II. Utopia en Messias


Juda, gij zijt het!

Gen. 49 : 8. a


De volkeren zoeken een iets, een schat, een geluksstaat; Israël een iemand, een hart, een persoon. Hun phantaisie vermeit zich in het schetsen van een Utopia, Israëls zienersblik scherpt zich aan het beeld van den Messias.

Staat Israël daarin niet hooger? Oordeelt Israël daarin de volkeren niet? Laat uw eigen hart getuigen: trilde daarin, bij het hooren van Israëls verwachting, niet de hoogste, de teederste snaar?

Bij het hooren van Utopia trekt een glimlach om uw lippen, reeds bij den klank Messias een glans van geestdrift, bezieling, hope over uw gelaat!

Kon het anders?

Of splitst ge ook in het gemeene leven uw aandoeningen niet in gewaarwordingen van min edele en van edeler soort, al naarmate het een zaak of een persoon was, die u ’t zij afstiet of aantrok?

Is de moederliefde niet heiliger dan de zucht naar opschik en pronk? |14|

Niet edeler de trek, die het hart van man en vrouw verbindt, dan dorst naar schatten?

Staat broederliefde niet hooger dan pratheid op vermaak?

Leent vriendschap niet een beter adel dan macht of eer?

En nu, wat anders vormt bij dit viertal grepen uit het werkelijk leven de tegenstelling, dan dat het edele den persoon zoekt, het lagere een onpersoonlijke zaak?

Zoo iets ons redden kan, dan moet het de Liefde doen. Indien er eenig woord, eenige klank, eenige toon is, die macht heeft ons met al de krachten onzer ziel uit de diepe kameren van ons hart te doen opwaken, de levensdroppelen van een enkel menschenhart met die van anderer hart saâmgevloeid tot een machtigen stroom te doen aanzwellen, die meêsleept wat hij op zijn weg ontmoet, het stof dat ons leven bedekt voor zich doet wegstuiven, het verdorde besproeit, het dorstige lescht en het gelaat der volkeren kan verfrisschen, dat het met nieuwen levensgloed schittert, moet het dan niet de toon der Liefde zijn, die hooge toon, dien geen menschentong in al zijn volheid, geen engelenstem in al zijn zuiverheid halen kan, wijl hij, meer dan al het schepsel, de levenstoon van den Schepper zelven is, de ademtocht des levenden Gods?

Liefde nu, zoekt ze niet juist den persoon? Offert ze haar goud en zilver, haar lust en vreugde niet, om den persoon te bezitten? Is ze niet voor zelfverloochening een andere klank? Gaat ze niet in den dood, om alle schat en goed, alle wereld en haar genot er aan gevend, den persoon te zoeken, te grijpen, vast te houden tot in het eeuwige?

Telkens als in ’s menschen leven het zoeken van den |15| persoon komt, is een tijdperk van ontwikkeling bereikt is er opklimming van een lageren tot een hoogeren toestand.

Het kindeke dat geboren werd zoekt licht en lucht, zoekt een gemakkelijke ligging, zoekt warmte, zoekt de moederborst, — nog niet de moederi Zoo dommelt het en wentelt het zich en kreunt en schreit, tot het lachen gaat, en bij dien lach het oog zich begint te richten en dat oog onder de velen er een enkele zoekt en er een kennis uit de nevelen der onbewustheid opwaakt, een kennen en daarmeê een zoeken van de moeder.

Dan komen de speeljaren, en tol en trom en hobbelpaard stelen ’s knapen hart, tot weêr allengs dat hart zich van het speeltuig naar den speelmakker keert en weer de overgang van de zaak tot het persoonlijke en daarmeê een nieuwe ontwikkeling is volbracht.

Van lieverleê wijkt dan de speelwereld voor de wezenlijke wereld, en wat er in die wereld schittert boeit zijn oog, wat in die wereld rijk en grootsch en machtig is verrukt hem, wat die wereld te genieten geeft wil ook hij genieten, een plaats in die wereld en wat hij er in worden zal is al het overdenken van zijn hart, tot het ook nu weêr van het onpersoonlijke tot het persoonlijke voortschrijdt en al zijn begeerten zich saâmtrekken in het zoeken van een hart, dat hij minnen, van een vrouw die hij de zijne noemen, van een levend, menschelijk wezen, waaraan hij zich wijden, waarvoor hij leven kan.

Zelfs in het huwelijksleven zet zich dezelfde ontwikkeling voort. Hoe hoog ze ook staan, toch mengt zich ook in de huwelijksliefde nog iets zelfzuchtigs, versterkt door de zucht naar bezit van een eigen huis, een eigen |16| haard, een eigen tafel; de kinderlooze jaren van ’t nieuwe leven zijn de beste niet; tot ook hier de cirkel volgetrokken en de liefde voor het persoonlijke weêrgevonden wordt in de vreugd van het moeder worden, door de saâmverbinding van het vader- en moederhart in de liefde voor een ander levend menschelijk wezen, in de zorgende, zich toewijdende, dienende liefde voor hun kroost.

