IV. Parel en schelp


De trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der Schepping Gods.

Openb. 3 : 14. a


Onze aarde is door God tot middelpunt van de gansche Schepping gesteld. Zon, maan en starren bestaan om haar. De aarde is denkbaar zonder het firmament; het firmament zonder onze aarde zou geen reden van aanzijn hebben. De plaats, die de aarde in het heelal bekleedt, is niet slechts eenig, maar kon door niets anders worden ingenomen.

Met opzet spreken we dit zoo kras en sterkmogelijk uit; ten eerste, omdat de beschaafde wereld gewoon is deze voorstelling te belachelijk te keuren, dan dat men er nog van spreken zou; en ten tweede, omdat de belijdende gemeente, niet zelden met haar leeraars voorop, door dit gelach der wereld verschrikt, zich den moed voelt ontzinken, om die overgeleverde voorstelling te handhaven.

Dit is verkeerd gezien.

Ook wij laten het onderzoek der wetenschap ganschelijk |31| vrij. Het komt niet in ons op, iets af te dingen op de ontdekkingen der sterrenkunde; de wetenschap, die de aardkorst onderzoekt en, de overblijfselen raadpleegt, die in haar lagen schuilen, wekt onze warme belangstelling. Elk feit, dat men weêr te weten komt, is vermeerdering van den schat onzer kennis; dat de onderzoekers van wat in de aarde en boven de aarde is zich soms hypothesen en stellingen veroorloven, waartoe ze geen recht hebben, vermindert onze vreugde over hun wezenlijke ontdekkingen niet, en wij althans hebben ons nooit de mogelijkheid kunnen denken, dat een feitelijke openbaring in de tastbare en zichtbare dingen der Schepping ooit met argwaan en tegenzin door den belijder der Schriften zou worden begroet.

We hebben er dus niets op tegen, dat men op grond van sterrenkundige ontdekkingen zoo ver mogelijk de wetenschap verspreidt, dat onze aarde één der kleine dwaalstarren is, die zich wentelen om de zon, en dat dit gansche zonnestelsel, waarvan onze aarde slechts een gering bestanddeel vormt, op zijn beurt niet dan een stip is in de myriaden van zonnestelsels, die, deels met ongezienen luister, schitteren aan den hemel van Gods kracht. Veeleer aanvaarden we zelf dit resultaat met dankzegging aan de wetenschap, in te dieper bewondering weggezonken voor den nameloozen luister en de ontzaglijke majesteit van de Almacht onzes Gods.

Eerst dan komen we met ons protest, als deze mannen der wetenschap of nog erger, hun onwetenschappelijke napraters, op grond dezer ontdekkingen zich nu de door en door onwetenschappelijke uitspraak veroorloven: „Derhalve heeft de Christelijke Kerk zich |32| met haar leer, dat de aarde het middelpunt des heelals zou zijn, vergist.”

Vergist, o, zeer zeker, in zoover menig onbevoegde, in haar naam, uiterst ongeestelijk en oppervlakkig, deze leer der Kerk als kort begrip der sterrenkunde of als natuurkundige stelling voordroeg.

Maar niet vergist, zóó weinig vergist, dat gij, mannen der natuurwetenschappen, er zelfs geen oordeel over hebben kunt, toen ze bij monde van haar echte zonen uitsprak: dat de geestelijke bouw van het heelal een andere is dan zijn stoffelijk samenstel, en dat, naar dien „geestelijken” maatstaf, niet onze zon of de zon van eenig ander solair stelsel, maar de schijnbaar zoo kleine en schier onmerkbare aarde het middelpunt is om hetwelk de Schepping des Heelals zich beweegt.

