V. De drievoudige komst van Jezus


Ziet, ik kom haastelijk: houd wat gij hebt, dat niemand uwe kroon ontroove.

Openb. 3 : 11. a


Het breken van het hart, waaruit de kreet van het „Maranatha” geboren wordt, volgt op een worsteling, soms aan de bange vertwijfeling van den zelfmoord gelijk.

Het „Maranatha” is de diepste nood der menschheid, ons hart geen idealen zoekt, maar een levenden persoon wil aangrijpen.

Alleen door een voorloopige verwezenlijking van datMaranatha” hield Israël, hield de schare der geloovigen, dusver stand tegen afval en verleiding.

Toch redt ons dat voorloopige niet, want de menschheid blijft haar Hoofd missen; dies derft ze haar eenheid, en toeft de Liefde als een vreemdeling op aarde, nog inwonend bij de Zelfzucht, die als meesteresse gebiedt.

Hindert u dat? Stuit het u tegen de borst? Strekt ge dag aan dag als onwillekeurig de hand uit, om aan het onhoudbare van dien toestand een einde te maken? |39|

Gemeente van den Christus! is die vraag u geen verwijt?

o, We weten het, aan klachten geen gebrek; pessimisme te over; vroeger alles beter, thans diep als ooit gezonken; wat men nog van godsvrucht ziet, schijn; de ijver gebluscht, de liefde verkoud, de kennisse verloren; en dan . . . die wereld daarbuiten, God niet meer kennend noch Hem dienend, al verder afdolend op paden van zingenot en weelde en zelfgenoegzaamheid; waar gaan we heen! o, Kerk van Cristus, wat zal uw toekomst zijn!

Zóó klaagt men.

Die klacht wordt aan den vriendendisch of in den brief van vriendenhand, op den kansel en in kerkvergadering, in geschrift en traktaat, in telkens overspannener toon geuit. De tijden, ieder weet het, ieder zegt het, zijn grievend en droef!

Maar is dat genoeg? Spreekt in die klacht het waar gevoel van gemis? Is ze geestelijk? Rouwt ze, met het stille heimwee naar de dagen des wederziens, over haar scheiding van den Heer? Zou alles goed zijn, als Jezus er maar was, als Jezus maar kwam, Bij de liefde van ons hart, de wreker van ons leed, de machtige Heerscher?

We twijfelen!

Eer ontmoeten we een voldaanheid, soms een zatheid des geloovens en des wetens, als bezat men de erfenis reeds, als behoefde er niet meer bij te komen, als ware dat armelijke wat men thans het zijne noemt, al het zalige dat ons Christus door zijn dood verwierf.

Spreken over Jezus, lezen van Hem, tot den Christus bidden, zingen van zijn lof, o, het verkwikt de ziel reeds; |40| wel hem die er in genoot; maar heeft dat met het hebben van Jezus zelf iets gemeen?

Kunt ge dan de zon u denken zonder haar glans, dien glans zonder stralen, die stralen zonder de tinten die ze spelen doen en de levenswarmte die ze wekken?

En heeft dan ons toeven in dezen aardschen tabernakel niet iets van de hut der onzen op Nova-Zembla, door geen licht bestraald, in sneeuw bedolven, door de krakende ijsbergen bedreigd?

Ook onze kloeke zeehelden, die den langen winter in het planken huis doorworstelden, wisten wel van de zon, spraken wel van haar glansen, droomden wel van haar verkwikkende koestering, maar heur aangezicht aanschouwden ze niet, haar gloed brak niet door, guur en koud bleef het, dood en dor de natuur om hen heen.

En wij, in onze schijnbaar korte, en toch zoo lange vreemdelingschap, zoomin als Barends gebannen, en toch als de Barendsen en Heemskerken uitwonend, ook wij zitten hier opgesloten in onze enge wereld, wel wetend dat de Zonne der gerechtigheid er is, wel jubelend van haar eeuwig licht en haar tintelende glansen, maar ook die Zon kunnen we niet in het aangezicht zien, de dag der heerlijkheid toeft, guur en kil blijft de geestelijke dampkring, Sathan blijft om onze hut sluipen, zoekende wien onzer of uit onze kinderen hij verslinden mocht, en doodsch en dor blijft de akker, waarop de halmen des vredes, de halmen voor den oogst der engelen ruischen moesten.