Zoo protesteert het menschelijk leven zelf tegen het zoeken van Utopia en maant en dringt het, dat ons streven en trachten een zoeken van den Persoon zal zijn, een beiden van den Messias.

Ook in het diep verschil, dat tusschen reine en zondige liefde bestaat.

Er is ook bij den man een zoeken van de vrouw, bij de vrouw een zich laten zoeken door den man, dat verlaagt, onteert, verdierlijkt. Waarom? Omdat het een zoeken is van ontuchtige min, waarbij het niet om den persoon maar om zingenot te doen, waarbij de vrouwelijke persoonlijkheid tot een iets, tot een waar, die koopbaar en huurbaar is, tot een speeltuig wordt verlaagd.

In den grond éénzelfde zonde met den gruwel der slavernij; daarom zoo verfoeilijk, daarom zoo den mensch verlagend, wijl ze den persoon voor geld waardeert en neêrtrekt tot een voorwerp van bezit.

Uit den Booze zijn deze dingen, niet uit God.

Men kent de sproke, die uit de heidenwereld in het middeneeuwsche Christendom binnensloop. Er lagen in vergeten, geheimzinnige plekken onnoemlijke schatten verborgen van zilver en goud, van parelen en juweelen. Wie ze ontdekken wilde, had zijn ziel slechts aan |17| Sathan te geven. Van den goudschat kent de Duivel het geheim.

En tegen die sproke van Sathan worstelde het Evangelie van Jezus. Wat het bood was geen schat van goud, maar een Persoon met een hart vol goddelijke liefde. Wie Hem bezitten wou, had zijn ziel slechts Gode te wijden. Van den rijkdom der persoonlijkheid kent alleen Christus het geheim.

Nog eens dus als in de dagen van ouds.

In de middeleeuwen zoekt wat uit de heidenwereld is den schat, wat den doop des Geestes ontving den Persoon. En in de oudheid zoeken de volkeren het goud van Seba, Israël zijn Messias; van meetaf profeteert het, dat zijn Silo komt. Jacob is Israëls stamvader, en leunend op zijn straf getuigt de stervende patriarch: „Juda, gij zijt het!” in dat „gij” al de volheid van het persoonlijke saâmvattend.

Zoo ge wilt, de tegenstelling lag reeds vóór den tijd der patriarchen.

Eva roept in verrukking van haar baren: „Ik heb een man van den Heer gewonnen.” Eva roept „den naam des Heeren aan, en de naam is het persoonlijke.

En daartegenover staat Lamechs streven. Ada en Zilla zijn hem geen vrije personen, maar slavinnen, en zijn kinderen zoeken een gemakkelijke woonstede, zingenot bij het klinken der cymbalen, kunstbereiding der metalen. Naëma, haar naam getuigt het, was niet de vrouw in haar edele persoonlijkheid, maar een wulpsche deern.

Maar is het zoo, dat Israël reeds van meet af den Silo heeft gezocht? Is het niet eerst van lieverleê tot de persoonlijke opvatting van den Messias gekomen? Weet ge dan niet dat het Messiaansch karakter der Silo-profetie door de wetenschap wordt ontkend? |18|

Ook ons kwam het ter ooren.

Lange jaren was de wetenschap onvrij. Ze diende. De tijdgeest was haar meester en trok ze met zich naar het lager peil, waartoe hij zelf zonk.

Het dalen van dien tijdgeest kenmerkte zich juist daardoor, dat niet langer het persoonlijk ideaal van den Messias, maar het wilde fantaisiebeeld van meer genot en hooger macht de volkeren bezielde.

Het menschelijke daalde in den mensch. De menschheid gevoelde haar eenheid niet meer. Ze had dies ook geen behoefte aan een Hoofd der menschheid. Ze ontzonk aan het goddelijk schoon der Messiaansche gedachte en kon dus ook geen Messias meer eeren.

Toen verwierp een deel de Schrift. Dat was het kortst en het eerlijkst.

Maar een ander deel, de macht dier Schrift op de schare nog kennend, wilde in die Schrift zelve het Messiasbeeld verderven, en aantoonen dat het er òf niet òf slechts als min vertrouwbare schets van eigen verbeelding in gevonden werd.

Vandaar de aanval ook op de Silo-profetie.

Die aanval viel licht.

Reeds de oude Rabbijnen hadden, in hun vijandschap tegen den Christus, op alle denkbare en ondenkbare wijzen den Messias uit deze profetie weggenomen.

Hùn voetspoor werd door de godgeleerden, die den tijdgeest hun pen leenden, met voorliefde gedrukt.

Wat wilde men? Leerde u dan Israëls geschiedenis in het tijdperk der Richteren niet, dat Silo een dorp, een stedeke was, in Jozua en Richteren, in Samuël en Koningen herhaaldelijk genoemd?