Denk u, om het verschil te doorzien, een dier kolossale fabrieken, gelijk alleen Engeland, Amerika of Duitschland ze kent, b.v. de schier onmetelijke staalfabriek van Krupp te Essen, met haar veertien duizend arbeiders, haar onafzienbare reeks van gebouwen, haar bosch van schoorsteenpijpen, haar tal van hoogovens, haar dooreenwarreling van stoomketels, raderen, cilinders, condensors en drijfwielen, haar stapelplaatsen van grondstof en haar legertrein van vervoermiddelen — en stel u nu de vraag: Wat van deze schepping in het klein het middelpunt is? Niet waar, dan zoudt ge met uw antwoord verlegen staan. Wat het middelpunt is? Al naar ge wilt! Bedoelt ge in bouwkundigen zin, dan het hoofdgebouw dáár in het front. Meendet ge het in werktuigkundigen zin, dan gindsche stoomketel. Spraakt ge in administratieven zin, dan het kantoor daar voor u. Hadt ge het pyrotechnisch gedeelte der zaak op het |33| oog, dan die middelste hoogoven. Maar bedoelt ge het gansche bedrijf als één geheel genomen en vraagt ge naar het geestelijk middelpunt van deze grootsche onderneming, dan is het niet dat reusachtig gebouw, niet die vervaarlijke stoomketel, niet dat onafzienbaar kantoor, óók niet die kolossale hoogoven, maar die kleine mensch daar ginder die zich onder de duizenden verliest en bij al die reusachtige afmetingen als in het niet verzinkt, dan is het de directeur Krupp.

Dat zou ieder verstaan en voetstoots toestemmen Maar, past men nu dezelfde onderscheiding op de fabrica, gelijk Augustinus en Calvijn het noemen, van het groot en wonderbaar Heelal toe, dan is het of er aan het misverstand geen einde komt en meent de baardelooze knaap of het nuffige betweetstertje alle wijsheid der groote theologen van Jezus’ Kerk schaakmat te hebben gezet, indien ze hun sterrenkundig a. b. c., zoo onbeholpen als het ging, hebben uitgestameld.

Dat men toch de ernstigste problemen steeds met dien ernst behandelde, die ons, kleine nietige wezens die we zijn, bij het stamelen over deze ontzaglijke mysteriën betaamt.

Het middelpunt des Heelals! Welaan, verklaar u nader. Bedoelt ge het middelpunt in sterrenkundigen zin, ondervraag dan de coryphaeën van Europa’s sterrenwacht. Bedoelt ge het middelpunt in natuurkundigen zin, raadpleeg dan ae mannen der wetenschap, die de samenstelling der stoffen en de gangen van het licht onderzoeken. Zij zullen u zeggen, u hun zeggen bewijzend, dat in dien zin de aarde, verre van middelpunt, slechts een onbeduidend deel des Heelals is, dat zich in de veelheid der wentelende bollen verliest. |34| Spraakt ge daarentegen van het middelpunt des Heelals in geestelijken zin, dan zullen de echte priesters der wetenschap u verklaren, dat hun daarover geen uitspraak toekomt, dat ze u daar niets van zeggen kunnen, u verwijzend naar de scholen der wijsgeeren of het leergestoelte in Jezus’ Kerk. En volgt ge dien wenk, dan zult ge bevinden, dat men in de scholen der wijsgeeren naar een antwoord op die vraag nog steeds zoekende is, telkens meende er te zijn, maar even dikwijls weêr het eerstgevondene verwierp, terwijl Jezus’ Kerk, door alle eeuwen, aan alle oorden, bij monde van al haar echte zonen, steeds onveranderlijk, op grond der Schrift, het stellige antwoord gereed had: Het lot des Heelals wordt beheerscht door onze aarde. Die aarde is haar middelpunt. Zon, maan en starren ontvingen het aanzijn om haar, of wilt ge om den mensch, of juister nog om den Zoon des menschen. De getrouwe en waar achtige Getuige, de Eerstgeborene aller creaturen, is het Begin, d.i. het Middelpunt, van de Schepping Gods.

„En er werd een groot teeken gezien, dus meldt ons de ziener van Pathmos, namelijk een vrouw, bekleed met de zon en de maan was onder hare voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren, en zij was zwanger en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren, en zij baarde eenen mannelijken zoon, en haar kind werd weggerukt tot God en zijnen troon” (Openb. 12: 1, 2, 5).

Die woorden teekenen u het geestelijk organisme van het Heelal in stoute beeldspraak.

Die vrouw is de Gemeente Gerds, d.i. de menschheid in haar edelste kern, de parel in de schelp van ons |35| menschelijk geslacht, waarom dat geslacht bestaat en waarin het zijn geestelijke bestemming bereikt.

Maar ook die vrouw heeft het doel van haar aanzijn niet in zichzelve, maar in haar roeping om den mannelijken Zoon te baren, om wien voort te brengen ze zelf het aanzijn ontving en in wien haar bestemming ligt.

Eindelijk, die „mannelijke Zoon” behoort, al is Hij uit de vrouw geboren, niet ons, maar Gode, want Hij wordt weggerukt naar God en zijnen troon.

