V. De Wonderen

I. Voorheen en thans


Ik zal al uwe wonderen vertellen.

Psalm 9 : 2. a


Eerst allengs beginnen de wonderen een eigenaardige plaats te veroveren in de levensbeschouwing der Christenheid.

Niet dat men vroeger de wonderen verwierp. Integendeel, een heilige geschiedenis zonder het element der wonderen zou geen belangstelling hebben ingeboezemd. Maar men nam ze aan, zonder over hun beteekenis na te denken.

Wijl er niemand was, die niet aan wonderen geloofde en de bestrijding der wonderen, voor zoover ze bestaan mocht, zich in het verborgene terugtrok, dacht men er niet aan, om zichzelf en anderen rekenschap te geven van de wijze, waarop we de wonderen hebben te verstaan.

Het ging er meê als met forten en schansen in vredestijd. Ze worden dan aan een oud-gediende ter bewaring toevertrouwd en voorts laat men ze rustig met struikgewas begroeien.

Maar laat een oorlog uitbreken, en hoe verkeert in en om onze forten plotseling in het bedrijvigst leven |4| wat jaren lang in diepe rust verzonken en schier vergeten scheen. Dan haast ieder zich om in het fort op zijn post te zijn; elk plekje en hoekje wordt nauwkeurig opgenomen; de ligging haarfijn opgemeten; het weerstandsvermogen berekend en ijlings in staat van verdediging gebracht wat aan den aanval bloot staat.

Zoo nu ook met de wonderen.

Ze zijn evenals de forten en schansen voor het vaderlijk erf, zoo het palladium ter beveiliging, ter bevestiging en ter verzekering van ons Christelijk geloof.

Maar wijl het vrede was, of althans geen aanval dreigde van den kant waar deze vastigheid des Christelijken geloofs lag, dacht men er niet aan ze nauwkeuriger op te nemen. Men wist dat ze er waren; wist dat ze des vereischt tot dekking van onze grenzen dienst zouden doen; maar voorts liet men ze in rust.

Dat dit niet altijd zoo was geweest, toonen de schriften der apostolische vaders en eerste Kerkvaders.

Toen het Christendom pas optrad in de heidenwereld, had het wel terdege een zeer scherpen aanval van de zij der heidensche wijsgeeren op de wonderen der Schrift te verduren.

De philosofen van Griekenland en Rome, die met goed gevolg de valsche verhalen van den heidenschen afgodsdienst hadden aangetast, ondermijnd en vernietigd, maakten zich aanstonds op, om het scherp gewette ontleedmes hunner hoogdunkende critiek ook aan de wonderverhalen der Heilige Schrift aan te leggen. Ze gevoelden als bij instinct, dat veldwinning dezer nieuwe leer hun wijsgeerig prestige afbreuk zou doen, en aarzelden niet ook met de geloofskracht der Nazareners de kracht van hun wijsgeerig denken te meten. |5|

De mannen der Kerk stonden hun te woord. Wat, zoo vroegen ze, zijn de legenden en mythen uwer eigen landzaten, dat gij ze vergelijken durft met de majestueuse Godsdaden, waarvan ons heilig boek verhaalt? Hoe, zegt dan uw eigen consciëntie u niet, dat in uw eigen mythen alles gemaakt, gekunsteld, onzedelijk is, wat in de wonderverhalen der Schrift het merk van eenvoud en waarheidszin, ’t karakter van meer dan aardsche heiligheid op het voorhoofd draagt? Kunt gij, die de waarheid der wonderen bestrijden wilt, dan het wonder loochenen, dat ge ziet, van een klein, onaanzienlijk volk, dat door geestelijke overmacht allengs heel de wereld voor zijn denkbeelden wint? Hebben wij ze dan niet gekend, de mannen die zelf ooggetuigen geweest zijn van deze dingen, en Hem die stierf op Golgotha, na zijn verrijzenis van oog tot oog hebben aanschouwd? Gij begrijpt ze niet; maar vat, doorziet en peilt ge dan den oorsprong des levens? Is een leven zonder mysteriën u denkbaar? Reeds de oorsprong aller dingen toont, dat er een God, die wonderen doet, bestaat!

Dit overtuigde destijd de schare. De wijsgeeren van Athene en Rome moesten het veld ruimen. De predikers der wonderen openbaarden een te sterk zedelijk overwicht, dan dat de oude, afgeleefde school de wijsbegeerte, zonder innerlijke levenskracht, de publieke opine had kunnen winnen.

Zoo snel zelfs liep deze worsteling ten einde, dat men van de zijde der Kerk deze controvers sloot, toen men nog eerste halverweg in de beteekenis der wonderen was doorgedrongen.

Andere vraagstukken trokken al de opmerkzaamheid |6| van het Christelijk publiek tot zich. De persoon van den Christus, de opvatting der zonde, de belijdenis van den Drieëenigen God, de leer der doopen, de leer der Kerk, de vorm van Kerkbestuur en zooveel meer waren vruchtbaarder onderwerpen voor den geestelijken strijd, en werden dan ook met een ernst en omvangrijke studie behandeld, waarvan de Christelijke Kerk nog het blijvend gewin heeft.