Welnu? Waarom dan in Gen. 49 : 10 aan iets |19| anders gedacht? Wees toch nuchteren; vertaal: „De scepter zal van Juda niet wijken totdat men te Silo komt,” en immers elke twijfel is weggenomen. Natuurlijk heeft Jacob dit lied niet gezongen, maar is het hem door een lateren zanger, die wist dat de tabernakel te Silo rusten zou, in den mond gelegd. Wat sterker drangreden kon men dan uitdenken, om de schare aan de echtheid van Jacobs profetie te doen gelooven, dan door zelfs met name de plek, het oord te noemen, waar de tabernakel een reeks van jaren toeven zou?

Zoo verleidde men de schare; zelfs menig geloovig prediker meende althans dit klaarblijkelijke te moeten toegeven. Alleen de Kerk der geloovige Gemeente hield stand, niet op wetenschappelijke gronden, maar met richtigen geestelijken tact.

Thans zijn de bakens reeds weêr verzet, en is door mannen van echt wetenschappelijk gehalte op onbetwistbare gronden aangetoond, dat Silo geen plaats kan, maar een persoon moet zijn, niet om bijredenen, maar krachtens den tekst zelf, in verband met Israëls historie en het karakter der profetie.

Wie ze kennen wil, sla ze in de breede commentaren over Jacobs zwanentang na.

Uitvoerig grammaticaal betoog ligt buiten ons bestek.

Maar wat niet buiten ons bestek ligt, is de Gemeente ook in dit voorbeeld te toonen, dat ze wèl doet, zoo ze zich niet met allerlei wind van leering om laat voeren, en evenzoo, dat ze om de uitspattingen der slavendienst doende valsche wetenschap, den adel, de onmisbaarheid, de hooge waardij der vrije wetenschap niet miskenne.

Reeds in het Paradijs was de hope der menschheid |20| gericht op Eén, die uit de vrouw zou geboren worden. Ze viel in zonde. Haar zonde was, dat ze den persoonlijken God uit het oog verloor, en zich bekoren liet door een zaak, door een vrucht, door een iets uit de vele schatten der wereld. Opgericht uit dien val kon ze slechts worden door keuze van het tegenovergestelde: de zaak (d.i. de wereld) prijsgeven voor den persoon. Die persoon werd haar voorgehouden, haar beloofd, haar toegezegd: „Het zaad der vrouw zou overwinnen!”

De zonde verderft, het geloof behoudt de wereld. Wat nu is geloof anders, dan het weêr kiezen van den persoon? Van den persoon alleen? Van den persoon, met prijsgeving van al het onpersoonlijke? „Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen, opdat ik Hem kenne!” Dat is het geloof!

Tot dat geloof aan den Persoon riep de Heere God Almachtig ons reeds op in het Paradijs.

Eva besefte er een eersten aanvang van, toen ze jubelde na heur barenssmarten: „Ik heb een man van den Heer gewonnen!” Enos iets meer, toen het aanroepen begon van „den Naam.” Noach iets naders, toen hij in Sem het heil aanwees; maar doorzichtig werd de sluier eerst, toen God zelf er licht achter wierp in het woord aan Terahs zoon: „In u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden,” en in de wondere schikking „van den Eenige, dien hij liefhad” op Moriah verwisselde met „wat de Heer had voorzien!”

Daaraan nu sloot zich Jacobs zegenspreuk aan: „Juda, Gij zijt het, u zullen uwe broeders loven” en „de scepter zal van Juda niet wijken noch de wetgever van tusschen zijne tanden totdat de Silo, de Vredevorst, de Messias |21| der menschheid komt. Hem zullen de volkeren gehoorzamen!”

Silo, Vredevorst, dat is de Messias in zijn voleinding, afsluitend het schriklijk drama, dat in Gen. 3 : 15 geopend was. „Ik zal vijandschap zetten” is het woord waarmeê dat drama wordt geopend. Silo, de Vredevorst, lost „de vijandschap, die van Godswege gezet is,” in de harmonie der Barmhartigheid en der Heerlijkheid op.

Ook der Heerlijkheid!

Want ook de schepping buiten den mensch jaagt onrustig bij het woelen der elementen en het rusteloos drijven der natuurkrachten, om door de natuurwetten beheerscht te worden, en ruste zal ze eerst dàn vinden, als in den eeuwigen morgen alle strijd der elementen heeft uitgewoed, en het ware schoon in den vrede van het rijk der heerlijkheid aanbreekt.

Ook een Rijk dus. Maar dat rijk van den persoon uitgaande.

Silo eerst. Dan de vrede uit Hem.

Een persoonlijk Messias, maar zulk een, in wien alle schatten verborgen zijn, en uit wien daarom alle schatten vloeien kunnen.

Dat is het tooverwoord waar de toekomst der menschheid, de vrede ook van uw eigen ziel en eigen huis aan hangt.

Dàt gevonden, dàt uitgesproken te hebben is de onvergankelijke roem, waarmeê Israël bekleed is onder de volkeren, of liever nog, waarvoor Hem de dank en de eere zij, die het Israël op de lippen gaf, om het voor de volkeren te spreken. |22|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004