Men hecht aan Bethlehem te veel of, al naar men wil, te weinig!

Te veel.

Want het schijnt wel, of men in Bethlehem al de |41| profetie vervuld acht; waant dat nu de Christus tot de kribbe is gekomen, heel het Maranatha vervuld is; beeldt zich in dat een kort leven van even dertig jaren, en daarna een scheiding, voor ons hart genoeg en te over, voor onze ziel het levensbrood is.

o Die vloek van het verstandelijk gelooven!

Alsof het weten van wat voor achttien eeuwen is geschied, de kennisse van Gods trouw en het werk der verlossing, de heugenis van de wondere kracht die eens op aarde uitblonk, ooit levensspijs voor een menschenhart, een bad der verzoening en der wedergeboorte voor den onreine en onheilige zijn kon, — tenzij waarheid en werkelijkheid geworden in het persoonlijk één zijn met den Heer.

En toch ook weêr te weinig!

Want wie meent in den Christus, die tot Bethlehems kribbe kwam, reeds al de volheid der gave en der heerlijkheid te beziten, door de profetie des Heiligen Geestes ons toegezegd, wat zijn de behoeften van diens hart klein en ondiep, wat is hij met weinig tevreden, wat spreekt de dorst naar koninklijke heerlijkheid, de stille eerzucht naar de kroon en de palmen en de witte kleederen en de gouden harpen in hem flauw!

Voeg er bij: Wat las hij de profetieën vluchtig en onopmerkzaam.

Die schitterende godsspraken, als in het eeuwig licht gedoopt met haar meer dan aarsche tinten, met haar toezegging van vol en rijk en stoorloos heil!

Een Koning is u toegezegd, die over alle natiën en volken heerschen zal, zittend op den troon zijner heerschappij, alle vijand, alle wederpartijder onderworpen aan zijn voeten! |42|

Een Koning, door wiens scepter de bergen van vrede druipen zullen, de heuvelen dragers zijn van het heiligst recht, bezworen alle twist en nijd, lam en leeuw te zamen weidend, het zoogkind spelend met een adderenhol.

Het einde zou Hij u brengen van alle moeite en verdriet, van alle smart en weedom der ziele, van uw oog de laatste traan door zijn teedere liefde worden afgewischt.

Om Hem zou de stroom des levens ruischen, ontspringen waar Hij den voet zette een fontein van heil en heerlijkheid. Geen nacht zou er meer zijn, want zon noch maan zou meer schijnen, maar Hij zelf, het Lam, aller licht en aller glans zijn.

Koningskinderen zou hij u noemen, tot priesters u wijdend, tot koningen u zalvend, u met zich plaatsend op zijnen troon en u reikende al de schatten en al de weelde, waarin de goddelijke macht des Scheppers zich uitputte.

Zelf volheerlijk, zou Hij u volzalig maken.

En dat acht ge in Bethlehem vervuld?. Die heerlijke tonen der godsspraak kennend, legt ge u bij Bethlehems kribbe neder, alsof dat het al, dat de wezenlijke volheid ware?

Zeg ons, is het niet een teeken van krankheid, door den voorsmaak reeds verzadigd te zijn? Bij Bethlehem rusten, is het niet het Maranatha bij den wortel afsnijden? Wat meent ge, dat Paulus, dat een Petrus van zulk een voldaan Christendom zouden geoordeeld hebben, zij die, ook nadat hun Heer opvoer, worstelden, dag en nacht, om in de kennisse van den Heiland toe te nemen, en het oog nooit van den gezichteinder af hadden, om te turen, te staren, of het eerste morgenrood |43| van den grooten en doorluchtigen dag nog niet kwam!

