IV. Een Koning!


En het geklank des Konings is bij hem.

Numeri 23 : 21. a


Er heerscht strijd op aarde. De kinderen der menschen staan tegen elkander op, benijden en verbijten elkaâr. Er is onder hen verwarring en twist, verdeeldheid, krakeel en laster. De oorlog tusschen volk en volk is hetzelfde bedrijf in het groot, dat op kleiner schaal dag aan dag in onze steden en dorpen tusschen den man en zijn broeder wordt afgespeeld.

Vanwaar dit?

Ze hoorden toch van het hoog gebod der liefde. Ze keuren het gebod toch schoon. Ze ontleenen aan het schoon der liefde het recht om den twistende te kastijden. Ze zongen van menschenmin en menschenliefde hun schoonsten zang.

En die lof voor het gebod der liefde is niet onoprecht op hun lippen. Zoo dikwijls ze dien lof aanstemmen, stemt hun hart er in meê. Het tegendeel der liefde als schoon te eeren, komt in geens menschen ziel op. |31|

Luister maar, zelfs in hun twisten verwijten ze elkaâr liefdeloosheid, tekortkoming in het hoog gebod, om den naaste als zichzelven te minnen, en op het oogenblik zelf dat haat van weêrskanten uit het oog spreekt, hartstocht in hun stem trilt en drift ze overmeestert, blijft nog de eerbied voor het liefdegebod een wapen, dat ze deugdelijk keuren en waarmee de een den ander op het scherpst en het bitterst wondt. Zelf heeft men het niet, door den ander is het wèl geschonden; of, naar die andere beweert, heeft men ’t zelf op het schandelijkst verbroken, terwijl het door genen betracht werd; wie gelijk had, is niet uit te maken, maar dit staat vast van beide zijden, dat wie het schond misdeed.

Of wilt ge een andere proeve: denk aan Parijs in de Communedagen. Alle hartstocht ontketend, de dierlijkste drift en woede op den troon, haat en nijd stand tegen stand ophitsend, dat den goeden de angst om ’t hart slaat, plundering rechtvaardige wraak en vergieting van onschuldig, bloed een werk der eere scheen; een hel op aarde; een verwildering van ’s menschen geest, die op het historieblad haar weêrgâ zoekt; — en toch, zie wat diezelfde mannen als leus in hun vaandel, als zinspreuk in hun banier voerden en op levensgevaar af in elken gevel insneden . . . . . Gelijkheid, vrijheid, . . . . Broederschap!

Hoe dit raadsel te verklaren?

„Hatende en malkander hatende” . . . . en toch, zelfs te midden van orgieën hunner hartstocht predikers van het hoog gebod, dat de een den ander minnen zal?

Ligt de sleutel ook tot dat mysterie niet in het . . . . Maranatha? |32|

Is de menschheid niet één geheel? Hoort ze niet bijéén? Is niet uit éénen bloede geheel het menschelijk geslacht?

Maar nu zie, waarin vindt die eenheid haar band?

Ik zie de kinderen der menschen bij vijf- en tientallen als gezinnen saâmwonen; ik weet, dat die gezinnen, hoe ook in steden of dorpen verspreid, wederom bij vijf- en tientallen door banden des bloeds en der maagschap saâm verbonden zijn; ik ben lid van een volk en voel als kind van mijn vaderland den band, die mij door het nationaal besef aan dat volk mijner vaderen verbindt, — maar verder gaat de eenheid niet. Naast mijn volk woont een ander volk en ginds weer een andere natie, maar al die volken staan lost naast een, en liggen als de enkele schakels van een verbroken keten gespreid over berg en dal.

Wat dan der arme menschheid ontbreekt, om één te zijn en die eenheid in haar leven te uiten? Wat anders dan een Hoofd? Een enkele, maar boven allen uitnemende, die aan geen enkel volk, aan geen enkel gezin, niet aan een enkele eeuw, maar aan alle geslachten der aarde gelijkelijk toebehoort, aan hen die vóór ons waren, aan ons die thans leven, en aan onze kinderen die komen zullen.

