VI. Een scheppen al door, geen deïsme


Mijn Vader werkt tot nu toe.

Joh. 5 : 17. a


In den breede het Scheppingsverhaal van Genesis te bespreken, ligt buiten ons bestek. Toch dient er iets van gezegd. Velen wanen, dat dit verhaal door de uitkomsten der latere wetenschap in zijn nietigheid is ten toon gesteld. Men wil er de verdienste niet aan ontzeggen van vromen zin en dichterlijke schoonheid, maar waarheid bevatten kan het niet. Sinds de geschiedboeken der Chineezen, Indiërs en Enyptenaren ontrold en ontcijferd zijn; sinds men de korst der aarde nauwkeurig onderzocht en rekening hield met de versteende voorwerpen, die tusschen haar verschillende lagen verborgen liggen; sinds men den tijd berekende, die menige aanslibbing behoefde, om vast land te worden, — acht men op stelligen toon te kunnen verzekeren, dat met het Scheppingsepos van Genesis onherroepelijk is afgedaan. En tegen de volgorde der soorten, èn tegen de plaats die de aarde inneemt, èn tegen den ouderdom van het menschelijk geslacht meent men |48| zulke overtuigende bedenkingen te kunnen inbrengen , dat blijkbaar aan het eerste hoofdstuk geen hoogere rang zou zijn toe te kennen, dan onder de kinderlijke pogingen, waaraan tal van volken zich waagden, om den oorsprong der dingen te verklaren.

Velen, ook onder de belijdende Christenheid, door de driestheid dezer taal meêgesleept, gaan wel niet zóó ver, maar geven toch de hoofdzaak toe. Genesis 1, zoo verklaren ook zij, is geen historie; wel behoudt het daarom waarde in hun oog, maar slechts als heilige dichting der vroomheid, om den hoogen God de Scheppingseere van al wat leeft en adem heeft toe te kennen. Ze verzetten zich daarbij nadrukkelijk tegen de poging, om deze scheppingspoësie met de heidensche scheppingsverhalen op één lijn te plaatsen. Immers, tusschen beide bestaat het sterk sprekend verschil, dat in de verhalen der heidensche volkeren de godsdienstige en zedelijke waarheden geheel vervalscht zijn, terwijl we in Genesis I juist de zuiverste voorstelling van de betrekking van God tot de Schepping, met name tot den mensch, vinden, die door het Christendom in zijn hoogste ontwikkeling wordt geëischt.

Hoe goed dit bedoeld moge zijn, toch leidt het ons op een dwaalspoor.

Het Scheppingsverhaal staat aan den ingang der Heilige Schrift, niet om ons een gelukkige gissing van den menschelijken geest, maar om ons van Godswege een vast uitgangspunt voor ons denken, voor ons geloof en voor ons zedelijk bewustzijn te geven. Een Heilige Schrift die, hoe vroom dan ook bedoeld, met een verzinsel begon, kan zielkundig geen onderwerping wekken aan haar gezag. Alleen de Schepper zelf weet hoe |49| de Schepping tot stand kwam, de mensch kan te dezen opzichte slechts gissen. Ontkent men nu het bestaan eener bijzondere openbaring, dan kan men natuurlijk ook niet gelooven, dat de Heere ons geopenbaard heeft wat bij de Schepping is geschied. Slechts blijve men dan niet halverwege staan, maar aanvaarde de gevolgtrekkingen. Dan valt met de waarheid van het Scheppingsverhaal ook het gezag der Heilige Schrift weg en blijven ons, zelfs in het Nieuwe Verbond, omtrent den oorsprong der aardsche en den aard der hemelsche dingen niets dan vermoedens en dichtingen; dan wordt de grondslag zelf, waarop onze levensbeschouwing rust, vlottend, dan boeten we elke vastheid en zekerheid in en blijft de twijfel het ons toebeschoren noodlot.

Aan de rechten der wetenschap doen we daarmeê in het minst niet te kort. Slechts houde men in het oog, dat de wetenschap over de meeste vraagstukken, waarvan Genesis handelt, noch nu noch ooit een oordeel zal kunnen uitspreken; dat de meeste beoefenaren dezer wetenschappen, vooral in deze eeuw, een onmiskenbaten lust verrieden, om het gezag van den positieven godsdienst te ondermijnen; dat de enkele Christenen, die een Europeeschen naam in deze wetenschappen verwierven, zich tot aan hun sterven toe met kinderlijken eerbied voor het gezag der Heilige Schrift bleven buigen; en dat over de hoofdvragen onder de ongeloovige geleerden zelven nog zulk een principieele strijd bestaat, en hun meeningen nog zoo telkens wisselen, dat er reeds uit dit oogpunt van resultaten der wetenschap nog geen sprake kan zijn.