Men spele toch niet met het slotwoord aan het Kruis, dat onmiddellijk aan den stervenskreet voorafging.

Het is volbracht!

Als de landman zijn akker geploegd en het zaad in de voren heeft gestrooid, keert ook hij na voltooiden arbeid met een blij „Het is volbracht” op de lippen huiswaarts.

En nu, wijst Jezus zelf ons niet op dat beeld?

„Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft het alléén, maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort.”

Zijn daarom de dag der zaaiing en de dag des oogstes één?

Omdat volbracht was, ten einde toe volbracht op Golgotha’s kruis, wat ter uitwissching van het handschrift der zonde, ter voleinding van het zoenoffer, ter vermorzeling van Sathans kop, door wet en profetie geëischt was, heeft daarom de Opstanding geen waarde, geen beteekenis de Hemelvaart, geen gewicht de Zending des Heiligen Geestes, behoort daarom tot de dingen die komen moesten, óók niet de heerkhappij van Christus over zijn Kerk?

En toch ge hebt te kiezen.

Ge moet bij het Volbracht van Golgotha de reeks der onmisbare bestanddeelen van het Genadewerk siuiten of niet sluiten.

Sluit ge bij het Volbracht af, erken dan ook dat zelfs de Opstanding des Heeren bijkomstig wordt.

Of ook, indien ge de heilige apostelen en de Christelijke Kerk aller eeuwen niet weêrspreken wilt, en |44| dus ook de Verrijzenis des Heeren als een onmisbaren schakel in het verlossingswerk neemt — „overgeleverd om onze zonden, maar opgewekt tot onze rechtvaardigmaking” — zeg zelf, is het dan geen willekeur, het „Volbracht” in volstrekten zin te nemen, indien ge er het levenswonder, het wonder der wonderen, de grondzuil van het Christendom, indien ge er Jezus’ Opstanding van uitsluit?

Doe liever, wat de Christenheid, die dieper leefde steeds deed, en ding niets op het heerlijk Volbracht af, maar versta het van het tarwegraan dat in de aarde viel, dus van de volledigste zaaiing, waardoor de dag des oogstes juist geprofeteerd werd.

Dan eerst gunt ge aan de drievoudige komst des Heeren haar recht.

Een komen in schaduwen tot Israël.

Een komen in knechtsgestalte tot Bethlehems kribbe.

En wat nu nog toeft, het voleinden en laatste komen, om gericht te doen, maar ook om het rijk der heerlijkheid te brengen.

Kunt ge rusten, zoolang ge niet onafgebroken bij uw Jezus, dichtbij Hem, bij uw Jezus zelf zijt?

Kan het u anders dan een voorloopige toestand zijn, waaraan een einde komen moet, zoolang de naam van uw Jezus nog voor uw ooren gesmaad, miskend en gelasterd wordt?

Klopt uw hart met vrijen blijden polsslag, zoolang ge uw Jezus niet van aangezicht tot aangezicht gezien hebt, met eere en heerlijkheid gekroond, en alle schepsel Hem dienend?

Is de heerlijkheid der gemeente u genoeg, kunt gij met volle teugen uit de gemeenschap der heiligen drinken, |45| zoolang ge niet gekomen zijt tot die vergadering van geheiligde geesten, die allen omvatten, allen op eenzelfde punt des tijds vereenigen zal, die in vroeger of in later eeuwen door Jezus zijn verlost?

Och, dat men ons verstond!

Neen, we vragen niet, of ge toegeeft en verstandelijk erkent, dat deze tijd zijn golven eens zal zien breken op het strand der eeuwigheid, om plaats te maken voor een andere bedeeling, waarin hoog zal zijn wat men nu verdrukt en in zijn eigen smaad zal nederliggen wat nu gevierd is en heerscht!

Zoo weten we ook, dat na de lente de zomer komt om straks door den herfst vervangen te worden.