Alleen in zulk een Hoofd kan de menschheid haar eenheid vinden. Want de menschheid, dat zijn niet de beschaafdsten, maar Griek en barbaar saâm. De menschheid, dat zijn niet de rijken alleen, maar beiden, rijk en arm. De menschheid, ze omvat alle natiën en tongen, alle volkeren en geslachten, de patriarchen vóór en de patriarchen na den Zondvloed, en eerst dan put ge den diepen zin van dien schoonen klank „het menschelijk geslacht” uit, zoo ge alle eeuwen |33| saâmvoegt en naar breedte en lengte met uw blik ontsluit al wat mensch op aarde heette.

En die menschheid zoekt een Hoofd!

Maar dan ook zulk Eenen, die even na staat aan de eeuw waarin Abraham zijn tent opsloeg, als aan de eeuw waartoe wij behooren, kind niet van dezen tijd, of den tijd die voorafging, maar kind der eeuwen, zoon niet van het geslacht dat was, maar zoon van alle geslachten saâm, een Zoon der menschheid, of wil men Zoon des menschen.

De aaneenschakeling is licht te overzien.

De kleinste kring vereend in het huisgezin, met tot natuurlijk hoofd den vader des gezins.

De tweede kring verbonden in het volk met tot hoofd den koning.

Maar nu, de derde kring, die alle volkeren saâm omsluit, de menschheid . . . en haar natuurlijk Hoofd . . . Neen, niet uw Caesar, die de natiën slechts voor een deel, slechts voor een korten tijd saâmsnoert door zijn ijzeren vuist . . . Maar wie dan?

En bij dat vragen staren de volkeren elkaâr verlegen en verbijsterd aan, maar vinden geen antwoord.

De menschheid verloor haar Hoofd.

Dat Hoofd is er niet.

Vandaar de innerlijke gisting en ontbinding, waaraan ze ter prooi is.

Ze werd van een levend, bezield, tot krachtige eenheid saâmgesloten lichaam een doode, ziellooze, aan ontbinding ter prooi gelaten romp.

Zoo kwam het dat verwarring de orde des zedelijken levens, afstooting de aaneensluiting verving, of wat hetzelfde is, dat er haat in steê van liefde kwam. |34|

In het levend lichaam zijn alle leden saâmverbonden, trekt het eene lid naar het andere en is er een eenheid des lijdens en des genietens. In het lijk, in den romp, daarentegen scheiden de deelen zich af, trekt alles uiteen, heerscht ontbinding.

Die macht der ontbinding, voor haat en wrok en nijd slechts een andere naam, is den enkelen mensch te sterk. Hij kan er niet tegenop. Het hangt maar niet af van zijn wil, om het leven der liefde en der eenheid te doen terugkeeren. De liefde, die hij mist, inroepen, kan hij: ze dwingen, dat ze kome, niet.

Die innerlijke tegenstrijdigheid benevelt.

Zoo sterk, dat men Gods Woord met zijn „hatende en malkanderen hatende” niet gelooft, en als een verfoeisel een Catechismus wegwerpt, die leeren durft, dat we van nature geneigd zijn elkanderen te haten.

Het is wel zoo. Men ziet het wel aan zijn kinderen. Men merkt het wel op de straten. Men vindt het wel zoo in zijn levensontmoeting . . . en in zijn eigen hart. Maar men durft het niet erkennen. Men wil het niet toegeven. Men droomt liever.

En dan droomt men zich liefst te midden van kinderen der menschen, die van nature elkaâr om ’t zeerst beminnen en wedijveren in toewijding der liefde, . . . met uitzonderingen ja, maar toch met liefde en menschenmin als regel.

o, Spot met dien droom niet!

Voor wie nog buiten Christus staat is die droom weldadig.

Zonder Christus . . . en dan te belijden, dat de mensch zijn broeder haat, niet mint, dat is breken met de menschheid, breken met uw hart, opgaan in den menschenhater. |35|

Eerst wie in zijn droom het roepen hoorde: „Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de dooden, en laat Christus over u lichten!” kan den geloofsmoed vatten, om die ontzettende waarheid onder de oogen te zien, zonder dat zijn hart breekt.

En natuurlijk. Want wie Christus heeft, dien is het raadsel opgelost; dien is de menschheid geen ziellooze romp, geen verwarde chaos meer; die kent haar eenheid, wijl hij haar Hoofd kent, den Zoon des menschen, den Christus.

