XII. Vruchten der natuurlijke Godskennis


Verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven Gods.

Efese 4 : 18. a


Zoo bleek ons dan, dat de natuurlijke kennisse van den levenden God, die ook nu nog, buiten het heroïeke middel van de bijzondere Openbaring, zich aan den mensch aanbiedt, verre van gering is te achten. Veel, zeer veel is ook nu nog van God kennelijk, zóóveel, dat het richtsnoer voor ’s menschen gang en pad, ook bij ontstentenis van Gods Woord, niet behoefde te ontbreken.

En toch is het onloochenbaar, dat tot dusver niet één eenig volk, niet één enkel mensch, zonder de openbaring der genade, tot hartverkwikkende kennis van den hoogen God gekomen is.

Steeds hebben onze vaderen beleden, en wij belijden het met hen, dat door de zonde ons geestelijk kenvermogen dermate verzwakt en vervalscht is, dat we, alleen op het licht van natuur, rede en overlevering afgaande, steeds verder van God vervreemd raken, en geen verzekerdheid vinden. |92|

Het blijft buiten Christus een zoeken en tasten, een slooven en slaven, een gissen en vermoeden, een zich inbeelden en zich diets maken, maar tot vastigheid komt het niet. Men loopt in een cirkel om, zonder vooruit te komen. Vrede, troost in leven en in sterven, vindt men niet.

Niemand kan ontkennen, dat er oorspronkelijk in de godsdienstige voorstellingen der heidenwereld veel schoons en waars was. Met het Evangelie in handen is duidelijk in den godsdienst der volkeren nog een spoor te ontdekken van echte overlevering, een naschijnsel van den glans, die eens in het Paradijs geblonken heeft. Maar het noodlot van al deze godsdiensten is, dat ze doodbloeien in steê van tot krachtigen wasdom te komen. Het ware element dat ze oorspronkelijk in zich droegen, wordt verstikt; het onware en ingebeelde verkrijgt de overhand; de band met de consciëntie wordt steeds losser; niet lang meer of de grenslijn tusschen zonde en heiligheid is uitgewischt, en het teedere kiempje, dat in dezen vorm tracht te ontluiken, ontaardt in een woekerende distelplant, waaruit priesterlist en vorstenheerschzucht den tooverdrank bereiden, die hun het volk als willoos en ontzield instrument in handen speelt.

Wel moet toegestemd, dat bij de krachtigste volken de consciëntie tegen dit onwaardig spel in verzet kwam, het betere element weêr in eigen aarde zocht te planten en een doortastende hervorming van godsdienst en zeden beoogde, maar ook deze pogingen, hoe welgemeend ze zijn mochten, liepen teniet. Wat Buddha voor Azië en Plato voor Europa deed heeft ongetwijfeld aanspraak op waardeering. Reeds onze Hervormers zagen |93| in, dat het niet aangaat, deze uitnemende mannen uit de hoogte te veroordeelen. Veeleer erkenden ze, dat in deze betere genieën de spranken van hooger licht zich afzonderden van het zinneloos en redeloos bijgeloof, eerden ze hun optreden als sterk sprekende bewijzen, dat ook de volkeren der heidenwereld aan de leiding Gods niet onttrokken waren; en aarzelden ze niet, openlijk uit te spreken, dat de heerlijke denkbeelden, door deze mannen te boek gesteld, soms een voorspel schijnen van het lied der Ontferming, dat Christus onze verlorene wereld toezong. En toch, wat baatte hun woord? Bleek het niet telkens, dat het de kracht miste om tot God op te leiden, het menschenhart gezond te maken, de ziel te troosten en goddelijken invloed te brengen in huis en maatschappij? Plato’s volgelingen verkwisten en verspelen het gouden kleinood, dat hij hun bood. Men behoeft Indië slechts met Engeland te vergelijken, om den onmetelijken afstand te gevoelen tussehen wat Buddha van zijn Hindovolken en Christus, onze Koning, van zijn gedoopte natiën maakte!

Om ons heen herhaalt zich hetzelfde verschijnsel. De openbaring Gods in het menschenhart is nu wat ze was in Mozes’ dagen. De natuur is niet veranderd. De leerschool der geschiedenis is oneindig rijker geworden. De zedelijke wereldorde is doorzichtiger dan ooit. Het veld der natuurlijke Godskennis is eer uitgebreid dan ingekrompen. En zie nu eens, hoe het hun vergaat, die zich in onze dagen van de Openbaring des Woords afsluiten!

