IV. Maranatha

I. Zelfmoord


Totdat Silo komt.

Gen. 49 : 10. a


Er staan donkere bladzijden geschreven in de geschiedenis van het menschelijk hart! Bladzijden, waarop geen enkele straal der hoop meer viel, in verwarde trekken, in het zwartste letterschrift ons verhalend van angst, doodsangst, vertwijfeling, tot het een kuil zonder water beneden, een neêrhangend gewelf van boven, een koperen muur zonder uitgang rondom werd, en uitliep in dat vreeslijke . . . ., dat de nabestaanden verbloemen, maar niettemin een gruwel der zonde, een misdaad blijft voor God.

Sinds men als geesteskrankheid verontschuldigt wat onvoorwaardelijk als een vrucht der zonde moest gebrandmerkt worden, neemt die misdaad hand over hand toe, in verontrustende afmetingen. Noem Frankrijk en volg de klimmende reeks van 3598, 3676, 3415, 3700, 3810, 4189, 3967, 4050, 4454, en ze geeft u de cijfers der zelfmoorden van 1851 tot 1861 gepleegd. In laatste 30 jaren bijna verdubbeld. In het tijdvak |4| van 1836 tot 1840 was het sombere cijfer voor Frankrijk 2500, voor Engeland 967, voor België 183, voor Denemarken 272, voor Noorwegen 133. In het andere tijdvak van 1856-1860 vinden we ruim 4000 voor Frankrijk, 1300 voor Engeland, 220 voor België, 426 voor Denemarken en 145 voor Noorwegen. Ze is veelvuldiger bij den man dan bij de vrouw, in de steden dan op het platteland, bij ongehuwden dan bij gehuwden, sterker, let ook hierop, bij de niet Roomsche dan bij de Roomsche natiën: in Zweden en Noorwegen 126, in Duitschland 106, daarentegen in Italië slechts 20, in Portugal niet meer dan 7 op één millioen inwoners die ten grave dalen.

En wat er toe leidde?

Ziehier de hartverscheurende tabel van een 25000 zelfmoorden, in acht jaren in Frankrijk gepleegd, naar klassen ingedeeld: dronkenschap 2732; huiselijke twist 2600, geldelijke tegenspoed 2764, lichaamslijden 2651, waanzin 7400, drift 745, levenszatheid 951, vrees voor straf 1528, kazernedienst 253, verdriet van anderen 331, na moord op anderen gepleegd 165 . . . ., godsdienstige opwinding 24, de overige onbekend!

Tegenover den zelfmoord als de diepste gedachte eener zondige wereld plaatst de Schrift haar Maranatha!

Beide gaan uit van eenzelfde oordeel over de wereld en ons hart: de zelfmoord om in het stikdonkere van den eeuwigen dood, het Maranatha om in den lichtglans des eeuwigen levens ontkoming te zoeken van wat de ziel tot stikkens toe benauwt.

Maar het uitgangspunt is één.

Bij den zelfmoord als bij het Maranatha de hartverbrijzelende indruk, dat men op de wereld tevergeefs |5| heeft gehoopt, dat er in het zichtbare geen uitkomst meer is, dat we, zooals we daar staan, ellendigen zijn!

Maar van dat diep ontroerend standpunt gaan twee wegen uit. Salomo zegt er van: „De weg des levens is den verstandige naar boven, opdat hij afwijke van de hel, beneden.” Wie aan zichzelf de hand slaat, kiest omgekeerd. Hij wijkt van boven af en zoekt wat beneden is, vernietiging, ontkoming aan zichzelf, al de diepte van den dood.

