III. De schepping


De Heere bezat mij in het beginsel zijne wegs, voor zijne werken.

Spreuken 8 : 22. a


God alleen is eeuwig, het schepsel niet. Wat geschapen werd heeft geen aanzijn in zichzelf, maar dankt dit Gode, en kan dit aanzijn niet anders bezitten, dan God het hem schonk.

Uit dien grond heeft de Schepping een aanvang gehad. God schiep niet maar hemel en aarde, maar schiep ze in den beginne, d.i. met het ontstaan zelf der Schepping ontstond dat begin.

Met kan niet zeggen, dat de Schepping ontstaan is in den tijd, want zoolang er niets bestond, dan de eeuwige God, was er geen tijd. Tijd onderstelt een opeenvolging van oogenblikken, dus een overgang uit den éénen toestand in den anderen, een gestadige wisseling van aanzijn, een voortgaande ontwikkeling, ’t zij ten goede of ten kwade. Wijl nu dit alles in Gods eigen Wezen ondenkbaar is, tegen den aard van zijn Goddelijk wezen strijdt en door het God-zijn zelf van |21| den Eeuwige wordt buitengesloten, volgt hieruit, dat de tijd eerst een aanvang kon nemen met het ontstaan van het schepsel.

Metterdaad moet dus wie aan een Schepping gelooft, onderscheiden tusschen twee bedeelingen: de eerste, waarin God alleen bestond en niets dan God, en de tweede, waarin door Gods kracht nevens Hem het geschapene bestaat.

Dit mag niet verzwakt door de voorstelling, alsof wel de Schepping een begin had gehad, maar niettemin de stof (of deeltjes), waaruit de Schepping gevormd is, eeuwig met God zou zijn geweest.

Dit gevoelen, dat alle eeuwen door aanhangers telde en vooral in onze dagen veld wint, wordt én door de Schrift én door het Wezen Gods lijnrecht weêrsproken.

Door de Schrift, want ook zij wijst op het onderscheid tusschen de Schepping zelve, haar grondvesten en de stofjes waaruit ze geboetseerd is, en legt dan der Wijsheid deze opmerkelijke woorden in den mond: „Hij had de aarde nog niet gemaakt noch den aanvang van de stofjes der wereld” (Spreuken 8 : 26).

Erkend wordt derhalve, dat al het geschapene oplosbaar is in oorspronkelijke elementen, ’tzij dan stof of vochtdeeltjes, maar óók van die stofjes der wereld wordt met nadruk verklaard, dat ook zij een aanvang hebben gehad, derhalve niet eeuwig zijn, maar evenals de Schepping in haar tegenwoordige gedaante, hun oorsprong danken aan een scheppingsdaad Gods.

Maar ook door het Wezen Gods wordt die voorstelling van een eeuwige stof, waaruit de wereld zou geboetseerd zijn, op het stelligst afgesneden. God kan niets nevens zich, maar moet, wijl Hij God is, alles |22| onder zich hebben. Had nu de stof, waaruit de aarde geformeerd is, van eeuwigheid af met God bestaan, dan zou in die stof een onafhankelijke macht tegenover Hem treden, die alsdan een bestaan zou hebben onafhankelijk van Hem. Gevolg zou zijn, dat de stof, die haar bestaan niet aan God dankte, den grond van haar bestaan in zichzelve moest dragen. Wijl nu het hebben in zichzelf van den grond van zijn aanzijn het eigen merk der Godheid is, komt de voorstelling van een, eeuwige stof eenvoudig neêr op de stelling, dat die stof zelve een God zou wezen met wien de levende God het aanzijn van eeuwigheid af gedeeld had.

Werkelijk heeft men dit dan ook beweerd Op deze en geen andere dwalingen berustte het Manichaeïsme, dat tot in het hart van Frankrijk en Italië eeuwenlang de Christelijke Kerk bedreigd heeft. Het heidensche veelgodendom, dat onder allerlei vorm het schepsel aanbidt, wortelt in dezelfde ongodsdienstige voorstelling. En zij, die thans nog in den boezem der Christelijke Kerk het toeval in steê van Gods eeuwigen Raad laten heerschen, staan, wel bezien, op denzelfden wankelen bodem.

