VII. Voor elke sfeer een eigen levenswet


Gij wel hebt kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dit ten goede gedacht.

Gen. 50 : 20. a


De voorstelling over het ontstaan en wezen der dingen, die een halve eeuw geleden den toon gaf, heeft, nu reeds, sinds lang uitgediend. Deïsten vindt men bijna niet meer. De modetheorie van thans is het Determinisme, uit den vreemden op onzen vaderlandschen bodem overgebracht en met name door den hoogleeraar Scholten met ongeëvenaard talent bepleit.

Naar luid van dit stelsel kunnen er geen nieuwe krachten ontstaan en zijn alle bestaande krachten, onherroepelijk en onvoorwaardelijk, gebonden aan de wetten, die ze beheerschen. Wat we geschiedenis noemen, is dus niets dan de rekenkunstige optelling, aftrekking, vermenigvuldiging en deeling, nooit eindigend en stoorloos voortgaande, van die krachten en heur wetten. De steen, dien ge loslaat, valt zóó als hij valt, — en zóó zou ook vooruit geheel de geschiedenis van natiën en volkeren, van huisgezinnen en personen, tot in de kleinste trekken kunnen geboekstaafd worden, zoodra het ons door |58| nauwkeurige waarneming en vordering in do hoogere wiskunde gelukte, de eindelooze scheidingen en verbindingen dier duizendmaal duizend krachten in al heur loop na te rekenen. Met de wiskunstige zekerheid, waarmeê de werktuigkundige de stuwkracht van een stoomwerktuig, of een vaardig geschutrichter de uitwerking van zijn schot op onzichtbaren afstand berekent, ware ook vooruit de uitslag van elke vergadering, van elke opvoeding, van elke intrige, van elke innerlijke overlegging des geestes aan te duiden, — indien we van die wetten en krachten maar alles wisten.

Een spel der zonderlingheid heeft gewild, dat de hoogleeraar Scholten dit Determinisme als verbeterde uitgave van Calvijns praedestinatieleer aan het publiek zou aanbieden. Hij was hoogleeraar in de godgeleerdheid, had voor de historie onzer Kerk hart, en voelde zich aangetrokken door de mannelijke denkkracht, den moed des geestes en de frischheid der levensuiting, die het echte Calvinisme zoo gunstig van de matheid, fletsheid en halfslachtigheid der Remonstranten onderscheidt. Waarom zou dan het waagstuk niet beproefd? Tegen willekeur in het lot van volken en personen had ook Calvijn geijverd! En zoo is het geschied, dat een wijsgeerig stelsel, dat in de loochening van den persoonlijken God zijn sluitsteen vond, zich aandiende in het eerbiedwekkend gewaad van den Raad Gods, zijn Voorverordineering en Uitverkiezing, en loochening van den Vrijen wil.

Dit was geen volks-, maar zelfmisleiding.

Loochent men de Schepping in den tijd, en is men dus van oordeel, dat dit Heelal nooit ontstond, maar er altijd was, dan staat dit Determinisme kortweg met |59| loochening van den levenden God gelijk. Althans, of Hij bestaat dan wel niet bestaat, wordt dan volkomen onverschillig. De krachten zijn er, de wetten werken, alles loopt toch gelijk het loopt en kan tot geen andere uitkomst leiden. Het zedelijk en godsdienstig leven, ter laatste instantie uit stoffelijke krachten voortgekomen, ontaardt in verfijnde stofwerking met haar aan de macht derzelfde wetten onderworpen. Zoo houdt het op, als een leven van eigen soort te bestaan en kunnen de krachtige prikkels van berouw, zelfverwijt, bekeering, schuldbelijdenis en gebed geen andere waarde behouden dan van noodzakelijke gewaarwordingen, die door ons gebrekkig inzicht in den natuurlijken samenhang der dingen veroorzaakt zijn.

De wonderen, d.i. de persoonlijke wilsuiting Gods, uit de stoffelijke wereld te bannen, deed het beoogde doel slechts halverwege bereiken. Zoolang in het zedelijk leven nog steeds de persoonlijke wilsuiting van den mensch overbleef, hielden de wonderen in de zedelijke wereld nog stand en was de terugkeer tot het aloud geloof, waaraan de Schrift getuigenis gaf, niet afgesneden.