Judas en Petrus hebben beiden de schrikkelijke diepte der vertwijfeling gevoeld. Ook Petrus had met eeden, met gebaren, met vervloeking zijn Meester verloochend, Maar voor Petrus is er een Maranatha, voor Judas gaat het levenslicht op den Akeldama voor eeuwig onder. Judas geworpen in de diepte van Sathan, Petrus in het choor der Apostelen, als martelaar. gekroond, geloofd door heel de Christenheid, met den Gezalfde des Heeren gezeten in zijnen troon, . . . . en toch, er was een oogenblik dat Petrus en Judas zeer dicht bijeenstonden. Vergeet het niet, ook Judas heeft schuld beleden. „Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed!” En toch, hoewel hij ze met tranen zocht, hij vond geen plaatse des berouws. Hij is een star, die van den hemel valt en in de diepte der zee wordt uitgebluscht. Jona’s zoon niet. Straks op het Pinksterfeest vonkelt hem de vuurvlam des Geestes boven het hoofd.

En waarom we dan toch op beider verwantschap wijzen?

Waarlijk niet om de ziekelijke, onheilige weekheid te stijven, waarmeê men den zelfmoordenaar beklaagt zonder den zelfmoord te veroordeelen. |6|

Daarin spreekt geen liefde, maar liefdeloosheid.

Het strenge oordeel, de onverbiddelijke afkeuring, het onwillekeurig afgrijzen, waarmeê eertijds elke zelfmoord gevonnisd werd, is voor duizenden bij duizenden juist het middel geweest om ze voor zelfmoord te bewaren. De gedachte aan zelfmoord kon toen geen oogenblik in het hart sluipen, zonder aanstonds tegenwicht te vinden in het afgrijzen, het voor God en menschen gruwzame, dat zich van der jeugd af met die gedachte verbond. Thans viel dat weg en daarmeê is de klove van het afschuwelijk en doemwaardige gedempt, die tot dusver menig ellendige van het rampzalig besluit afhield.

Straks reeds wezen we er op, dat in Roomsche landen de zelfmoord het minst voorkomt, het sterkst in de Protestantsche landen, die door het rationalisme verwoest zijn. Dat ligt niet, gelijk men heeft voorgewend, aan het leerstuk der uitverkiezing, want in Luthersche landen is het noodlottig cijfer van 126 tot 90, in Gereformeerde landen van 65 tot 45. Oorzaak is vooral de strenge veroordeeling, waarmeê de publieke opinie in Roomsche landen den zelfmoord nog als misdaad blijft afkeuren. Waar dat strenge oordeel, gelijk in Frankrijk, week, klom het cijfer evenzoo tot 105.

Verre dan ook van dezen zedelijken steun ter voorkoming van zelfmoord in ’t minst te willen verzwakken, wenschen we steeds wat zonde is zonde te blijven noemen en geen oogenblik af te laten, van de strenge eischen, die Gods Majesteit als Schepper ook op de onaanrandbaarheid en onschendbaarheid van ons persoonlijk leven gelden doet.

Een medelijden met den rampzalige, die met eigen |7| hand zijn levensdraad afsneed, heeft met het meêwarig medelijden onzer dagen niets gemeen.

Het medelijden van den Christen rust op het besef van eigen medeplichtigheid. Wie zijn hart kent, weet dat ook in de schuilhoeken van zijn eigen ziel de demonische zaadkorrel ligt, waaruit zoo schuldige misdaad bij hem kon opschieten. Die belijdt ook van dit gebod des Heeren, dat hij er innerlijk reeds voor bezweken is. Die gevoelt zich ook tegenover den zelfmoordenaar niet als een heilige, die zonder zonde is, maar als een medeschuldige, die verre van in eigen kracht te roemen, slechts de bewarende genade van zijn ontfermenden Vader looft, die hem terughield van erger.

Het medelijden van den Christen rust op de waardering van den mensch, die zonder diepe verfoeiing van de zonde ondenkbaar is. Die zoo ver zich vergat en zich zoo ontzaglijk tegen zijn God bezondigde, was één van ons geslacht, mensch als wij; en wat moest ook in zijn hart niet verwoest, verbroken en verbrijzeld worden, eer zelfs de levenstrek in een zoeken naar den dood kon ondergaan!