Vooral aan wat ons uit de dusgenaamd heilige ge schiedboeken en opschriften der Chineezen en Egyptenaren |50| verhaald wordt, hechte men niet te vroeg waarde. Uiteraard zijn het slechts zeer enkele mannen die zich met het onderzoek dezer stukken bezig houden. Vergelijkt men nu het veelomvattend, door duizenden gecontroleerd onderzoek, dat eeuwen lang aan de boeken der Heilige Schrift is gewijd, met het beperkte, slechts aan enkelen toevertrouwde, dat sinds zeer korten tijd aan de oudere gedenkteekenen dezer volken wordt besteed, en houdt men dan in het oog, tot hoe weinig vastheid nu nog de beschouwing over de Bijbelboeken, over hun auteurs, over den tijd hunner vervaardiging en de uitlegging hunner woorden is gekomen, — dan behoeft men waarlijk niet achterdochtig van aard te zijn, om de kennis, die men zegt uit de nieuwe studiën geput te hebben, als nog zeer oppervlakkig en alle gezag missend te wantrouwen.

Wat in de korst der aarde ligt en bij de volkeren dezer wereld geschied is, kan natuurlijk niet liegen en is onomstootelijke waarheid. Maar zoo ergens, dan geldt bij Geologie en Egyptologie aan onze geleerden de vraag: Verstaat ge ook wat ge leest? Leest ge goed? Staat er wat ge meent te lezen, of leest ge tusschen de regels in? Om slechts één voorbeeld te noemen. Men vond aangeslibt land, van een ontzaglijke uitgebreidheid; rekende uit hoeveel jaren thans voor het aanslibben van een El breedte noodig zijn, en trok daaruit het gevolg: dat dus voor deze uitgebreide aanslibbing zóó en zóó veel tienduizenden van jaren noodig waren geweest. Nu is het bewezen, niet waar, dat de aarde honderd duizend jaren heeft bestaan? Maar meet nu op uw beurt de Strepen in lengte die een jonkman van twintigjarigen leeftijd in twaalf maanden tijds groeide; meet daarna |51| hoe lang hij is; stel, hij was dat jaar tien Strepen gegroeid en nu 1700 Strepen lang; verklaar dan dat dús sedert zijn ontvangenis honderd zeventig jaren moeten verloopen zijn; en ge zult een even wiskunstige berekening van zijn ouderdom hebben, als deze berekenaren der aanslibbing van den ouderdom der aarde! Alsof men ooit uit de maat van thans tot de maat van den aanvang der dingen kon besluiten!

Onzerzijds blijven we daarom het Scheppingsverhaal beschouwen, gelijk de Schrift zelf, gelijk alle profeten en apostelen, gelijk ook Jezus het beschouwd heeft, als een openbaring van Gods wege den mensch over den oorsprong der dingen gegeven, tot vast uitgangspunt voor zijn denken, zijn geloof en zedelijk bewustzijn; waarbij het verband der dingen natuurlijk niet naar heur stoffelijke, maar naar heur geestelijke beteekenis is aangeduid. Voorts zij aan de uitlegging haar recht, aan het onderzoek naar de beteekenis van de woorden in het Scheppingsverhaal zijn waarde gelaten, mits men slechts aflate van het kunstig spel, om ten koste van het historisch karakter dezer openbaring, concessiën aan de nog ongerijpte vrachten der wetenschap te doen. Concessiën van dien bedenkelijken aard, hoe ook met den schoonen naam van moderne orthodoxie getooid, mogen de uitwerking hebben, dat thans een enkele zich met de Schrift verzoend blijft wanen, zonder het in zijn hart te zijn: ze zullen met onverbiddelijke noodwendigheid al meer geheel het opkomend geslacht van de Schrift vervreemden. Vergeet niet: om gezag te oefenen moet de Schrift ontzag inboezemen, en een Schrift die in haar grondslag (en dat is het Scheppingsverhaal) reeds waggelen zou, kan dien eerbied niet wekken. |52|

Voor ons doel wijzen we thans slechts op het algemeen karakter, waarin het eerste hoofddeel der Schrift ons het bestaande Heelal voorstelt, t.w. als door een macht buiten zich bewerkt en voortdurend aan die inwerking behoefte hebbend, zal het zich in de richting naar zijn bestemming ontwikkelen.

