V. Het Darwinisme


Hij spreekt, en het is er. Hij gebiedt, en het staat er.

Psalm 33 : 9. a


De Schepping is een daad van zóó alles overtreffend gewicht, dat ze heel ons leven en onzen godsdienst, heel ons geloof en onze wereldbeschouwing beheerscht. Door de Schepping is alles wat bestaat, wat leeft of ademt, alle oogenblikken van zijn aanzijn in volstrekten zin van God afhankelijk. Krachtens de Schepping heeft God almachtig een slechts door zijn eigen Wezen begrensd recht over al wat Hij tot aanzijn riep: het recht van souvereiniteit, het recht van eigendom, het recht van leven en van dood; en kan er omgekeerd van eenig recht van het schepsel tegenover God, onder wat vorm of naam ook, geen sprake zijn. Door de Schepping staat het vast, dat het schepsel geen ander doel voor zijn aanzijn heeft dan Gods eere; dat hij alleen om Gods wil het aanzijn ontving, en hetzij in zijn eeuwigen geluksstaat, hetzij in zijn geestelijken dood, den Schepper moet verheerlijken. Hoe zou het leem tot den |39| pottenbakker kunnen zeggen: Waarom hebt gij mij gemaakt?

Tot op zekere hoogte is de wijze, waarop God almachtig het heelal tot aanzijn riep, hiervoor onverschillig.

Gelijk onzen lezers, in andere kringen opgevoed, misschien minder bekend is, wint bij het opkomend geslacht al meer de voorstelling veld, dat de verschillende soorten van schepselen, door geleidelijken overgang en gestadige opklimming, de ééne uit de andere zouden zijn voortgekomen. Men neemt daarbij aan, dat er oorspronkelijk niets bestond dan zekere ondeelbaar en onweegbaar kleine bestanddeeltjes, die zich naar een vaste wet bewogen. Uit deze bestanddeeltjes zou dan, door noodzakelijke vervorming en verbinding, alle lucht, vocht en vaste stof ontstaan zijn. Zóó echter dat in deze vaste stof tegelijk de kiempjes reeds aanwezig waren voor de laagste; plantsoorten, waaruit dan van lieverleê de hoogere en hoogste bloemsoorten vanzelf zouden ontstaan zijn. Ook tusschen de hoogere planten en de laagste diersoorten zou geen sprong, maar slechts geleidelijke overgang aanwijsbaar zijn; de hooger bewerktuigde dieren, de leeuw b.v., slechts verfijnde afstammelingen van de kwabben en weekdieren zijn; en eindelijk in den mensch, in steê van een op zichzelf staand schepsel, niets dan de gelukkige ontwikkeling van oerangoetan en chimpansee te begroeten zijn.

Toch schuilt in deze voorstelling op zichzelve het kwaad nog niet. Dat kwaad wordt eerst openbaar indien men, tot de laatste sport van die ladder naar beneden geklommen, vraagt: hoe dan nu die oorspronkelijke stof ontstaan is en vanwaar ze de wonderbare levenskiem ontving, waaruit achtereenvolgens dit schepselenheir te voorschijn kwam. Dan toch antwoordt u de |40| man, die dit stelsel aanhangt: dat ze er altoos was en niets ontving, maar uit zichzelve die levenskiem voortbracht! Men wil nog wel toegeven, dat er óók een onzichtbaar rijk des geestes bestaat, zelfs wel, dat in dat rijk een Centraal-Geest, dien men met onzen God vereenzelvigt, alle geesten tot zich trekt, mits, en van die voorwaarde zegt men niet af te kunnen gaan, mits men niet zegge, dat de stof aan dien Geest haar aanzijn dankt. Hiermeê nu is allen waarachtigen godsdienst de wortel afgesneden. Evenals een bloemstengel, die van de plant afgescheurd, wel nog een tijdlang in de met water gevulde vaas bloeien kan, maar toch na korte dagen verlept en sterft, — kan ook zulk een ijle vroomheid nog wel een tijdlang tieren en geuren, maar is niettemin tot spoedig verdorren en wegkwijnen veroordeeld. Immers, de Schepping wordt dan in haar oorsprong van God onafhankelijk, en met haar de mensch, die als hoogste ontwikkelingsproduct uit haar heet voortgekomen. Hierdoor vervalt elk souvereiniteitsrecht, dat van Godswege over ons bestaan zou; wordt het volkomen natuurlijk, dat men het levensdoel meer in eigen ontwikkeling dan in verheerlijking van Gods naam zoekt; en gaat het verband tusschen ons geestelijk leven en ons uitwendig bestaan al meer te loor.