Het medelijden van den Christen eindelijk rust vooral op de wetenschap, dat ook bij zelfmoord de rampzalige zich bedroog. Hij zocht een uitweg, tot stikkens toe benauwd kon bij het niet meer dragen, de dood zou redding brengenl En zie, in steê van ontkoming te vinden, werpt hij zich in de eeuwige benauwing, zinkt in nog vreeselijker afgrijzen weg en vindt niet het einde, maar opent zich het begin van den jammer en de verschrikking, die eerst door en na den dood met al haar wicht op zijn ineengekrompen ziel zal drukken.

Dat medelijden wordt dus niet verzwakt, maar juist |8| gewekt, door de diepe opvatting van de zonde, die de Schrift ons voorlegt, die de Kerk steeds voortplantte, en die nog dagelijks door de ervaring der verlosten als juist en waar bevestigd wordt.

Ook Gods Woord zegt ons dat er dagen zullen komen, „dat ze den dood zullen zoeken en zullen begeeren te sterven, maar niet zullen vermogen;” en ook de Schrift plaatst dat algemeen verlangen naar zelfvernietiging in den dag van het Maranatha, als bij de komst des Heeren de zonde zal ontdekt worden.

Heuvelen, valt op ons, en bergen, bedekt ons!” is de kreet der vertwijfeling, die bij de komst des Heeren onwillekeurig aan alle ziel zal ontglippen, waarin de stille hoop van het Maranatha niet opging.

We hebben dus recht beide, niet met elkaêr in verband te brengen, maar te beschouwen in dat onderling verband, waarin ze van nature staan.

Er zijn, dit betwisten we niet, tal van menschen, die op aarde nooit tot de diepte des levens doordringen. Bij dezen is noch van zelfmoord noch van een zielverrukkend Maranatha sprake.

Maar er zijn ook anderen, die òf door eigen aanleg, òf door den drang der tijden, òf door bijzonder levenslot, dieper dan de meesten in de verborgen fundamentgangen van den levensbodem der dingen worden ingeleid, en bij dezen komt het, God zij lof! meest tot het Maranatha, zoo niet, dan helaas! tot zelfmoord. Niet door een grillig spel der temperamenten, maar wijl er in de diepten der dingen geen andere keus is dan tusschen leven in Christus of buiten Hem de dood!

Wat dan in beider zielstoestand overeenkomt?

De wereld bevredigt hen niet. Ze hebben geen vrede |9| met hun lot. Ze zien geen redmiddel meer bij menschen. Hun idealen gingen onder. Ze willen van zichzelven af.

Lange jaren hebben ze met de wereld gedweept, aan de wereld hun lust gehad, in die wereld genoten. Ze lachte hun toe. Ze stal hun hart. Ze won hun liefde. Zoo was er tevredenheid en verblijden, bij het drijven op de oppervlakte het leven een argeloos spel.

Hun lot was wel vaak tegenspoedig, eng de weg en distelen op het pad, die schrijnden. Maar dat roofde den moed niet. Wat heden tegenliep, kon morgen keeren. De teleurstelling van het oogenblik kon voorbereiding voor rijker ontplooiing zijn. De wereld was zoo groot, de wereld was zoo rijk. Moed gevat, mijn ziel riep in de ure der smart een veerkrachtige stem daar binnen. Ook al wandelt ge in duisternis, er is een star der hope, die u wenkt . . . . Tot er een breking kwam een slag, die verplette, een onttakeling waarop men niet gerekend had en het luchtkasteel in puin viel, en in de levensmoede klacht: „Dat de Heer mij wegnam!” de vertwijfeling zich uitsprak aan eigen lot.

Dan kwam de beurt aan de idealen. De wereld te eng, het levenslot in droefenis verkeerd, maar toch niet benauwd, want hoog boven die aarde en vrij van dat levenslot tintelde een wereld van idealen, zoo vol zoo rijk, zoo heerlijk, en daarmeê dwepen, daarvoor leven, daarnaar hunkeren, was het ons hart, was het ons leven, was het ons lijden niet waard?

