest het eeuwige leven nog verwerven. Het kind Gods heeft het.

Adam viel nog, dus kon hij tegen God kiezen.

De wedergeborene niet meer.

Van hem staat geschreven:

„Wie uit God geboren is doet de zonde niet meer, en hij kan niet meer zondigen, want zijn zaad blijft in hem.”

De lage mensch die dit koninklijk en goddelijk Woord als dekmantel om zijn onwedergeboren, onheilig hart slaat, lastert de Heiligheid des Heeren.

Bij het licht des Geestes verstaan, toont het de diepe klove die tusschen de zedelijke orde van het Paradijs en de zedelijke orde van het Rijk der heerlijkheid bestaat. |76|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004