Dit maakte dat men van de wonderen voorshands zweeg, Zweeg in zoo volstrekten zin, dat een enkel Kerkleeraar, die de wonderen tot onderwerp van zijn geestelijke studie koos, toch geen gehoor vond, en noch in de belijdenissen der Middeleeuwen noch in de confessiën der Reformatie ook maar met een enkel artikel van de erkenning of loochening der wonderen gewaagd wordt.

Men zie hieruit, hoe onontbeerlijk felle bestrijding van de waarheid Gods is, zal de Gemeente van Christus tot dieper inzicht in haar verborgenheden geraken.

Niet alsof het genadeleven zelf eerst door dezen strijd zou gewekt worden. De eerste Christenen hebben zoo goed als de kinderen Gods van alle eeuwen de vertroosting en levenskracht ervaren die uit den God, die wonderen doet, ons toekomt.

Maar ervaren en met bewustheid ervaren zijn twee.

Het jonge wicht op moeders schoot koestert zich aan de moederborst en zuigt er voedsel uit, maar zonder te weten wat het doet, en dus ook zonder God te danken voor wat de almachtige Schepper het in die moederborst bereidde.

En daarom hooger staat de volwassen man, die, met inspanning van kracht en in het zweet zijns aanschijns |7| zijn brood gewonnen hebbende, Gode de eere geeft en Hem, wetende wat hij doet, voor zijn gave dankt.

Beiden worden wel gevoed, maar bij het kind schuilt het bewustzijn nog, bij den man is het ontwaakt.

Daartoe nu dient de Gemeente van Christus de bestrijding van haar wederpartijders. De schaduw moet naast het licht treden, om het licht in zijn glansen te doen blinken. Ook de Gemeente van Christus is geneigd om zelfzuchtig te genieten en kan daarom den scherpen prikkel niet missen, zal ze uitgaan om de heerlijkheden van Gods waarheid te onderzoeken, en naar de mate van deze bedeeling der dingen de klaarblijkelijkheid van de daden Gods uitspreken.

De eerste Pinksterdag blijft symbool van haar roeping. Ze moet niet slechts den Heiligen Geest ontvangen, maar ook, door dien Geest bezield, in de talen der wereld de groote dingen Gods uitspreken.

Toen waren het de talen der volkeren, waarin de apostelen en discipelen des Heeren zijn lof verkondden.

Maar naat het taalverschil der volkeren staat ook het taalverschil der tijden.

Onze tijd spreekt een andere taal dan de eeuw die achter ons ligt, wijl ze anders denkt, anders waarneemt, anders leeft; niet door gril of willekeur, maar tengevolge van die machtige omkeeringen in den stand der dingen, die voor het besef der Christelijke Gemeente zooveel leidingen en openbaringen zijn van den levenden God.

Uit dit gezichtspunt houdt de vaaag, of wij met de belijdenis onzer vaderen volstaan kunnen, op een vraag te zijn.

Ongetwijfeld handhaaft de Gemeente van Christus ook |8| thans nog de belijdenis der genade, die onze vaderen op halfslachtigheid en menschelijke inteelding veroverd hebben. Ze denkt er niet aan, den toenmaligen tegenstander tegen de vaderen van Dordrecht gelijktegeven. Veeleer wenscht ze ook, nu nog te leven en te sterven in wat hun levenskracht, hun blijmoedige belijdenis van Gods vrijmachtige ontferming was.

Maar daarbij staan blijven, zou zijn, de levende Gemeente van den Christus in een praalgraf opsluiten, haar taak voor voleind verklaren, ze buiten den loop der gebeurtenissen plaatsen, haar het karakter van strijdende en belijdende Kerk voorgoed ontnemen.

Dit mag, dit kan niet.

De Gemeente van den Christus is geroepen om ook in de taal van onzen tijd voor de kinderen van ons geslacht de groote werken Gods uit te spreken.

Ze heeft dat te doen in strijd en lijden.

Dus niet door te zweven in het algemeene, of door nadruk te leggen op wat thans niemand bestrijdt. Maar veeleer door juist dat deel der waarheid te kussen, dat de wederpartijder thans in het slijk zoekt te vertreden; door vooraan op de bres te staan, waar de leer van het Evangelie het hardst en het volhardendst bestookt wordt; en door niet te rusten, eer ze zelve in dat deel der waarheid zóó diep is doorgedrongen, dat ze ook dit in woorden uitspreken en in het lied harer belijdenis voor het oor der wereld zingen kan.

De waarheid Gods is veilig, mits ze gekend worde.

De Gemeente van den Christus denkt er daarom niet aan, die waarheid, door iets dat uit haar is, te handhaven, wetend dat ze zelve alleen gehandhaafd wordt door die waarheid. Maar wat wel op haar weg ligt is, |9| zoo dikwijls door de kwaadwilligheid van den tegenstander of eigen plichtsverzuim, de rechte kennis dier waarheid ontbreekt, ze opnieuw te onderzoeken en zoolang in de diepten harer verborgenheden te peilen, tot ze de waarheid Gods in haar innerlijke schoonheid en triomfeerende overtuigingskracht, zelf bewust worde en aan anderen kan voorstellen.