Tot ook dat begaf, en het ideaal al te ijl en de overspanning te onnatuurlijk bleek. Dat putte uit, dat verteerde de krachten. De werkelijkheid hernam haar |10| rechten. Een nevel trok voor dien met starren bezaaiden hemel van ons idealen scheppend, idealen minnend hart. En toen . . . . plofte onze ziel weêr in zichzelf neder. De wereld te eng, ons levenslot bedorven, onze idealen verdwenen! Niets dan ons hart bleef! Hebt ge aan dat hart, aan uzelf, aan uw eigen weemoed en lijden genoeg?

En een tijdlang waandet ge het? Het zelfbehagen, de zelfzucht deed u u in uzelf opsluiten. Wat deed u die wereld? Stondt ge niet boven uw lot? Was het niet wijs, dat dwepen met idealen verleerd te hebben? Waart ge u zelf niet genoeg?

En toen begon het onderzoek van dat ik, waar ge uw heil in zocht, van dat ik, dat eigen ik, dat u als eenige schat restte! . . . En toen ook dat tegenviel, zoo bitter tegenviel, toen er machteloosheid bleek te zijn, waar ge mijnen vol erts hadt vermoed, . . . . toen ja . . . moest het tot een keuze komen. Zoo blijven kon het niet. Niet ik, was het oordeel dat ge over uzelven bracht. Waartoe? Om van het niet ik tot een maar Christus in mij voort te schrijden, of bij het niet ik de lippen te laten verstommen. Zoo het eerste, o geredde ziel, wat anders blonk u dan tegen dan het Maranatha! Indien het laatste, wat anders kon dan het niet ik u raden, dan vernietiging van uzelven, een zelfgezochten dood.

Toch is daarmeê de diepste gedachte, die beide gemeen is, nog niet gepeild. Ontevredenheid met het bestaande, jagen naar iets anders, iets hoogers, iets beters, is de grondtrek van onze natuur.

Eeuw in eeuw uit naderen de profeten der ongoddelijke wijsheid de teleurgestelde menschheid, haar |11| toeroepend: Thans is de steen der wijzen gevonden, breek met uw verleden, volg ons, en uw volkomen geluk komt!

Maar dat geluk komt niet.

Nieuwe teleurstelling komt opnieuw de ijdelheid van het menschelijk pogen staven.

Maar de menschheid houdt vol. Haar hope is onuitroeibaar. En als straks weer een profeet van betere dingen genaakt, vindt ze in haar hart nog altijd levensmoed om weêr te luisteren, en levenkracht om het weêr te beproeven. De mensch moge vertwijfelen, in de menschheid sterft de hope niet.

En waarom het dan toch altijd teleurstelling brengt?

Omdat de mensch niet dorst naar een betere wereld, niet smacht naar een rijker lot, niet met zijn hart uitgaat naar idealen, maar dit alles vereenigd zoekt in een persoon. Het persoonlijk menschenhart zoekt een ander hart. Een wereld, een blij levenslot, idealen, o gewisselijk, ook dat; maar toch, dat alles kan dan eerst zijn ziel verkwikken, als zijn hart in een ander hart, zijn persoonlijk besef in een ander persoonlijk Ieven, zijn ik in een ander ik wegvloeit.

Zoo is het bij den zelfmoordenaar. Alles begeeft hem. Hij ervaart het. De wereld doet het niet, en zijn lot niet, en zijn idealen niet. Zijn eigen persoon, zijn eigen hart, zijn eigen ik is zijn laatsten schuilhoek. En in dien schuilhoek kan hij het alleen niet uithouden. Daarbij breekt hem het hart. Dat brengt hem tot het uiterste.

En nu, zoo is het ook bij het Israël Gods. De wereld geeft het prijs, om zijn lot bekreunt het zich niet van idealen kan het niet leven. Het keert in zichzelven |12| in. Daar alleen komt het tot de schrikkelijkste zielservaring.

En waarom het dan toch niet bezwijkt?

Hoor, in die eenzaamheid van het hart beluistert Israël het woord der belofte: Ge blijft niet alleen, uw Silo komt!

En het wordt gered, behouden door het Maranatha. |13|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004