Nadat deze aarde ontstaan was, kon ze niet worden wat ze thans is, dan door de gestadige bewerking, die God haar ondergaan liet.

Twee door en door valsche denkbeelden worden hierdoor afgesneden: 1o. alsof God, na de wereld geschapen te hebben, ze nu, een opgewonden uurwerk gelijk, voorts aan zichzelve zou hebben overgelaten (Deïsme); en 2o. alsof God van den aanvang af in deze wereld geheel het samenstel van wetten en krachten zou gelegd hebben, dat voor haar ontwikkeling noodig was, zoodat een werking zijnerzijds of van de zij des menschen , anders dan door die wetten en krachten, ongerijmd en ondenkbaar ware (Determinisme).

De eerste dwaling had den boventoon in het begin dezer eeuw; onder de heerschappij der laatste gaan we thans gebukt en verloren daardoor den smaak, om de heerlijkheid van het wonder te genieten.

Het Deïsme kantte zich minder tegen het wonder, dan tegen het Godsbestuur. De hooge God, zoo leerde men, was te majestueus om zich met de lotgevallen dezer wereld in te laten. Wel was Hij de Schepper des Heelals, de oorsprong aller dingen, maar in de ure der schepping had Hij zijn werk voleind. De wereld was uit zijn hand voortgekomen, toegerust met alle krachten en gaven, die ze voor haar voortbestaan en onderhouding noodig had. Er bleef dus voor den hoogen |53| God niets te doen over. Het scheppingswerk was afgeleverd en ging nu voortaan buiten de bemoeiingen des Allerhoogsten om. Gelijk het uurwerk, eens opgewonden, loopt zonder verdere tusschenkomst van den uurwerkmaker, zóó ook de wereld, zonder verdere inwerking Gods.

Aan het ontstaan dezer dwaling had de Kerk zelve schuld. Immers, ze was voorbereid door de minjuiste onderscheiding tusschen de Schepping en Onderhouding aller dingen.

De groote Kerkvaders hadden evenals de Hervormers, steeds gewaarschuwd, dat men deze onderscheiding toch niet te ver zou trekken, en ze hoogstens als een gebrekkig hulpmiddel voor ons denken laten staan, mits onder het stellig beding, dat men deze uiterst onnauwkeurige zegswijze niet op het doen en werken Gods zou overbrengen.

Ze waarschuwden hiertegen evenzeer op grond der Schrift, als krachtens de inspraak van het godsdienstig besef, dat met deze scherpe afscheiding tusschen „schepping” en „onderhouding” geen vrede kan hebben.

Te „scheppen” is, naar luid der Schrift, ’s Heeren altoosdurende bezigheid. Niet slechts zijn eerste daad was scheppen, maar Hij schept altijd door.

In de geboorte van elken mensch spreekt zich een scheppingsdaad Gods uit. Daarom spreekt Psalm 102 „van de volken die geschapen zullen worden;” heet het in Jesaja 43 : 7 „Een ieder die naar mijnen naam genoemd is en dien Ik geschapen heb tot mijn eer;” bij Ezechiël, van den koning van, Tyrus: „Ten dage als gij geschapen werdt;” in Maleachi 2 : 40: „Heeft niet één God ons geschapen?” en bij Jeremia: „Eer ik u in uws moeders buik formeerde, heb ik u gekend;” een uitdrukking die met scheppen geheel eensluidend is, |54| gelijk blijkt uit Gen. 2 : 8: „Want de Heere God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde.”

Van het ontstaan der enkele dieren geldt hetzelfde. Immers van de jonge leeuwen en den leviathan zingt de Psalmist in het 104e lied: „Zendt Gij uwen Geest uit, zoo worden ze geschapen,” en in het gezicht van Amos heet het: „En Hij formeerde sprinkhanen.”