En vraagt ge nu ten slotte, welke plaats dit geestelijk organisme des Heelals aan zon, maan en starren toekomt, dan zegt u het sierraad der vrouw, dat ze slechts attributen van deze aarde zijn. Zie, de zon is haar tot een kleed, de starrendiadeem vonkelt om haar slapen, tot een voetschabel is haar de maan.

Zoo schakelen in het groot geheel der Schepping al de schalmen zich naar geestelijke orde ineen.

Uitgangspunt is de mensch Jezus Christus, de Middelaar Gods en der menschen, in wiens onlosmakelijke vereeniging van zijn menschelijke met de goddelijke natuur de Schepping als in Gods eigen Wezen gehecht ligt.

Om dien Zoon des mensehen bestaat de Gemeente der uitverkorenen, die van het begin der Schepping af op aarde haar woonstede had en in de volheid der tijden „den mannelijken Zoon” naar zijn menschelijke natuur heeft voortgebracht.

Om die Gemeente bestaat de menschheid, in haar verschil van tijden en eeuwen en evenzoo van natiën en tongen gespreid, uit éénen bloede voortgekomen en tot het kunstigste organisme uitgewassen.

Om die menschheid bestaat deze aarde. Ze draagt haar, ze voedt haar, ze wordt door haar beheerscht, ze |36| is in al haar rijken aan den mensch verwant, en schijnt die rijken slechts te bezitten, om het kunstproduct van ’s menschen lichaam en zinnelijke vermogens aanzijn te geven. De kalk, het ijzer, de lijm, de phosphorus, de zwavel, de magnesia, enz. heeft de schoot der aarde met de vaste bestanddeelen van ons lichaam gemeen. In het bloed, dat door onze aderen vloeit, liggen de vertakkingen van rivieren en beken geteekend. De spiritus, die in alsoortigen gasvorm door ons lichaam trekt, is aan de gassen der aarde ontnomen, om bij ons sterven tot haar weêr te keeren. In ons cellenweefsel vindt ge de cel der plant terug, gelijk in de statuur van ons lichaam den boomstam met zijn tak en wortel. Van onze verwantschap in lichaamsvorm aan het dierenrijk behoeft nauwelijks gewaagd.

Bedenk nu dat ons menschelijk lichaam in zijn zenuwweefsel op eene voor de wetenschap ondoorgrondelijke wijze in organisch verband staat met onze ziel en haar geestelijke vermogens, en dat op haar beurt deze ziel er op is aangelegd, om in organisch verband te treden met het goddelijke leven zelf, dat de Vader den Zoon gaf in zichzelven te hebben, opdat Hij het geven zou aan de schapen zijner kudde, die zijn stem hooren en Hem als hun Herder kennen, — en immers geheel de keten sluit. De Middelaar aan het goddelijk Wezen; de wedergeborene aan den Middelaar; in den wedergeborene het eeuwig leven aan den aanleg van ’s menschen ziel; ’s menschen ziel aan ons zenuwweefsel; dat zenuwweefsel aan de bestanddeelen en vormen van ons lichaam; die vormen van ons lichaam aan de vormen van het planten- en dierenrijk, gelijk zijn bestanddeelen aan de vaste, vloeiende en gasvormige bestanddeelen van deze aardsche natuur. |37|

Zeg nu, dat zon en maan en starren slechs om de aarde bestaan, en het schijnt u wonderspreukig, maar merk op, dat die aarde slechts het stroombed is, dat de schelp der menschheid draagt, in welker kern Christus, de Zoon Gods en des menschen, de parel vormt, en de gedachte, dat ook zon en maan en starren om den Christus bestaan, wat heeft zij dat bevreemdt?

Wordt nu niet de parel door de schelp, maax de schelp door de parel gemaakt; niet de ziel door het lichaam, maar ’s menschen uiterlijke vorm door zijn geestelijk wezen gevormd, hoe schoon ligt dan dat geestelijk organisme des Heelals niet in het woord van Johannes uitgesproken: „Door hetzelve zijn alle dingen gemaakt en zonder hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is.”

Niet alsof uit den Zoon onze Schepping zou zijn. Want we belijden éénen God en Vader, uit wien alle dingen, maar ook éénen Heere Jezus Christus, door wien alle dingen zijn en wij door Hem. |38|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004