Maar dit vragen we, of alles in u naar die toekomst trekt, of ge, stond het aan u, ze morgen aan den dag inroepen zoudt, of uw hart alleen door dat uitzicht staande blijft, of het Maranatha van den doorluchtigen dag het roepen van den wachter is, dat u bij het heimwee naar den hemel, neen, bij uw zielsverlangen naar uw Jezus, uw Heiland en uw Redder, uw Koning en uw Broeder, troost?

Er waren tijden dat de Gemeente in dat volle Maranatha leefde.

Misschien heeft ook uw leven de dagen gekend, dat ge, zonder overspanning, in de kalme geestdrift des geestelijken levens, de teedere zielsgenieting van dat „Kom, Heere Jezus!” gekend hebt, en niet genoeg hadt aan uw belijdenis en niet rusten kondt in deze bedeeling en naar hooger heerlijkheid, naar uw koninklijke erfenis, bovenal naar het uitbreken van de heerlijkheid uws Heeren hebt gedorst.

Die tijden, die dagen waren goede tijden. Dagen van geestelijk krachtsbetoon, van zelfverloochening, van een |46| zich overgeven voor den naam van Jezus, tijden van het martelaarschap, maar ook dagen, waarin het geloof de wereld overwon.

Dan lag de Kerk van Christus als een stad op den berg, flonkerde zacht en verkwikkend het licht van den kandelaar en was er een diep, krachtvol, ernstig leven mogelijk voor het God zoekend hart.

Zoo zijn onze dagen niet!

En of men zich tot dat heilig enthousiasme al zoekt op te winden, baat niet. Overspanning is geen geloofskracht. Met den mond het hart voorbijspreken geen wassen en toenemen in den Heer.

Dat bracht eer schade dan betering.

Immers, de schijn zou nog bitterder misleiden.

Van de bergen moet ook onze hulpe komen! Alleen God de Heer kan door de schuddingen, die Hij over de Gemeente brengt, door den smeltkroes, waarin het Hem gelieven zal ons te werpen, door de uitzendingen van zijnen Geest weêr spieren over de doodsbeenderen, en over die spieren de huid brengen, om er den adem des levens in te blazen.

Erkenne de Gemeente, erkenne onze ziel maar, hoe diep en jammerlijk ze aan den heerlijken glans van het „Maranatha” ontzonken is, en spore ze den schadelijken weg na, zuivere ze den onheiligen zuurdeesem uit, neme ze den ban weg, reinige ze zich van de zonde, en doe ze, in verbreking der ziel voor God, belijdenis van de schuld, die haar den troost van, zelfs den prikkelenden dorst naar het „Maranatha” rooft.

De wereld ligt als een chaos uiteengeslagen, en gij, Gemeente, wilt orde in dien bajert, vrede in die dooreenwoeling brengen! |47|

Och, dat ge het gelooven woudt, alleen de mensch Christus Jezus, alleen de Zoon des menschen, alleen het Hoofd der menschheid, kan die wereld van de kinderen der menschen voldoen, verheffen, beheerschen!

Bethlehem komt weêr!

Wat zullen Gods engelen beluisteren?

Weêr, als zoolang reeds, een jubelen over het lang verleden; een overspannen zang van geestelijke voldaanheid; alleen een dankzegging?

Of óók een bede?

Eindelijk eens de bede der Gemeente, de bede uwer ziel, of het „Maranatha” ook voor onze eeuw komen mocht, de diep beschamende belijdenis op uw Kerstfeest . . . dat Jezus wel geboren werd, maar voor ons geslacht nog niet leeft.

Van dwaling, van vergissing, rept men, als een Paulus, een Petrus, een Johannes dat Maranatha, de toekomst des Heeren, vlak hun op de hielen, zóó zóó aanstaande noemden, wanende dat het, nog eer zij sterven, komen zal.

En nu is het reeds achttien eeuwen! merkt men dan glimlachend op. Arme Apostelen!

Wij antwoorden: Arme Gemeente! die, althans op uw Kerstfeest, in die dwaasheid der hope niet roemt!




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004