Men kan daarom tegen die schoone theorie van „de ladder der Schepping” niet wantrouwend genoeg zijn. Ze verblindt door haar grootsche opvatting; ze maakt indruk doordien ze een deel waarheid in zich draagt; maar ze is feitelijk slechts het scherm, dat dienst doet, om u de loochening van de Schepping als zoodanig en daarmeê van den Schepper te verbergen. |41|

Het deel waarheid, dat ze in zich draagt, is lich aan te wijzen.

Als het b.v. aan de Schepping van den mensch toe komt, zegt de Schrift ons niet, dat God de Heere door zijn machtwoörd plotseling een voltooid menschelijk wezen op deze aarde zette, maar dat Hij nam „van het stof der aarde en in zijn neusgaten blies den adem des levens.” Zoo wijst de Schrift er ons dus zelve op, dat, om den mensch te scheppen, gebruikt is wat van te voren reeds geschapen was; een waarheid die men door de betrekkelijke overeenkomst van ons lichaam met het dierenen plantenrijk bevestigd vindt. Evenzoo meldt ons de Schrift van de zoogdieren en kruipende insecten, het vee, het kruipend en wild gedierte, dat ze door de aarde zijn voortgebracht. Op gelijke manier van „de groote walvisschen en alle levende wremelende ziel” dat ze overvloediglijk door de wateren zijn voortgebracht. Eindelijk, dat de aarde voortbracht alle kruid en boomgewas. Geen twijfel dus, of er bestaat werkelijk tusschen de verschillende soorten van schepselen een zeer sterk verband. Het zijn niet verschillende brokstukken, die, elk uit een verschilllende groeve uitgehouwen, zonder innerlijk verband los op elkaâr worden gezet, maar altijd nieuwe scheppingen, die uit het reeds bestaande worden voortgebracht.

Waar is óók in dit stelsel, dat er in de Schepping een geleidelijke orde heerscht, die van het lagere tot het hooger bewerktuigde overgaat. Op de kale, naakte aarde plaatst God niet eerst den mensch, om hem daarna het boomgewas en de dierenwereld ten geschenke te geven; maar de plantenwereld ontstaat eerst; daarna wordt het dierenrijk tot aanzijn geroepen; en eerst als |42| deze lagere Scheppingen voleind zijn, treedt de mensch op. Verder gaat het niet. Dan is het uit. De mensch is het hoogste. Op het dwaalspoor daarentegen raakt dit stelsel, door het te doen voorkomen, alsof de overgang van het lagere tot het hoogere niets dan ontwikkeling zou zijn. het dier een verfijnde plant, de mensch een verfijnd dier. Wil men volhouden dat de levenskiem van al het thans bestaande reeds bij den oorsprong der Schepping in de natuur gelegd was; dan onzerzijds geen bezwaar; immers dan is dit slechts een zwakke vertolking van wat de Schrift ons omtrent den eewigen Raad des Heeren leert. Maar dat bedoelen de apostelen van dit stelsel niet. Ze beweren niet, dat de verschillende levenskiemen voor al de soorten van schepselen reeds bij den aanvang in den schoot der natuur door God verborgen zijn, om, bezwangerd door zijn scheppingswoord, straks aan het licht te treden; maar ze beweren, dat al die soorten saám uit één levenskiem zijn voortgekomen, slechts gewijzigde vormen van eenzelfde wezen zijn, en dat er in den grond tusschen een steen, een spons, een kwab, een aap en een kind Gods geen ander verschil bestaat, dan tusschen een zaadkorrel, de kiem, den stengel, den knop en de ontloken bloem. Kortom, ze heffen elk verschil tusschen soort en soort op. Dat onderscheid, zeggen ze, bestaat slechts in onze verbeelding, en dies kan er wel van proces, van ontwikkeling en voortgaande veredeling sprake zijn, maar van een schepping der soorten nooit. Dit is nu een caricatuur maken van het werk Gods, met de klaarste werkelijkheid in lijnrechten strijd; op degelijk wetenschappelijke gronden sinds lang weêrsproken; voor elk kenner van den eigen aard des geestelijken levens volstrekt |43| onaannemelijk; een theorie die alle redelijkheid den bodem inslaat; voor geen godsdienst langer plaats laat; in het grofste materialisme eindigen moet en niets anders is dan de kunstige uitwerking van dat valsche en onzinnige godsdienststelsel, dat men „algodendom” (Panthëisme) pleegt te noemen, dat èn in de oudheid èn in de Middeleeuwen èn ook nu weêr geboren werd uit miskenning van de heiligheid Gods, of wilt ge van het karakter der zonde.