Eerst schijnt het of het hun werkelijk gelukken zal tot den bouw van een heerlijken tempel te geraken. |94| Ze hebben nog eenige vastigheid, waarop ze staan. Ze spreken woorden, die door de ziel dringen. Er is geestdrift in hun oog. Adel des geestes spreekt van hun lippen. Maar hoe kort houden zij het vol! Wat brokkelen de muren, die ze een eindweegs optrokken, spoedig af; wat valt het hun moeielijk, ook maar een korte wijle hun hooger standpunt te bewaren! En dan, wordt al hun streven en peinzen als een ijs dat losraakte op den snel vlietenden stroom. Stelsel na stelsel komt op. Geen dat zich in een langeren bloei dan van een tiental jaren verheugen mag. Dan ontaardt hun geestdrift in een valschen gloed. Hun toon daalt. Het edele in hun optreden wordt al minder. Spoorslags gaan ze achteruit. Eenige klanken van vromen zin zijn niet langer in staat de innerlijke leêgte te verbergen. Alle kennis gaat te loor. In twijfel gaan ze onder. Dan deelt zich de schare, en dan ziet ge den grooten hoop aan allen godsdienst den rug toekeeren, een kleiner deel zich terugtrekken in de kille vertrekken der wijsbegeerte, en hoogstens nog een kleine schare van kerkelijke personen en kerkelijk gezinden vasthouden aan een in beginsel godsdienstig streven, dat, tot Tantalusarbeid gedoemd, zijn beste oogenblikken doorleeft, als het met heimwee terugziet naar de tente des kinderlijken geloofs, die het ontvluchtte.

Eigen, persoonlijke ervaring leidde tot dezelfde uitkomst. Aandoenlijk was het nog onlangs in Guizots testament de ootmoedige bekentenis te lezen van de bittere teleurstelling , die hij met zijn afzwerven van Gods Woord had ingeoogst. Dat zijn getuigenis waarde heeft, springt in het oog. Een man, die door voor- en tegenstander om het zeerst als uitstekend genie, als uitnemend |95| geleerde, als beleidvol staatsman en edel karakter geprezen wordt; een schrijver van naam zooals weinigen, een sieraad van Frankrijks letterkunde, een krachtige figuur, die een halve eeuw in de hoogste staatsambten zijn vaderland diende, de lotgevallen van Frankrijk en daarmeê van Europa beheerschte, is een te zeldzame verschijning, om niet te rekenen met de bevinding van zijn hart. En zie, deze zeldzame man roept van zijn sterfbed de Christennatiën toe, dat hij ook eens gemeend had buiten Gods Woord en zijne genade in Christus de ware wijsheid, de echte kracht te zullen vinden, maar dat zijn wijsheid dwaasheid bleek, en dat toen eerst de rustige kracht, de stille vrede, de hoogere levensenergie in hem is teruggekeerd, toen hijzelf teruggekeerd was tot zijn ouden Bijbel en aan den voet van het kruis van Golgotha ontferming en genade gevonden had.

Op die heerlijke belijdenis geeft elk hart, dat afdoolde en terugkeerde, een vollen weêrklank. Schier niemand die thans in het belijden van den Christus zijn zaligheid vindt, of hij heeft de dagen gekend, toen hij Gods Woord met wantrouwen aanzag en luisterde naar de verleidelijke stem! Beproef het zonder dat Woord met uw dorst naar kennis en streven naar deugd! En eerst scheen dat een opleven, eerst scheen het zijpad goed gekozen, en werden werkelijk dagen doorleefd, dat de polsslag der ziel hooger sloeg. Maar hoe ras bleek het zelfbegoocheling, vrucht van overspanning, bedrieglijke illusie; en wie dankt niet nog zijn God voor dat onuitsprekelijk teedere en zalige, dat zijn ziel doorstroomde, toen hij het eindelijk opgaf en weêr de liefde van zijn Heiland genoot? |96|

Waar ligt dit aan?

Daaraan, dat God zich niet te aanschouwen geeft? Of daaraan, dat ons gezichtsvermogen te zwak is, om op te merken wat van God kennelijk is?

Stellig aan het laatste, en in niets komt de ellende der zonde zoo smadelijk uit, als in die verstomptheid van onzen geest, die blindheid van ons zielsoog, die onaandoenlijkheid van ons kenvekmogen, om waar te nemen, te vatten en te doorzien wat er van God kennelijk is in zijn werken.

Dat ligt niet aan wat wij zwakheid van vermogens, stompheid of onbevattelijkheid noemen, want juist bij de ontwikkeldsten van ons geslacht, bij de diepzinnigste geleerden, bij de begaafdste mannen is die verblinding van het zielsoog vaak het sterkst. Zalig zijn de armen van geest, sprak Jezus, en de dagelijksche ervaring bevestigt het ons nog gedurig, hoe uiterst moeielijk de herstelling van dit geestelijk gezichtsvermogen juist bij de rijken van geest valt.