De oppervlakkige Bijbelbestrijders van alledaagsch allooi hadden hier niet op gelet. Het geloof aan de Bijbelwonderen haalden ze bij voorkeur door laffe gemeenplaatsen of zoutelooze spotternij onder den voet, en hielden ter streeling van hun zelfzuchtig gevoel de leer van den vrijen wil er liefst bij aan.

Ernstige denkers daarentegen konden zich die innerlijke tegenstrijdigheid niet ten laste laten komen. Daartoe sprong de samenhang tusschen het zedelijk leven en de stoffelijke wereld hun te zeer in het oog. Er moest ten |60| deze gekozen worden. Er was persoonlijke wilsuiting of niet. Werd ze op zedelijk gebied toegegeven, dan kou de keten van den samenhang der stoffelijke dingen niet langer gesloten blijven. Was derhalve het gesloten blijven van die keten hoofddoel van het streven der wetenschap, dan ging het niet aan, de persoonlijke wilsuiting van den mensch nog te handhaven, nadat men de persoonlijke wilsuiting van den levenden God had terzij gezet. Tot dat laatste besloot men. Vandaar het Determinisme.

In het eerst liet zich dit nog zeer „geestelijk” aanzien. Een man als Scholten zijn vaak woorden uit het hart gevloeid, die een blijvende plaats in het gedenkboek der vroomheid bezitten. Maar die schijn baatte niet. In beginsel was dit stelsel niets dan een verkapt materialisme, dat op Godloochening moest uitloopen, zoodra een jonger geslacht ten tooneele trad, dat in de ontkerstende en van Jezus’ Kerk vervreemde huisgezinnen de beademing van den Christelijken geest niet meer genoten had. Reeds nu komt men daaraan toe. De moeder schrikt beangst terug voor het kindeke dat ze gebaard heeft. Het oproepen van den onwaren geest viel licht; om hem thans te bezweren mist men de kracht. Het prijsgeven van den persoonlijken God, vooral in de loochening van het Scheppingswonder uitkomend, moest wel tot die onderstbovenkeering der heerschende begrippen leiden. Verlating van het voorvaderlijk geloof zou het opkomend geslacht weêr vroom maken, dorst men profeteeren. Scholten zelf beleeft het thans nog, op wat diepbedroevende wijs die hoogdravende profetie werd beschaamd.

Volg deze eenvoudige redeneering, en die uitkomst kan u niet bevreemden. |61|

Er is een stoffelijke en een geestelijke wereld. De ééne werkt gedurig op de andere, Neemt ge nu aan, dat de wetten der éóne van die der andere verschillen, dan staat de mogelijkheid van botsing en dus ook van herstel der harmonie open, en is het wonder niet langer ondenkbaar, maar, op zijn zachtst genomen, waarschijnlijk. En geeft ge, gelijk Scholten ten slotte deed, om dit bezwaar te ontwijken, toe, dat beide werelden onder één wet staan, dan heft ge feitelijk het verschil tusschen de stoffelijke en zedelijke wereld op, vereenzelvigt ze, en eindigt òf met alles uit de natuur òf alles uit ’s menschen geest te verklaren. Tot beide kwam het ten onzent reeds. Aan den éénen kant gaat het geroep op: „Denken een uitzweeting der hersens!” „Liefde en bewondering effect van electrische zenuwstrooming!” d.i. alles natuur! en uit den anderen hoek niet minder eenzijdig: „Het zichtbare bestaat eigenlijk niet!” „Het is er niet, tenzij het door ons worde gedacht!” „Alles is geest!”