Hiertegenover nu handhaaft de Christelijke Kerk haar belijdenis, dat het ontstaan van nieuwe soorten van schepselen slechts mogelijk was door een nieuwe scheppingsdaad Gods. Dat er in elk dier soorten een oneindige verscheidenheid van schakeering bestaat, weet ze zeer wel, maar ziet daarom niet voorbij dat het onderscheid b.v. tusschen blauwe en witte druiven in de verste verte niet op één lijn mag worden gesteld met het diepgaande wezensverschil tusschen een mensch en een nijlpaard. Met het ontstaan dier schakeeringen laat ze zich niet in. De bloemist en bloemkweeker kan nog heden het feitelijk bewijs leveren, hoe allengs de eene plant in een aanverwante kan verfijnd en veredeld worden. Dat raakt de almacht Gods, dat deert het godsdienstig geloof niet. Maar dat de soorten afzonderlijke scheppingen zijn handhaaft ze wel terdeeg. Eensdeels, omdat ze niet mag dulden, dat men den onuitputtelijken rijkdom, waarin het leven van Gods Schepping en de glorie zijner wonderdaân uitstraalt, door herleiding van al het zichtbare tot kracht en stof in een doodsch eenerlei doe ondergaan. En anderzijds, wijl met de afleiding van den mensch uit het dier, het zedelijk leven zijn eigen karakter verliest en alle godsdienstig geloof in zekere instinctieve inbeelding ondergaat. |44|

Ze beperkt daarom het vrije onderzoek der wetenschap niet. Wat zou ze er op tegen hebben, dat men al het bestaande ontleedde, de analogieën zoo nauwkeurig doenlijk waarnam, en dus doende aanwees, dat één zelfde grondgedachte zich in alle rijken der Schepping afspiegelt en uitspreekt? Slechts zij dat onderzoek echt wetenschappelijk, van vijandschap tegen het geloof vrij gehouden en zich bepalend tot zijn gebied. Dan toch zal de natuurkundige belijden moeten, dat vleesch en bloed, dat cel en spier hem niets te zeggen hebben van het zedelijk leven. Dan zal de onderzoeker van ’s menschen geestelijke natuur belijden, dat hij in den mensch niets van Gods Wezen ontdekt. En zal de wijsgeer, die de uitkomsten van natuurkunde en zielkunde zoekt te verbinden, ootmoedig belijden, dat zijn denken zelf hem verbiedt, zich eenige uitspraak, welke ook, over den oorsprong der dingen of der soorten te veroorloven.

Verder dan tot het: wij weten niets, kan men op dien weg nooit komen, en elke poging om tegenover de Schriftleer in plaats van een ongeloovige ontkenning een positief stelsel te plaatsen, is slechts een uitvloeisel, eenerzijds van zeer onwetenschappelijke hoovaardij en anderzijds van de onmogelijkheid om het geloof uit te roeien, tenzij men, hoe dan ook, de behoefte van onzen geest bevredige, om een voorstelling aangaande den oorsprong der dingen te bereiken.

