III. De Engel des Verbonds


In al hun benauwdheden was Hij benauwd en de Engel zijns aangezichts heeft hen behouden.

Jes. 63 : 9. a


Tusschen de profetie van den patriarch, dat de Silo, komen zou, en het komen van dien Silo tot de kribbe van Bethlehem, verliepen zeventien lange, donkere eeuwen, zijn bijna vijftig geslachten van de kinderen der menschen ten grave gedaald. En al die eeuwen is uit het hart van elk dier geslachten de zielskreet van het Maranatha, „Kom, Heere, verschijn, o Messias, verberg uw aangezicht niet, o Redder der menschheid!” met klimmende ontroering opgestegen!

Zonder verhoord te worden?

Zóó, dat geslacht na geslacht wegstierf na al de dagen zijns levens vruchteloos gehoopt, gebeden, geschreid te hebben voor Gods troon?

Bleef het tot Bethlehem het eentonig stil en grauwe vaal van den nacht, de mensch alleen met zijn smart, de ziel geperst tot stervens toe door het alleen dragen van den last des lijdens en de angstige benauwdheid der vertwijfeling?

Kwam er op de vraag: „Wachter! wat is er van |23| den nacht?” dan nooit een andere tegenroep, dan het sombere geklag: „De morgen is nog niet gekomen, en het is nog nacht!

Bleef dan al die jaren, al die eeuwen, de menschheid, Israël vooral, onder den vloed zijner benauwdheden bedolven, begraven in zijn smart?

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Hoor toe. Hij, die in gerechtigheid spreekt en machtig is om te verlossen, antwoordt u: „In al hun benauwdheden was lk benauwd en de Engel mijns aangezichts heeft hen beltouden!

Zoo zijn ze dan niet alléén gelaten in het fel geschokt, driftig jagend, zichzelf niet meer bevredigend hart. Toen de wereld ze begaf en de idealen verbleekten en bij menschen geen trouw of vriendschap meer sprak en ze terugkrompen in het overstelpt gemoed, toen is Messias priesterlijk in hun angsten ingegaan, heeft zich in hun benauwdheden zelf laten beklemmen, en toen de lippen nog het Maranatha stamelden, was het moedeloos eenzaam reeds in de diepte der ziel gebroken. Een Trooster was tot hen ingekeerd, een reiziger om te vernachten!

Dan week het angstgevoel; men was verlost; de benauwdheid liet af; en weêr ruimer, dieper, stiller werd de ademtocht.

Straks verving de psalm des lofs het geroep uit de benardheid der ziel en dan zong men in Israël zoo hartverheffend, zoo schoon:

„Banden des doods hadden mij omvangen, banden der hel omringden mij; maar als mij bang was, riep ik tot den Heere en Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis, en Hij nam mij en trok mij op uit groote wateren!” |24|

Of ook:

„Uit de benauwdheid riep ik tot den Heere, en Hij heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte. De Heere is bij mij, ik zal niet vreezen, wat zal mij een mensch doen?”

Een lied, dat nog de benauwden ook onzes volks verkwikt, als het daarbinnen ook bij ons gefluisterd wordt en met dat fluisteren een wereld van hope voor ons opengaat:

„Ik werd benauwd van alle zijden,

En riep den Heer ootmoedig aan;

De Heer verhoorde mij in ’t lijden

En deed mij in de ruimte gaan.

De Heer is bij mij, ’k zal niet vreezen;

De Heer wil mij getrouw behoên;

Daar God mijn schild en hulp wil wezen,

Wat zou een nietig mensch mij doen?”

De Heer is bij mij! Wie dat jubelen kan, dien is het Maranatha in zijn doodsangst verhoord. Die is niet meer alleen in zijn donkeren kuil, maar in de rouwe van zijn ziel met Jezus en Jezus in zijn benauwdheden met hem.

Daarover dus geen twijfel, of „de Christus in ons” goot ook Israël in die lange eeuwen den balsem van ’t goddelijk medelijden in de wonde waaraan ook hùn menschelijk hart bloeden bleef.

Maar is dat genoeg?

Kan de ziel daarbij leven te midden van haar dood?

In al hùn benauwdheden was Ik benauwd!” is dat het één en al der genade, waarmeê het God-vreezend volk in Israël verkwikt werd?