Toch is op den duur deze gedachte van eene „in zichzelf rustende stof” tegenover „eenen in zichzelf rustenden God” niet te dragen, en zoo leidt bij den zondaar, die zich meer tot het stoffelijke dan tot het goddelijke voelt aangetrokkken, deze monsterachtige voorstelling er ten slotte vanzelf toe, om aan God Almachtig het bestaan te ontzeggen; waarna men slechts de eeuwige stof als zijn God overhoudt en verzinkt in den jammer van het Materialisme.

Klaar en duidelijk moet daarom onze belijdenis |23| uitgesproken, dat al het geschapene, óók de stofjes waaruit dat geschapene bestaat, eens niet bestonden; dies een aanvang hadden; en dat vóór dien aanvang niets bestond dan God en God alleen.

De vraag, wat het leven Gods toen was, mag niet dan met eerbied en huivering over onze lippen komen. Zelfs nu, nu er van God iets kennelijk is, in de zienlijke dingen, blijft ons inzicht in het Wezen en Leven, in de Deugden en Mogendheden Gods zoo uiterst beperkt en aanvankelijk, dat we in eigenlijken zin van geen kennis spreken kunnen. Niemand kent den Vader dan de Zoon. Hoeveel te omzichtiger en schroomvalliger voegt het ons dan niet te zijn bij het staren in dat eeuwige, zichzelf genoegzame leven van den Hoogen God, dat doorleefd is in den schoot der eeuwigheid vóór den aanvang van de stofjes der aarde.

Slechts wijl de Schrift er ons een vluchtigen blik in gunt, mogen wij er bedachtelijk van gewagen.

Natuurlijk, wie niet aan den Drieëenigen God gelooft, heeft hier geen uitweg. Was er van eeuwigheid, gelijk Modernen en Groningers leeren, niets dan de Vader, dan was alle liefde in God reeds dáárom ondenkbaax, wijl liefde niet zonder een voorwerp dat zij mint kan bestaan. Is het nu even ontwijfelbaar dat een God, wiens Wezen geen liefde van eeuwig is, daarmeê op zou houden God te zijn, dan is het volkomen verklaarbaar, hoe juist uit de verwerping van de belijdenis des Drieëenigen de gedrochtelijke leer van een eeuwige stof moest ontstaan. In die stof, zij het ook gebrekkig, gewon men voor het minst een iets, hoe onbezield en mat dan ook, waarmeê de Vader zich van eeuwigheid af bezig hield en waarop zijn liefde werken kon. |24|

Wie door het licht der Openbaring zich beschijnen laat, behoeft die uitvluchten niet. Hij weet, dat het Goddelijk Wezen dáárom in zichzelf genoegzaam is, wijl tusschen de onderscheiden personen in het Goddelijk Wezen zelf het rijkst en heerlijkst leven der liefde van eeuwigheid tot eeuwigheid doorleefd wordt; zóó zelfs dat al het leven der Schepping niets was of is of zijn kan dan de matte, vaak in haar tegendeel verkeerde. afschaduwing van het leven in het Goddelijk Wezen zelf. Hem is het geopenbaard, dat „in den beginne het Woord was en dat dit Woord bij God en God was.” Hij belijdt met Mozes in het Psalmgebed: „Eer de bergen geboren waren en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God!” maar beluistert ook de indrukwekkende zelfopenbaring, als het zoo majestueus in het Spreukenboek heet: „Mij bezat de Heere in het beginsel zijns wegs, vóór zijne werken van toen aan. Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. Ik was geboren als de afgronden nog niet waren, aleer de bergen ingevest waren; Hij had de aarde nog niet gemaakt noch den aanvang van de stofjes der wereld. Toen Hij de hemelen bereidde, was ik er; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte; toen Hij de grondvesten der aarde stelde; toen was ik een voedsterling bij Hem en ik was dagelijks zijn vermakingen, te aller tijd voor zijn aangezicht spelende.”

De overgang tot het ontstaan der Schepping en daarmeê van den Tijd kon alleen plaats grijpen door een wilsdaad Gods. Intusschen bij het uitspreken van deze gedachte zij men op zijn hoede, want het gevaar |25| dreigt, dat men reeds door dat ééne beroep op den wil Gods alle deugdelijk inzicht in het wezen van het Wonder onmogelijk maakt.