En hoe evenzeer van de gebeurtenissen der wereld, het ontstaan der menschelijke karakters en bedrijven hetzelfde woord „scheppen” in de Schrift gebezigd wordt, blijkt overtuigend uit de herinnering aan deze overbekende plaatsen: „Zie, Ik heb den smid geschapen, die de kolen in het vuur aanblaast, Ik heb ook den verderver geschapen, om te vernielen!” „De Heere, die den hemel uitbreidt en de aarde grondvest en des menschen geest in zijn binnenste formeert.” „De Heere zal scheppen een wolk des daags en een vuurkolom des nachts.” „Ik formeer het licht en schep de duisternis.” „Ik schep Jeruzalem een verheuging.” „De Heere heeft wat nieuws geschapen op de aarde.” „In de plaats waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal ik u richten.” „Ziet, Ik formeer een kwaad tegen ulieden.” Waarbij nog opgemerkt zij, dat met name ook de werkingen der genade, zoo onder het Oud als Nieuw Verbond, voor een scheppingsdaad Gods gelden: „Hij heeft Jacob als een volk des heils geschapen en Israël geformeerd”; „Hij formeert aller hart;” de psalmist bidt „Schep mij een rein hart;” „We zijn, zegt de Apostel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken;” „Ik schep, spreekt Jehova, de vrucht der lippen;” de vernieuwing des heelals wordt genoemd „het scheppen van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde;” en zoo weinig mag |55| bij dit alles aan overdrachtelijken zegstrant, als terugwijzing naar de oorspronkelijke Schepping, gedacht worden, dat de Heer nadrukkelijk in Jesaia 48 : 7 verklaart: „Nu zijn ze geschapen en niet van toen af en voor dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord.”

Mijn Vader werkt tot nu toe!” is het kernachtig woord, waarmeê Jezus deze grondwaarheid der Schrift in het bewustzijn zijner volgelingen heeft teruggeroepen.

Wat is en leeft ontstond niet slechts uit, maar bestaat evenzeer door God. Beide het ontstaan en het doen voortbestaan zijn éénzelfde daad des levenden Gods.

Hij doet een schepsel niet ontstaan voor zeker aantal jaren, maar alleen voor het oogenblik, waarin zijn wil werkt. Hield die wil het volgend oogenblik op te werken, dan zou het pas ontstane schepsel ijlings tot het niet terugkeeren. Zooveel oogenblikken als er dus in het leven van een schepsel zijn, zooveel malen en zoolang werkt de wil Gods om het zijn bestaan te geven. Niet alsof slechts in het eenmaal geschapene het leven moet onderhouden worden, maar zóó, dat ook dat geschapene zelf alle oogenblikken alleen bestaat door de werking van zijn wil. Gelijk een schaduwbeeld op den wand van oogenblik tot oogenblik geformeerd wordt door het voorwerp, dat voor het licht staat, zoo ook wordt het bestaan en aanzijn van elk schepsel van oogenblik tot oogenblik geformeerd door de wilskracht des levenden Gods.

Tusschen het scheppen in den aanvang en herscheppen dat sedert die ure steeds doorging, bestaat slechts dit verschil: dat 1º. toen het scheppen begon, en nu slechts wordt voortgezet; 2º. dat toen het scheppen niets had waaraan het zich aansloot, en dat het nu een scheppen is in verband met het voorafgegane; en 3º. |56| dat toen eerst van lieverleê de alheid der dingen geschapen werd, terwijl nu de schepping zich op alle gelijkelijk en gelijktijdig richt.

Van dat laatste versta men de Sabbatsruste Gods. Eerst toen al wat tot het samenstel dezer dingen bij den aanvang van hun weg behoorde, achtereenvolgens geschapen was, ontstond de ruste der harmonie, en het werken Gods zou nu voortaan bestaan, niet in het aanvullen van het gebrekkige, maar in het voortdurend scheppen naar de maat van wat bestond.

Eerst in deze belijdenis vindt het godsdienstig besef rust. Ook maar het ondenkbare deeltje van een oogenblik te denken, waarin ons bestaan en aanzijn niet onmiddellijk werking van Gods kracht zou zijn, is met het levend en bezield geloof in onverzoenlijken strijd. Wel is het bij onze eerste schreden op den weg der godsvrucht, alsof we de hand des Heeren slechts nu en dan, in het buitengewone en bijzondere, bespeuren; maar die eerst zoo schaarsche oogenblikken worden voor het vroom besef altijd meerder; geen oogenblik van krachtig geloofsleven is voor den vrome denkbaar, waarin die onmiddellijke, alomvattende werking van zijn God niet den achtergrond van zijn bewustzijn vormde, en wijl hij de oogenblikken, waarin hij in die altoosdurende werkzaamheid Gods leeft, altijd meerder; de oogenblikken, dat de draad zijns levens zich vanzelf scheen voort te spinnen, al minder ziet worden, — besluit hij, dat het eerste waarheid, het laatste dwaling moet zijn, en de nooit rustende scheppingsmajesteit van den Koning der koningen, sloot zich ons oog maar nooit, ons altijd zou tegenblinken. |57|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004