Wie betwist het, de teedere mystiek van het verborgen |25| leven, dat we met onzen Heiland leven is te schoon, om ze voor „het fijnste goud op aard” te ruilen. Zonder haar is alle vroomheid dor, een vorm onze aanbidding, ons lied stroef en mat. Alleen uit haar vloeien die beken, alleen uit haar wellen die zilveren stroomen, die allen godsdienst frisch, bezield, in vruchten overvloedig maken.

Maar kunt gij er bij leven?

Uw inwendige wereld is toch niet al uw leven, niet waar? En als in dagen van diepgaande smart en zielverbijsterende rouw de onzichtbare hand daarbinnen doende was om het geschokte te stillen, wat verbroken werd te heelen en weêr levenssap van vrede, heilige verheuging en willig berusten te gieten in wat verwelkt was en verdord, — hebt ge dan nooit naar iets uitwendigs getast, de starren nooit aangezien, als om in haar lichtkransen het Teeken van den Zoon des menschen te schouwen; hebt ge dan nooit gegrepen naar uw Bijbel, . . . . of ook hem of haar gezocht in wien iets, iets althans belichaamd scheen van Hem, dien ge uw Trooster noemdet? Dat weêr zoeken van Gods huis, als de eerste storm daarbinnen heeft uitgewoed, dat gretig indrinken van den kalmen indruk der in gebed verzamelde gemeente, dat luisteren met een dubbel oor naar heur zieldoordringend lied, dat weemoedig lust hebben aan de genademiddelen der Sacramenten, zeg het ons, diep gewonde, die de smarten, de duizend dooden des levens kent, was dat zoeken naar iets grijpbaars, dat tasten naar het uitwendige u vreemd?

Harmonie was ook bij u het einde der rouwe. Oók niet de harmonie tusschen de mystiek van het hart en de verkwikking van het oog? De „Christus in ons” |26| en de „Christus voor ons” saâmgevloeid in éénzelfde gestalte, vol van genade en barmhartigheid!

Daarom volgt er in Jesaias Godsspraak op het: „In al hun benauwdheden was Ik benauwd”, nog dat andere: „En de Engel mijns aangezichts heeft hen behouden!

De engelen zijn vriendelijke, geheimzinnige, maar daarom toch zoo aanminnige geesten.

Ze bevolken den hemel en vervullen den hemel der hemelen met hun heirscharen en zweven om den Troon des Almachtigen en doen het lied der eere door alle kreitsen hooren, het „Heilig, heilig, heilig! is de Heere!”

Er is niet een God omhoog en de aarde beneden en wat daar tusschen is een doodsch en gapend ledig. Het is alles in Gods schepping bezield, van leven tintelend, eere gevend Hem, die de fontein is van alle goed.

Dat bezielde, dat levende tusschen God en ons hart nu zijn de engelen. Nu tot ons doordringend, dan zich omfloersend, steeds ons omzwevend, ons altijd nabij. Van ons opklimmend en tot ons nederdalend, geesten van dienst, niet van heerschappij over menschen, om ons uitgezonden, zoo anders de zaligheid onze erfenis werd.

Zijn ze allen op eenmaal, al hun heirscharen door eenzelfde machtwoord geschapen, of ging hun schepping nog voort?

Wie zal hier antwoorden? Kon gissen volstaan, we zouden het laatste meenen. Dit staat vast, dat Hij die ze vóór de morgenstarren schiep, ze ook na den val in Eden scheppen kón. Dit óók, dat hun natuur en aard zich voor den Messias leende, dat Hij zich met hun gestalte vereenzelvigen, hun vorm aannemen, in hen verschijnen kon. Zoo dikwijls het tot dit wonder der Barmhartigheid kwam, verscheen de Engel des aangezichts, |27| dan eens „de Engel des Heeren,” dan die „des Verbonds” genoemd.

Reeds dat was een Maranatha! Een komen van den Heer tot zijn volk. Voorloopig slechts om door een heengaan gevolgd te worden, ijlings weêr afgebroken, maar toch een komen, een verschijnen, een zich openbaren, een hen toespreken, een redden, een troosten. Een vluchtig, even slechts genoten Maranatha, maar niettemin van het groote, volle Maranatha, dat we beiden, heerlijke, zielsterkende profetie!

Nog niet Bethlehem, nog niet de doorluchtige dag die komt, maar toch reeds een inkeeren in de tente dezer wereld, als een reiziger die inkeert, ja om morgen weêr van ons te gaan, maar toch om te vernachten.

Nog niet Bethlehem.