Dat het inspanning des geestes kost, tot dit geraamte, dat achter het leven verborgen ligt, door te dringen, ontkennen we niet. Slechts zij gevraagd, of men den heelmeester vertrouwen zou, die met de wervels en scharnieren van het menschelijk skelet of de wonderlijke dooreenvlechting der zenuwdraden onbekend was, en of dan de wonde, waaraan ons geestelijk leven lijdt, het niet waard is, dat men zich de inspanning des geestes getrooste, die tot het doorzien van den aard en de werking en het dreigend gevaar dezer wonde vereischt wordt. Aan ouders, die wanen deze overweging van het Scheppingswonder aan geleerden te kunnen overlaten, zij herinnerd, dat we niets anders onder woorden |62| brachten, dan wat in de gedachten en gesprekken hunner zonen en dochteren telkens terugkeert; en niet minder aan hen, die op geleerd, maatschappelijk of opvoedkundig gebied tegen den Afval onzer dagen ijyeren, dat juist in de overweging, waarop we de aandacht vestigden, die wondbare plek tusschen gesp en pantsier ligt, waar de pijl van den Syriër treft.

Nog onlangs is het als uitnemendheid der wonderloochenende, d.i. moderne theologie, geroemd, dat ze de methode der natuurwetenschappen ook op de godgeleerdheid had toegepast, en toch juist daarin schuilt de kanker, waaraan ze sterven moet. We zijn in de eeuw der machine en dies heeft het den kinderen onzer eeuw goedgedacht die theorie der machine ook op den mensch, ja, ’t zij met eerbied gezegd, ook op het doen van den almachtigen God over te brengen, — wat in beginsel met vernietiging van het zedelijk en vernietiging van het godsdienstig leven gelijk stond.

’s Menschen wezen stoot die gedrochtelijke theorie omver. In zijn persoonlijkheid is een macht gegeven, die niet uit den natuursamenhang kan verklaard worden, en aan wetten gehoorzaamt, waarvan men met weegschaal en graadmeter niets ontdekt. Die macht bestaat niet in een wil, die als het rad, dat den grond niet raakt, om de spil van eigen goedvinden zich spelend wentelen zou. Zulk een vrije wil is een product der inbeelding, maar is aan ’s menschen wezen vreemd. Evenmin beschikken we over een vrijen wil die, naar luim of gril, heden tot de hoogste volmaaktheid zou kunnen opklimmen, om morgen ter helle neêr te varen. De zonde beneemt onzen wil daartoe de macht en hij herneemt die niet, tenzij Gods genade er ons toe overbuigt en bekwaamt. |63| Maar met dat al is in die persoonlijkheid een eigenaardig element geboden, dat, zonder uit de natuur voort te komen, die natuur bewerkt en beheerseht, een zedelijk en daarom vrij, d.w.z. van de natuur niet volstrekt afhankelijk element, dat wel terdege op sommige gewichtige keerpunten voor tweeledige ontwikkeling, ’tzij ten goede, ’tzij ten kwade, vatbaar is.

Reeds hieruit volgt, dat de menschenwereld elk oogenblik in eindelooze verwarring zou geraken, tenzij er een Alomtegenwoordige Mogendheid Gods was, die, over elks leven, en elks belang wakend, met een nimmer sluimerende zorg, aller levensdraad in handen hield en leidde naar zijn raad. Eerst hierdoor ontstaat het geloof aan de Voorzienigheid, de aanleiding tot het gebed, het geloof aan een Godsbestuur. Juist hierin ligt het verschil tusschen het afloopen van een uurwerk en den voortgang eener menschelijke geschiedenis.

Toch wane men niet, dat het wonder der Verlossing hierin zijn grond zou vinden. De Voorzienigheid Gods, voor zoover ze door het alomtegenwoordig Bestuur van ’s menschen lotgevallen den loop des levens leidt, herstelt niet een verstoord plan, maar voert een plan uit, waarin dit alles was opgenomen. De wetenschap der statistiek, gelijk ze door Dobritsch en Von Oettingen beoefend wordt, levert ter verklaring hiervan de schoonste bijdragen. Kennelijk is dusver bij de verklaring des zedelijken levens op de analogie van de differentiaalrekening te weinig gelet.