Vaak overkwam het ons, dat we, na uren van werkeloosheid, weêr den wil vatten om iets te doen. Het ledig zijn, dat ons eerst bekoorde, begon tot een last te worden. Een tüdlang worstelde de geest der traagheid nog tegen den prikkel, die tot arbeidzaamheid aanspoorde. Maar ten slotte braken we dien weêrstand toch; de wilskracht herleefde; we rezen op uit onze loomheid; gordden ons aan; hadden nu den wil om iets te doen; en deden het.

Weinig ervaren in de wetten der zielkunde en bloot op den indruk afgaande, beeldden we ons dan in, dat onze vrije wil ons tot dat kloek besluit had gebracht. Het stond, zoo schijnt het ons dan, zoo ter onze keuze. Hadden we verkozen in onze werkeloosheid te volharden, ook daartoe waren we bij machte geweest. Maar het viel ons zoo in, dat iets uit te voeren beter was, en omdat we dat nu zoo wilden, kwam het er toe. Luim of gril is het goede woord niet, maar iets willekeurigs, iets eigendunkelijks bleef dusdoende de drijfveer, waaraan we onzen overgang van niets doen tot iets doen toeschreven. Beter rekenschap van zulk een overgang geven we ons zelden.

Ligt nu het gevaar niet voor de hand, dat we, natuurlijk na aftrek van het zondige, iets van dezen gedachtengang op den hoogen God overbrengen?

De verleiding is niet gering.

Ook hier toch greep ontwijfelbaar zulk een overgang plaats, een overgang van niet-werken tot werken, van een zich stil houden in zichzelf tot een zich openbaren |26| naar buiten. En het kan niet geloochend, de afwezigheid van alle werk was bij den Eeuwigen God zoo volstrekt mogelijk. Vóór den aanvang van zijn werken, was er geen werk, van wat natuur of geaardheid ook. Kon men er dan niet toe komen, om, wel te verstaan in heiligen zin, ook bij den hoogen God zich dezen overgang ongeveer in dezer voege voor te stellen: „Van eeuwigheid af werkte de Heer niet; toen kwam in het Goddelijk Wezen de gedachte op: Als Ik eens een Schepping tot aanzijn riep! Die gedachte ontving zijn goddelijk welbehagen. Hij wilde het, en wijl in Hem die wil kwam, is het alzoo geschied!” Vanzelf denkt men er dan bij, dat de Heer het ook wel niet had kunnen willen; het ook wel anders had kunnen willen; naardien de gedachte er toe opkwam, die Hij ook wel had kunnen onderdrukken; eindelijk, ze toen niet en later wel had kunnen uitvoeren.

En toch, deze gedachtengang is verre van Gode verheerlijkend, veeleer Zijns onwaardig, diep zondig en onwaar.

Over een macht te beschikken, die men naar luim of willekeur, nu inhoudt, dan werkeloos laat, straks aanwendt, al naar het ons gevalt en men het wil, is het karakter van den toovenaar, van den mirakeldoener, niet van den Schepper, onzen God.

Bij den Heere onzen God is geen verandering noch schaduwe van omkeering, d.w.z. de weifeling tusschen twee mogelijkheden en het beurtelings zwenken van de ééne naar de andere, is bij Hem ondenkbaar, in strijd met zijn Wezen, mag, met zijn heiligen naam niet in eenzelfden adem worden genoemd.

Bij God is alles noodzakelijk. Het is gelijk het moet |27| zijn. Het moet zijn gelijk het is. Anders dan het tot stand kwam, kon het niet worden. Niet wijl er een macht buiten Hem zou zijn, die Hem dwong. Niet alsof er door iets buiten Hem voor onzen God een noodzakelijkheid zou geboren worden. Maar wijl zijn eigen heerlijk Wezen de macht is, waaraan zijn wil slechts tot instrument dient. Kon nu in dat Wezen verandering of schaduw van omkeering komen, dan voorzeker zouden ook voor den goddelijken wil meerdere mogelijkheden geboren worden. Maar nu dit niet zoo is, nu zijn naam Jehovah heet, d.w.z. nu „Hij is die Hij is en zal zijn die Hij zijn zal,” nu ligt in dat onveranderlijk Wezen steeds en eeuwiglijk voor den goddelijken wil ook slechts ééne mogelijkheid, t.w. te doen, wat met de natuur en het leven Gods overeenkomstig is.