Geen menschwording van den Zone Gods, geen Vleeschwording van het Woord was het nog. Met God één zouden we dan eerst zijn, als Godzelf onze natuur had aangenomen, als onzer één, uitgenomen de zonde, in alles den mensch was gelijk geworden. De hooge, volle eisch is onmiddellijke levensgemeenschap tusschen den hoogen God en het hoogste (al viel het ook het laagst) van zijn schepselen. Dat kwam eerst in den „Godmensch.” Het Kindeke in de kribbe, en toch van het engelenheir in Efrata’s velden goddelijke eer!

Zoolang het daartoe nog niet kwam en het toch daarheen op weg was, onderhield de Jacobsladder de gemeenschap, d.i. zocht en trok de Heer zijn volk door den dienst der engelen. Dienovereenkomstig verschijnt ook de Messias in die dagen als engel, maar als een engel, in wien zich het aangezicht Gods afspiegelde, wiens bijzijn de nabijheid Gods deed ervaren, |28| uit wiens oog als een neêrzien Gods in de ziel drong, en daarom „Engel des aangezichts.”

Uit hem sprak niet de dienende geest der engelen, maar de geest als van een Meerdere, die macht heeft en gebod, de geest als van een die weet aller Heer en Heer van alle ding te zijn, een machtsbesef als de almacht Godes, dienend als de engelen dienen ja, maar ondanks zijn natuur, krachtens zijn wil, door ontferming, uit liefde. En wijl niet de dienende geest der engelen , maar de geest van een, die weet aller Heer te zijn, uit hem sprak, heet hij „Engel des Heeren”. d.i. Engel van Jehova, van Hem die, zijnde wat Hij was en zijn zullend wat Hij is, juist aan dat onwankelbaar zelfgenoegzame zijn heerschersmacht over alles, wat onder de wet der verandering gebonden ligt, ontleent.

En toch troostte hij, toch verschrikte hij niet. Hij kwam niet als een vreemde, maar werd herkend. Zijn macht lag gebonden door zijn eigen woord, door zijn trouw, door zijn genade. Immers Israël had het Verbond ontvangen. Het wist, wat het einde zou zijn. Het was Israël gezegd, dat het op zijn God kon rekenen. Het werk dat Hij doende was, het was aan Israël als een werk der redding, der bevrijding, der zaligmaking geopenbaard. Falen kon het niet. Gods eigen woord was onderpand, ten borg van trouw in een verbond, met zwering van eeden bezegeld. Dat woord waar te maken, die trouw te toonen, die belofte te doen naderen aan haar vervulling, dat verbond uit de sprake der lippen tot een band van hart aan hart, van leven aan leven te maken, was het doel waarmeê de Messias als engel zich aanschouwen liet. Vandaar die andere naam: „Engel des Verbonds.” |29|

En die Engel der heerlijkheid verscheen niet slechts in Israël, maar waakte voor Israël, ook als hij zich terugtrok. Telkens scheen het er onder te gaan, door Israëls schuld, door afval der priesters, door zonde der koningen, door ongerechtigheid in dorp en stad, er onder te gaan door de verleiding der Astherôths en Melachêts, ten onder door den wassenden vloed van de macht der koningen der volkeren, zóó zelfs dat meer en meer die vloed Israël overstroomt, bedelft, eens zelfs wegslaat van zijn erf en het wegwerpt tot achter den Euphraat; en dat het toch niet omkwam, maar gered bleef en verlost werd, niet door eigen levensmoed, niet door vorstelijk beleid, niet door priestertrouw of volksenthousiasme, — maar wijl „de Engel des Aangezichts het heeft behouden.”

Zóó Israël!

Immers een spiegel van uw eigen zielservaren?

Kom, Heere Jezus, Maranatha, schreit het bij elke diepe smart uit uw ziel naar den Hooge!

En neen, dàt volle, dat diepe, dat alles vervullende Maranatha bleef uit. Dat nadert wel, maar toeft toch nog. Aan de wolken blonk het Teeken van den Zoon des Menschen nog niet, en daarom is ook de laatste traan nog niet geschreid.

Maar als de wereld daarom wanen zou, dat ge dus al uw benauwdheid nog alleen gedragen en nog nooit een komen van uw Jezus u tot redding en tot troosting ervaren hadt, dan jubelt het immers ook uit de diepte uwer ziel, Hem tot prijs en dank en eer:

In al mijn benauwdheden was Hij benauwd. Hij, de Engel des Aangezichts, heeft mij behouden!” |30|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004