Maar wel hangt dit Voorzienig Bestuur met het wonder in zoover saâm, dat er telkens in ons leven een daad Gods plaats grijpt, die, al werd zij ook door krachten, in deze natuur gegeven, tot stand gebracht, |64| niettemin een schikking en leiding dier krachten verraadt, waarin ’s Heeren tusschenkomst onmiskenbaar is. Dit nu zou volstrekt onmogelijk zijn, tenzij God Almachtig vrij boven zijn Schepping staat, ze als zijn maaksel in al hare deelen doorschouwt, en over elke der krachten, die in haar werken, elk oogenblik macht en beschikking had. In dien zin hangen Voorzienigheid en Scheppingswonder wel terdege saâm. Het is in de hooge meerderheid, waarmede Gods Wezen boven zijn Schepping staat, dat beide haar grond en verklaring vinden.

Was nu in de Schepping dezer aarde het geheel van Gods gedachten uitgeput, dan zou er uiteraard van een tweede reeks Wonderen (die der verlossing) geen sprake kunnen zijn. Bestonden er geen krachten en wetten van een hoogere orde, dan die in dit zichtbare Heelal belichaamd werden, dan zou de openbaring van een kracht, die niet uit de natuur voortkwam, ongerijmd zijn. Wie in den waan leeft dat dit zoo is, kan volkomen terecht verklaren dat wonderen onmogelijk zijn.

Maar deelt men dien waan niet, gelooft men veeleer dat er buiten dit zichtbaar Heelal nu reeds nog een Heelal der hemelen bestaat, waarin een leven geleefd wordt, dat van het leven in deze zichtbare Schepping zeer verschillend is, — dan bestaat natuurlijk de mogelijkheid, dat een werking uit die hoogere orde zich in deze Schepping openbare, d.i. van het Wonder alleszins.

En belijdt men met de Schrift, dat zelfs in die hoogere orde de diepte van Gods wijsheid nog niet is uitgeput, maar dat beide, ’t zichtbare en onzichtbare Heelal, heendoelen op een nóg heerlijker orde, die in den |65| doorluchtigen dag als het Rijk der heerlijkheid zal uitbreken, dan vervalt niet alleen elk bezwaar, dat tegen het Wonder ware in te brengen, maar is het zelfs geëischt en onmisbaar. Immers, er kan dan geen voorbereiding van, noch overgang tot, die hoogste orde der dingen plaats grijpen, tenzij er zich een kracht, een werking, een mogendheid in deze Schepping openbare, die in de geschapen natuur, als zoodanig, niet bestond.

Onder dit oogpunt saâmgevat, blijkt derhalve, dat 1º. het Scheppingswonder bestaat in het naar Gods raad tot aanzijn roepen van twee scheppingen, in de Schrift „hemel en aarde” genoemd, beide wel op elkaâr aangelegd, maar niettemin in aard en wezen onderscheiden, en gehoorzamende aan verschillende wetten; de aarde van lagere, de hemel van hoogere natuur, en beide door het wezen van den mensch met elkaâr in aanraking. Als ook dat 2º. het Verlossingswonder evenzoo bestaat in het naar Gods raad tot aanzijn roepen van een nog hoogere Schepping, in de Schrift het „Rijk der heerlijkheid” genoemd; met dien verstande, dat deze laatste Schepping geen schepping uit niets, maar een herschepping van het bestaande is, door in haar een hoogere levenskracht te brengen, dan ze van nature bezat.

Is nu het wonder in aard en wezen niets anders dan juist de werking op aarde van een kracht, die uit de aarde niet te verklaren is en het hier bestaande wijzigt, dan ziet men, hoe de loochening van het wonder niets dan de loochening van een hoogere orde der dingen is: een hooghartige waan alsof deze Schepping de hoogste, en de mensch die zich haar kroon roemt, naar zijn aanleg onovertreffelijk is.

Zelfgenoegzaamheid, zedelijke verzwakking, toewijding |66| aan het leven dezer natuur, wegcijfering van een hoogere wereldorde, — niet gehoorzaamheid aan de gestrengheid der denkwetten, heeft tot het hoonend en laatdunkend neêrzien op ’s Heeren machtsbetoon in het Wonder verlokt. |67|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004