In de Schepping kwam diensvolgens niets tot stand, wat niet van eeuwigheid af in God vast had gestaan dat komen zou.

Gode zijn zijne werken van eeuwigheid bekend.”

De Christelijke Kerk, drukt dit uit door hare belijdenis van den Raad Gods. Niet in den Wil des Heeren, maar in diens Raad vindt ze het uitgangspunt. Die Raad is vast, in dien Raad is het al voorzien, zoo ge wilt, die Raad is de Schepping zelve, maar in bestek. Wat we gemeenlijk als Schepping en Onderhouding der wereld scheiden, is in dien Raad één. Ontstaan en bestaan der wereld zijn in dien Raad eensluidend. Naar dien Raad was het ook, dat de wereld ontstond toen ze ontstond. Niet eer, niet later. Althans indien we naar de beperktheid van ons menschelijk denken alzoo spreken mogen. Ieder gevoelt anders dat er in het eeuwïge geen vroeger |28| of later is, en dat reeds daarom bij den overgang van het niet-werken tot het werken in God elke vergelijking met overgangen in ons menschelijk leven wegvalt. Maar vraagt men eenmaal (en we geven toe dat we ook aan dien drang van ons denken niet ontkomen kunnen) of het ook mogelijk ware geweest, dat de wereld toen nog niet, maar eerst later, of ook reeds vroeger geschapen ware, dan mogen we niet aarzelen, om met volle gewisheid zeer beslistelijk te antwoorden: ook dat was gebonden aan Gods eeuwigen Raad.

De kunstenaar die een beeld wil beitelen, begint niet met het marmer te ontbieden, waaruit zijn kunststuk te voorschijn zal komen, maar beeldhouwt eerst in den geest. Hij peinst, hij zint en staart. Eindelijk vlamt de vonk van het genie op. De scheppingsmacht der kunst wordt in hem vaardig, en terwijl zijn hand nog roerloos rust, trekt zijn geest de lijnen, buigt hij de vormen, tot ten laatste de gestalte die hij in marmer wil brengen, geheel voleind speelt voor zijn geestesoog. Eerst daarna zoekt zijn hand den beitel en spiegelt hij in het marmerblok de eens geziene gestalte af.

Ook die vergelijking is nog zwak. Toch zegt ze ons iets van de Scheppingsmacht in onzen God.

Ze zegt ons, dat het eigenlijk scheppen voleind was eer het scheppen in den zichtbaren vorm begon. Dat God in zijn Raad de wereld gezien heeft, eer ze werd, gezien zooals ze zal worden en nog nooit een mensshenoog ze zag.

Ze zegt ons, dat God niet Schepper is geworden, toen Hij hemel en aarde hun zichtbaar aanzijn gaf, maar dat Hij Schepper is van eeuwig in zijnen Raad, gelijk Hij het toonde in zijn maaksel. |29|

Ze zegt ons, dat de overgang van het schijnbaar niets doen tot de openbaring zijner mogendheid slechts de overgang was van het goddelijk scheppen en voleinden in den geest tot het afspiegelen in zichtbaren vorm van wat in den geest gearbeid was.

Eer ik u formeerde, heb ik u gekend!” mag de kunstenaar in overdrachtelijken zin van het beeld getuigen, dat hij beitelde, maar spreekt God Almachtig in den meest eigenlijken zin, van het maaksel dat Hij gebood te ontstaan, dus ook van die wereld met al wat er in is en in haar werkt en woelt.

In dien zin is de Schepping zoo men wil eeuwig te noemen, want voor haar grondlegging, in dat eeuwige dat achter de oorsprongen van den tijd ligt, is ook de wereld door God gezien in zijn Raad, verschenen voor den geest Gods, en waren de menschenkinderen die nog worden zouden de vermakingen zijner Wijsheid.

Zoo toch spreekt de Wijsheid:

Aleer de bergen ingevest waren, toen Hij de grondvesten der aarde stelde, toen was ik te aller tijd voor zijn aangezicht spelende; spelende in de wereld zijns aardrijks en mijne vermakingen zijn met de menschenkinderen! |30|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004