Weet nu ieder, dat in onze dagen de wonderen der Schrift zooals vroeger nooit, door den tegenstander tot mikpunt voor zijn aanvallen worden gekozen, en zijn we desniettemin overtuigd, dat in die wonderen heerlijke levensopenbaringen van Gods macht en ontferming te aanbidden zijn, wie zal dan betwisten, dat het de roeping der Gemeente is, aan de geestelijke bestudeering dier wonderen haar kracht te wijden, strevend naar het inzicht van wat God ons in die wonderen gaf.

Niet naar den regel van het Intelligo ut credam, „eerst begrijpen, dan gelooven!” De leus der Christelijke Kerk blijft onveranderlijk het Credo ut intelligam, „wijl ik geloof, streef ik naar inzicht in de waarheid.”

Ook de leer der wonderen is geen stuk der nieuwsgierigheid. Wie ze als curiositeit van het menschelijk verbeeldingsvermogen onderzoeken wil, komt niet verder. Evenzeer als elk deel der waarheid ligt ook de leer der wonderen op een heiligen bodem, dien men noot straffeloos, dan met ontbonden voetzool betreedt.

Staat men daarentegen in de innige, vaste overtuiging des harten, dat alleen een God die wonderen doet onze God kan zijn; dat een heilige geschiedenis zonder wonderen zichzelve weêrspreekt; dat het de levende God niet meer zou zijn, wiens maaksel naar de mechaniek van het uurwerk het rad zijns levens wentelen zag; dat |10| met het wonderbergrip het begrip zelf van den godsdienst vernietigd zou zijn, — dan ook niet traaglijk bij dit besef neêrgezonken, maar gearbeid in de kracht des geestes, tot ge de noodwendigheid van deze belijdenis zelf helder gedacht en verstaanbaar voor anderen hebt uitgesproken.

Voor zooveel de aard van ons blad dit gedoogt en de plaatsruimte toelaat, willen we ook onzerszijds tot dat veelomvattend onderzoek een bijdrage leveren.

We volgen daarbij den historischen weg en beginnen niet met afgetrokken bespiegeling, maar met de wonderen zelf, waarvan de heilige oorkonden ons berichten.

Reeds nu wijzen we daartoe op een noodzakelijke onderscheiding, die te dikwijls uit het oog wordt verloren, en toch tot recht verstand der wonderen onmisbaar is.

Onze belijdenis van het Wonder, d.i. van een openbaring der persoonlijke Goddelijke kracht, moet met onze belijdenis van God zelf samenhangen.

Belijden we dus den levenden God naar het heilig geheimenis der Drieëenheid, als Vader, Zoon en Heiligen Geest, als den God der Schepping, der Verlossing en der Heiligmaking, dan moet ook het Wonder van meet af in de lijst dierzelfde onderscheiding gevat worden.

Er zijn metterdaad ook in de reeks der wonderen, waarvan de Schrift gewaagt, drie kringen te onderscheiden, die met de onderscheiden eigenschappen van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest in zoo onmiddellijken samenhang staan, dat elks eigen werk er zeer kennelijk in uitblinkt.

Nauwelijks behoeft herinnerd, dat hierbij aan geen scheiding, die tot wederzijdsche uitsluiting leiden zou, |11| te denken valt. De wezenseenheid des Drieëenigen Gods moet ook in de eenheid van zijne heerlijke werken beleden worden.

Maar onderscheiden we, naar de gegevens die de Openbaring ons biedt en den eisch van ons menschelijk denken, wie stemt dan niet toe, dat er een wonderenkring is die den Vader, een andere die den Zoon, en eindelijk een derde die den Heiligen Geest tot eigenlijken Bewerker en middelpunt heeft.

Tot den eersten kring behooren natuurlijk de wonderen der Schepping, in den uitgebreidsten zin, zoowel de schepping des heelals, eenmaal geschied zijnde, als de schepping van de kinderen der menschen, die zich nog telkens herhaalt.

Tot den tweeden kring behooren de wonderen, waardoor het werk der verlossing voorbereid, aangekondigd en voltooid wordt. Zoowel dus de Verlossingswonderen, die op den weg van het Paradijs naar den Olijfberg als zoo vele mijlpalen liggen, — als ook de wonderen die komen zullen bij de toekomst van den Christus ten gerichte.

En eindelijk, tot den derden kring, dien des Heiligen Geestes, behooren de wonderen der persoonlijke levensvernieuwing, heiliging en bezegeling, zoowel die waarvan de Heilige Schrift ons meldt, als die nog dagelijks in de Gemeente des Heeren gewrocht worden! |12|




a. Eerder gepubliceerd in het Zondagsblad van De Standaard van 10 januari tot en met 18 april 1875. De laatste vijf artikelen (van 23 mei tot en met 20 juni 1875) zijn in de boekuitgave weggevallen.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004