II. De wonderkring van den Vader


Die de dingen die niet zijn roept alsof ze waren.

Rom. 4 : 17. a


Zoo hebben we dan eerst van de wonderen der Schepping, daarna van die der Verlossing, ten slotte van die der Heiligmaking te spreken. De kring der wonderen moet, wijl ze uitingen van de levenskracht des Almachtigen zijn, ingedeeld naar de onderscheiding die er in het Drievuldig Wezen zelf is. Gelijk we in een Eénig God nochtans den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest aanbidden, zoo ook verheerlijken we in den éénen goddelijken wondercyclus nochtans onderscheidenlijk de wonderen die in het Scheppen, in het Verlossen en in het Heiligen hun eigen kenmerk vinden.

Vooral op den eersten, den wonderkring des Vaders, die reeks van machtdaden Gods, wier doel in de Schepping voleind wordt, leggen we bijzonderen nadruk, èn wijl de Schrift ons daarin voorgaat èn wijl ze in de Gemeente maar al te dikwijls beneden hun waardij worden geschat. |13|

De Schepping is niet slechts een in zichzelf algesloten kring van wonderen, maar tevens de grondslag, waarop de wonderen der Verlossing en der Heiligmaking rusten.

Verre dus van de meening te beamen, dat men desnoods, volledigheidshalve, bij manier van spreken, in oneigenlijken zin, óók de scheppingsdaden onder de wonderen meê kan tellen, gaan we veeleer uit van de overtuiging, dat elke beschouwing over de wonderen, die niet met de Schepping begint, uit de Schepping is opgebouwd en in de Schepping zelve het wezen van het wonder zoekt te doorgronden, vooruit met onvruchtbaarheid geslagen is.

De Schrift zelve eischt dit, in zooverre de wonderen der Schepping met name en uitdrukkelijk zonder zweem van overdrachtelijk spraakgebruik, als wonderen en teekenen worden aangeduid.

De uitvlucht, dat men tot op zekere hoogte met den naam van „wonder” bestempelen kan al wat ons diepen eerbied afdwingt, een gevoel van ontzag in ons opwekt en ons uitlokt tot bewondering, is op dit spraakgebruik der Schrift niet toepasselijk. Het zal uit onze uiteenzetting blijken, dat deze spraakverwarring alleen ontstaan is, doordien men uitsluitend en bij voorkeur de Verlossingswonderen als wonderen deed gelden. De Schrift weet van die spraakverwarring nog niets.

Er is een God, dus heet het in Job 5 : 9, „die groote dingen doet, die niemand doorzoeken kan;” ziedaar de echte begripsbepaling van het wonder; gelijk er dan ook onmiddellijk op volgt: „die wonderen doet, die niemand tellen kan”; een uitdrukking blijkens den samenhang uitsluitend op de scheppingswonderen doelend. Vergelijk ook Job 9 : 10 en 37 : 14. |14|

Zoo zingt Ethan, de Ezrahiet, in den 89sten Psalm: „Dies loven de hemelen uwe wonderen, o Heere! ook is uwe getrouwheid in de gemeente der heiligen”; reeds blijkens de bijvoeging van „hemelen” kennelijk doelend op de daden Gods is zijn Schepping.

Niet anders de Psalmist in het 119de lied: „Geef mij den weg uwer bevelen te verstaan, opdat ik uwe wonderen betrachte”, ziende op de ordeningen Gods in zijn Schepping, blijkens vs. 90 en 91: „Gij hebt de aarde vastgemaakt en zij blijft staan. Naar uwe verordeningen blijven zij nog heden staan, wat zij alle zijn uwe knechten”.

Voeg er bij Psalm 136 : 4 vgl. met vs. 5: „Dien die alleen groote wonderen doet, dien die de hemelen met verstand gemaakt heeft, dien die de aarde uitgespannen heeft en de groote lichten heeft gemaakt”.

Zonder eenig beding of voorbehoud wordt in al deze Schriftplaatsen het werk der Schepping zelf aangeduid als behoorende tot de groote reeks der wonderen, die God Almachtig gewrocht heeft, waarop Hij eischt dat wij letten zullen, en die de grondslag moeten zijn van ons geloof.