Er is geen uitweg. Onze geest moet te dezen opzichte òf honger lijden òf de spijze nemen, die de Schrift ons biedt. Al wat daarbuiten gaat is inbeelding.

Dat niettemin deze inbeelding het meerendeel onzer tijdgenooten meêsleept, bevreemde niet. We kunnen nu eenmaal niet buiten één alles beheerschende gedachte, |45| één grondwaarheid, waaruit zich het geheel van ons leven verklaren laat. Die grondwaarheid bezit de Gemeente des Heeren in den levenden Christus, en zoolang dan ook die Christus de weg, de waarheid en het leven was voor onze Europeesche maatschappij, bestond er harmonie in ons huiselijk en maatschappelijk leven. Maar toen sinds het midden der 18de eeuw onze Europeesche wereld haar grooten afval van den levenden Christus begon, onstond er een leegte, een leemte, en miste ze die alles beheerschende waarheid, waaruit, als uit één rijk en heerlijk beginseI, heel het leven werd verklaard. Dat kon niet. Vandaar dat de wijsbegeerte toen een poging heeft gewaagd om deze leemte aan te vullen en achtereenvolgens een reeks van gronddenkbeelden aangaf, waaruit heel ons leven zijn licht zou ontvangen. Hoe mislukt dat pogen was, bleek reeds uit de koorstachtige gejaagdheid en wispelturigheid, waarmeê men elke tien jaren schier een nieuw stelsel ter markte bracht en aanprees. Aan den Christus had onze maatschappij 17 eeuwen genoeg gehad. De wijsgeerige stelsels overleefden hem geen halve eeuw. Thans werkt Hegels geest nog het krachtigst na, hoewel hij in het binnenste heiligdom der wijsbegeerte reeds lang onttroond is. Uit zijn stelsel nu volgde met logische noodzakelijkheid een loochening der eigenlijke Schepping, en als door een onweerstaanbare macht worden daarom de halve denkers gedwongen tot die loochening te komen. Lang duren zal zijn heerschappij over de Europeesche volkeren niet. Hij zal even spoedig door een nog onheiliger geest verdrongen worden, als hij zijn voorganger in het wijsgeerig koninkrijk verdrong. Er is in dat kruiend oeverzand geen ruste. Golfslag na |46| golfslag breekt op het strand, en de moêgestreden geest eindigt met zich in de armen te werpen òf van het gruwelijkst materialisme òf van de Kerk die het gezag predikt en in ’s pausen onfeilbaarheid haar afsluiting heeft bereikt.

Op grond der Schrift blijft daarom de Christelijke Kerk haar belijdenis handhaven: 1º. dat alle schepsel in den tijd ontstaan is; 2º. dat de schepselen hun oorsprong aan een scheppingsdaad Gods danken; 3º. dat de afzonderlijke soorten als zoodanig door een opzettelijke scheppingsdaad Gods onstaan zijn; 4º. dat bij deze schepping der soorten de lagere soorten gebruikt zijn om er de hoogere uit te scheppen; 5º. dat het voor Gods almacht onverschillig is, of men leert, dat de kiem voor alle soorten in den aanvang geschapen en achtereenvolgens door een daad Gods ten leven is gebracht, dan wel dat God de Heer, na elke voorafgaande soort voleind te hebben, de levenskiem van de volgende hoogere soort eerst door zijn machtwoord tot aanzijn riep; en 6º. dat de schepping van den mensch in nog veel strenger zin dan de schepping der lagere wezenssoorten een afzonderlijke daad Gods was, waardoor een geheel nieuw leven, waarvan in stof noch plant noch dier ook maar het minste aanwezig was, in den samenhang dezer aarde werd ingebracht.

Juist die schepping der soorten vormt den overgang tot de wonderen der Verlossing. Immers reeds zij waren wonderen Gods in het reeds bestaande. Het optreden van een goddelijke macht in het reeds geschapene, om in vereeniging met de krachten die in de natuur reeds werkten, tot stand te brengen wat uit die krachten zelven nooit voortvloeien kon. |47|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004