Het is de zonde, die dezen sluier over onze ziel trekt, ons eerst blinddoekt en dan voortstuwt, en haar toeleg voleind heeft, als we, ’t niet bespeurende, regelrecht op den rand toeloopen, waar de afgrond zich opent en niets of niemand ons meer kan tegenhouden.

Vraagt ge, waartoe ons dan die valsche prikkel van de natuurlijke Godskennis gegeven werd; of het dan niet juist dat halve licht is, dat ons oog aftrekt van het volle licht des Woords; of niet menigeen, die nu afdoolt, zich ijlings tot den Christus zou keeren, indien dat schijnsel Gods in zijn werken hem niet aftrok? o, Zeer zeker, dan doet ge een snaar trillen, die in geen menschenhart onbespeeld bleef, maar werpt ge tevens |97| een bedenking op, die niet uit het geloof is, maar uit de zonde.

„Opdat ze niet zouden te verontschuldigen zijn,” liet God dat schijnsel in zijn werken uitgaan, en gij, dit omkeerend, zoekt er juist een vrijbrief, een verontschuldiging aan te ontleenen!

Maar is er dan een komen tot Christus denkbaar, zonder kennis van de diepte der zonde? En is het dan niet juist in die verduistering van het verstand, dat de zonde zich het scherpst teekent? Is niet de zonde door zucht naar zelfverworven kennis ontstaan? Was niet de taal van den verleider: „Gij zult als God zijn, kennende het goed en het kwaad?” En is er dan iets, dat zooveel aan onzen hoogmoed kost, ons ingebeeld besef' van zelfgenoegzaamheid zoo smadelijk ten toon stelt, ons zoo diep vernedert en in ons zelven afbreekt, als de overweldigende ervaring, dat we, niettegenstaande het licht van alle kanten schijnt en door onze vensteren valt, toch nooit goed, nooit juist kunnen zien en ons altijd vergissen?

Welnu, die kostelijke vrucht der zelfvernedering en verootmoediging zoudt ge nooit inoogsten, indien God zich niet zoo klaarlijk openbaarde in zijn werken. Dan zou de zondaar de schuld op God werpen, zeggende: Hoe zal ik Hem zien, indien Hij zich verbergt? Er zou rust in de zonde zijn, niet slechts voor den verstokten,zondaar, die zich in zijn hoogmoed heeft opgesloten, maar rust als regel, voor elken zondaar, bij de eerste en de laatste zonde, rust in het leven buiten God.

Tweede vrucht dier natuurlijke Godskennis is, dat ze voor de noodzakelijkheid en onmisbaarheid eener |98| bijzondere Openbaring bewijs levert. Ze toont dat men verder moet en toch zonder hulp van buiten niet verder kan. Ze legt dengenen, die God zoeken, de bede op de lippen: Heer! ontdek mij het oog, opdat ik U aanschouwe, toon mij uw licht, opdat mijn oogen inzien in uw heerlijkheid!

Haar derde vrucht is dat ze aan Gods bijzondere Openbaring het terrein biedt, waarop ze haar wonderen toonen zal. Denk u de natuurlijke Godskennis bij de verdrevenen uit het Paradijs, bij Noach en de Patriarchen weg, en de bijzondere Openbaring is ondenkbaar. Steeds gaat ze uit van het vele, dat reeds van God in zijn werken kennelijk is, sluit zich daaraan aan, spint daaruit verder en beweegt zich steeds op dat geëffend terrein, dat reeds in de Openbaring in Gods werken gereed ligt. Bij Job en in de Spreuken moge dit het sterkst uitkomen, maar ook bij David en al de Profeten keert dit verschijnsel onveranderlijk terug. Slechts bij de Farizeeën was het onkenbaar geworden.

Vierde vrucht is, dat ze de geschiktheid om de bijzondere Openbaring te ontvangen in stelligen zin voorbereidt. Paulus wendt zich tot de heidenen, niet om ze eerst de school van Israël te laten doorloopen, maar om het zaad des Woords in den akker te strooien, gelijk die door de natuurlijke Godskennis was toebereid. Het groote vraagstuk dat de eerste Christenen verdeelde, of de heidenen moesten besneden worden, gold deze ernstige waarheid. Dat het Woord, naar luid van Johannes’ proloog, in de wereld werkte, is door Paulus’ optreden als eene der diepste verborgenheden gehandhaafd.

Eindelijk, waar de bijzondere Openbaring komt, heeft |99| de natuurlijke Godskennis niet afgedaan, maar eerst daar toont ze haar volle waardij. Een Christen is geen kluizenaar, die buiten de wereld staat. De Christelijke Kerk is geen klooster, om zich van de menschheid en het menschelijke af te sluiten. Het oog wordt geopend en meer wordt te zien gegeven, maar wat men te zien krijgt is dezelfde waarheid van denzelfden levenden God, die ook in zijn werken zich openbaarde. |100|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004