Abrahams geloof is de maatstaf, waaraan de zuiverheid van elks geloof moet getoetst worden. Hij heet de „vader der geloovigen.” Wij hebben te wandelen „in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham.” We worden „gezegend met het geloove Abrahams.” En wat nu geeft Paulus aan als het eigenaardig karakter van het geloof, waardoor deze Abraham gerechtvaardigd is? Immers dit, dat hij geloofd heeft in dien God, „die de dooden levend maakt en. de dingen die niet zijn roept alsof ze waren” (Rom. 4 : 17). De dooden |15| levend te maken, is natuurlijk het doel van de wonderen der Verlossing; de dingen die niet zijn te roepen alsof ze waren, het doel van de wonderen der Schepping; en reeds uit deze veelbeteekenende apostolische uitspraak blijkt derhalve, dat beide soorten van wonderen met elkaâr in onmiddellijk verband staan, ja, dat de wonderen der Schepping tevens den grondslag vormen waarop de wonderen der Verlossing rusten.

God, zegt de Prediker, „heeft de eeuw, d.i. het besef der oneindigheid, in ’s menschen hart gelegd, zonder dat een mensch het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe” (3 : 10), dat beteekent in de taal der Schrift, die elke begripsbepaling schuwt, maar alle dingen naar den verschen indruk des levens beschrijft: wijl hij overal en bij elk onderzoek ten laatste op het wonder stuit, op een openbaring van kracht en leven en mogendheid, waarvan hij de werking ontwijfelbaar waarneemt, maar waarvan de diepste oorsprong, de bewerkende hand, de drijvende macht voor hem verborgen blijft.

Aan dat geheimzinnige, onbekende, zich verbergende en schuil houdende hecht zich het geloof. Eerst door de ontdekking van het wonder wordt het geboren, uit het wonder trekt het zijn levenssappen, in dat wonder op voor ons onbegrijpelijke wijs God zelf als Bewerker en Oorsprong te grijpen is zijn aard en wezen. „Als ziende den Onzienlijke,” blijft voor elk oprecht geloof de kenteekenende zinspreuk. En wat vinden we nu in het heldendicht des geloofs, dat ons het elfde hoofdstuk van den brief aan de Hebreën voorlegt? Dat die wonderenreeks, die aan het geloof zijn geboorte geven, aanvangt bij Verlossing of Wedergeboorte? Neen, maar |16| dat ook hier de Schrift met klem en nadruk de wonderen der Schepping op den voorgrond plaatst: „Door het geloof verstaan wij allereerst, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen die men ziet niet geworden zijn uit dingen die gezien worden.”

Alleen hieruit verklaart het zich dan ook, dat de schepping van hemel en aarde, en al wat er in is, dus ook van de krachten, die op elk gebied der natuur thans nog werken, in alle boeken der Schrift, tot in de Openbaringen toe, steeds met een kracht op den voorgrond wordt gesteld, waarvan wij in onze prediking en godsdienstige litteratuur slechts de matte schaduw terugvinden.

Bij ons schijnt het telkens, alsof het Verlossingswerk in Christus zoo het één en al ware, dat we de wonderen Gods in zijn Schepping, zoo al niet vergeten, dan toch op den achtergrond dringen. Hierdoor ging het inzicht teloor in den samenhang die tusschen het Verlossingswerk en de Schepping Gods naar zijn eenwigen Raad bestaat. Een gebrek in ons geloof, dat op zijn beurt weér gestraft wordt met een vervreemding van het volle wezen des Drieëenigen Gods, met een vergetelheid van zijn voorverordineering en met een noodlottige scheiding tusschen ons leven in de wereld der natuurlijke dingen en het leven van ons geloof.

Zoo was het bij de Christelijke Kerk in de dagen van haar bloei en geesteskracht niet. „Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde,” schreef ze bovenaan in de reeks harer fundamenteele geloofsartikelen. Uit de dagen der Hervorming klinkt u eveneens in elk belijdenisstuk, in elk lied, op elk gebied de zielsverheffing, allereerst tot den Schepper aller dingen tegen, en het is eerst in Godes |17| Almacht, Mogendheid en Raad, en eerst daarna in zijn Barmhartigheid en Ontferming, dat de ziel zicht troost en sterkt.

We gaan verder, en beweren zonder vrees van tegenspraak, dat ge nog bij de teederst geloovigen, die het dichtst nabij hun God leven en in waarheid zijn verborgen omgang kennen, datzelfde kenmerk van een wel gefundeerd geloof zult terugvinden. Juist dezulken zijn niet bij den Middelaar blijven staan, maar door den Middelaar tot den Vader gegaan, en hebben zich, den volzaligen God terugvindende, verkwikt en verloren in de bewondering en aanbidding van zijn nooit volprezen deugden en eeuwige mogendheid.