En als dan toch de strijd der hartstochten om hem woeden blijft en de hartstocht telkens uit de eigen ziel wil losbreken, en de menschheid wroeten blijft in haar ingewand, als moest met inspanning van alle kracht, als moest met haar bloed en tranen het goddelijk schoone woord der Liefde uitgewischt, dan smelten in zijn hart die dissonanten saâm in de profetie, dat toch de Liefde alleen blijven zal, in de beê van het Maranatha, het: Kom, Heere Jezus, ja, kom, gezegend Hoofd der menschheid!

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Er was reeds een komen van Jezus, in schaduwen tot Israël, bij Betblehem in de kribbe: wat dunkt u, heeft in dat voorbereidend komen de liefde niet reeds een schoone triomf gevierd?

Neen, we willen het schoon van Israëls volksbestaan niet dichterlijk kleuren. Beter dan dichterlijke phantaisie is ons het sober proza der heilige historie, het goede ons meldend, maar zonder vergoêlijking van het kwaad. Ook in Israël blijve zonde wat zonde was.

Maar is er toch, vergeleken met den volksstaat der heidenen, in Israëls voIksleven niet een bindende macht der liefde, die u aantrekt en boeit? |36|

Kent ge één volk, waarbij de banden van het huislijk leven nauwer zijn toegehaald, ouders en kinderen, broeders en zusters inniger aan elkaâr verkleefd zijn?

Overtreft het nationale gemeenschapsgevoel bij het Israël in de Diaspora niet zeer verre het besef van volksgemeenschap, waarin de zonen van eenzelfde vaderland kracht zoeken?

Spreekt uit geheel de schildering van Israëls volksleven u niet een onderlinge gehechtheid, een teederheid van toon, een gevoel van onderlinge aanhoorigheid, dat u nog bij het lezen bekoort?

Israël op zijn hooge feesten om Sions tempel vereenigd, getuigt het niet van een nationale eenheid, waarvan ons zelfs het besef nooit bekroop?

En zeg dan, zoo gij diep peilt en diep uw blik laat gaan in den wortel der dingen, waarin anders lag dan de tooverkracht waaraan Israël dien adel ontleende, dan in zijn onwrikbaar Messiasgeloof, zijn profetie, zijn hope van Hem, die als een Menschenzoon komend, alle macht en alle heerschappij ontvangen zou?

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Meer dan in schaduwen kwam die Christus tot Bethlehems kribbe. Het Woord werd vleesch.

De wereld verwierp Hem. Maar in die wereld waren er toch die Hem aanhingen, Hem minden, Hem aanbaden, Hem loofden als hun Hoofd en Heer; en wat meldt men u van die kleine schaar?

Ik vraag niet, wat ze van zichzelven roemden. Evenmin wat liefde en kunst te hunner eer gezongen heeft.

Getuige van hun leven zij de heidenwereld, die vervolgd, uitgestooten, gemarteld heeft, en hoor dan, hoe de geruchten naar het keizerlijk Rome gaan, die |37| berichten van een vreemde secte, die, o zoo zonderling, in het oog van den heiden, zoo misdadig zich aanstelde, maar óók toch daardoor uitblonk, dat ze elkander onderling zoo teeder beminden. Denk aan de Agape, hun liefdemaal, denk, naar Oosterschen trant, aan den heiligen kus! Is het slot der apostolische zendbrieven, is een brief als aan Filémon, niet soms roerend teeder?

Veel van dien luister verbleekte!

Naarmate het Christendom in aantal van belijders won, werd het der wereld meer gelijkvormig en boette het zijn teeder, heilig karakter in.

Toch niet geheel.

Ook nu nog vindt ge onder de gedoopten in den naam des Heeren gezinnen en kringen, wier ademtocht niet meer uit de zelfzucht en den nijd, maar uit een hoogere goddelijke liefde is. Kan dat uw hoop niet verlevendigen?

Al donkerder wordt het om ons heen. Steeds feller blaast de hartstocht. Het schijnt wel, of de broederschap sinds ze in het program der Revolutie werd opgenomen, zich ontheiligd gevoelde en wegvlood van deze aarde.

Wat wanklank bij het lied uit Efrata’s velden!

En toch, alleen dàt lied kon in die donkerheid u staande houden.

Arme menschheid! hoe ge ook ook uiteenspat, toch zijt ge één. Eén in oorsprong, om eens weêr één in den Christus te worden.

Bethlehem kwam reeds, maar ook na Bethlehem toeft nog het groote Maranatha! |38|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004