De oppervlakkigen daarentegen oordeelden maar al te spoedig, dat de leer der Schepping en van God eigenschappen zoo eenvoudig was en vanzelf sprak, dat ze deze althans veilig onder de eerste beginselen konden rangschikken, die als melk voor de kinderkens dienstbaar waren, maar geen vaste spijs boden aan de volwassenen.

Hoe zij, dus oordeelend, zichzelven en anderen misleiden!

Juist datgene waarover zij bijna uitsluitend spreken, waarin zij schier het een en al van hun belijdenis zoeken, rangschikt de Apostel onder die eerste beginselen, waarop zij uit de hoogte neêrzien.

„Nalatende, dus zegt hij, het beginsel der leer van Christus, laat ons niet wederom leggen het fundament van de leer der doode werken, en van het geloof in God, en van de leer der doopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der dooden en van het eeuwig oordeel, — laat ons voortvaren tot de volmaaktheid!”

Gevolg van deze averechtsche waardeering der stukken |18| van onze belijdenis was, dat men den Raad Gods bij het Verlossingswerk uit het oog verloor enhiermede elke vastigheid prijs gaf. Oók dat men het wonder schier uitsluitend in het Verlossingswerk handhavend, in uiterst pijnlijk conflict geraakte met de vorderingen der natuurkunde en der wijsbegeerte, die helaas met al te goed gevolg haar aanvallen tegen dezen van zijn grondslag losgemaakten wonderkring richten.

Wat was op dat standpunt te antwoorden op de tegenwerping, dat een verbreking der natuurwetten niet te rijmen was met de aanbidding van een eeuwige wijsheid?

Wat op de bedenking, dat de kring der wonderen steeds meer inkromp, naarmate het licht der natuurwetenschap zijn stralen in wijder kring spreidde?

Wat op de schijnbaar zoo ernstige opmerking, dat de zekerheid van ons geloof aan het eeuwige en goddelijke nooit afhankelijk mocht zijn van den uitslag waartoe ons historisch of critisch onderzoek leiden zou?

Was er geen waarheid in het beweren, dat dusdoende het eeuwige aan een spinrag werd opgehangen, en dat, indien van achteren bleek, dat men zich in de opvatting van een historisch feit, b.v. de Opstanding des Heeren, vergist had, daarmeê geheel ons bovennatuurlijk geloof bij den wortel werd afgesneden en viel?

Ons wel, mits onze hedendaagsche wijzen, om de lichte triomf op dit verzwakt en oppervlakkig geloof bevochten, slechts niet den waan voeden, dat hiermeê aan het fundament des waarachtigen geloofs ook maar een enkele steen is losgewrikt.

Dan vergissen ze zich.

Meer nog.

God heeft het zoo beschikt, dat ze zelf als instrument |19| moeten dienen, om het ijdele van deze schijnoverwinning aan het licht te doen komen.

Wat toch is gebeurd?

Nadat jarenlang de hoofdmacht bij de bestrijding des geloofs zich tegen de Verlossingswonderen gericht had, is men zelf tot het inzicht gekomen, dat hiermeê de triomf nog slechts begonnen en men niets gevorderd was, zoolang het geloof aan den Schepper nog stand hield

Van toen af heeft men zich op de Schepping zelve geworpen, en de Darwins en Tyndalls zijn opgestaan, om, al dieper in het werk der Schepping doordringend, ook daarin, zoo het kon ten einde toe, den zuurdeesem des geloofs te vervolgen en uit te drijven.

Door dien aanval wakker geschud, heeft ook de Christenheid haar oude Scheppingsverhaal weêr opgeslagen, en ziende, dat de arbeid op dit terrein den tegenstander zooveel zwaarder viel, zich afgevraagd, of wellicht in dien kring der Schepping voor haar een sterker borstweer en rondas school.

Houde de Christenheid die gedachte slechts vast, zegene ze in naam des Heeren het optreden van een Darwin en Tyndall, als van mannen, die geroepen waren om de Christelijke Kerk weêr den blinddoek van de oogen te nemen, en onzer zal de driedubbele zegen zijn, dat we in den strijd, zelfs onze vijanden rechters zijnde, overwinnaars blijven, dat onze godgeleerdheid weer een vaste basis gewint, en dat er voortaan geen geloof in het Verlossingswerk bestaanbaar zal zijn, dan dat gegrond is in Gods eeuwigen Raad, en door den Middelaar tot den Vader gaande inleidt in de gemeenschap des Drieëenigen. |20|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004