X. De eisch van het gemoedsleven


Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen.

Joh. 1 : 11. a


Zedelijkheid en Godsdienst zijn niet hetzelfde. Ge kunt als inwoner of dienstbode langen tijd in iemands huis verkeeren, dat ge u stiptelijk voegt naar de gewoonten en verordeningen, de regels en levensgebruiken van het gezin, dat u opnam, maar zonder dat gij ooit het hart der huisgenooten of zij het uwe wonnen, zonder dat een persoonlijke betrekking van vertrouwen ontstond of een hartelijke gehechtheid geboren werd. En zoo nu is het in de groote huishouding van Gods menschenwereld ook. Ge kunt, zelfs uit hooger beginsel van plichtsbesef, in uw kring en uw omgeving, in dat deel van de huishouding Gods, waar gij geplaatst zijt, den hoogen God zoeken te dienen, door met stipte nauwgezetbeid te vragen naar zijn ordinantiën, u uw recht en bezit en goed en genot door Hem te laten toemeten en nauwkeurig te letten op elken eisch des zedelijken levens, zelfs in den teederder zin van dat woord, zonder dat er toch ooit |80| een omgang des vertrouwens tusschen u en uwen God ontstaan is, zonder dat Hij uw hart won of gij een hart voor uw God kreegt; terwijl alle inniger betrekking en persoonlijke ontsluiting des harten bleef afgesneden, kortom, terwijl er wel plichtsbetrachting uit vreeze, om loon of uit hoogmoed was, maar geen liefde, geen genegenheid der ziele, geen teeder worden des harten ontlook. Dan bleeft ge knecht in het huis van uw Heer, maar werdt geen kind in het huis van uw Vader. Dan bleeft gij en God twee, met tegenstrijdige belangen, afgezonderd in uw levensuiting, schijnbaar de rebellie overwonnen, maar slechts onder de ijskoude koelheid van uw innerlijk leven bedekt. Wilt ge, dan was er een streven naar zedelijkheid, maar kwam het tot den godsdienst des harten bij u niet.

Misverstand zij hier buitengesloten.

Vaak stelt men het voor, alsof dit lager karakter van het zedelijk leven wel doorging bij den knecht der wet, die waant zijn plicht volbracht te hebben, als hij slechts de uitwendige geboden houdt, zonder zich om den dieperen zin dier geboden te bekommeren, maar niet van toepassing was op den man van edeler geest, die, naar uitwendige geboden nauwlijks vragend, slechts door de hoogere beginselen van zelfverloochening, zelfbeheersching en zelfvolmaking zich regeeren laat.

Die onderscheiding verwerpen we.

Wèl geven we toe, dat het laatste van krachtiger geestesontwikkeling getuigt, maar of een schadelijke plant een dwerg onder de brandnetels blijft of opschiet tot, een reusachtigen distel, verandert niets aan haar aard. En evenzoo, of iemand zijn grootheid zoekt in de opvolging van een klein aantal geboden, dan wel in |81| de getrouwheid aan een zedelijk beginsel, dat zijn gebod in telkens nieuwe vormen schrijft, verandert niets aan den aard van zijn plichtsbesef. De eerste is als de vreemdeling, die angstvallig op zijn reiskaart den loop der straten en grachten naspeurt, de laatste als de inwoner, die, afgaande op zijn algemeene kennis van de ligging der stad, zelf elk oogenblik, zonder kaart of plattegrond, zijn richting bepaalt, maar in den grond doen beiden hetzelfde.

Gevolg hiervan is dan ook, dat zelfgenoegzaamheid, hooge dunk van eigen deugd, zelfs al kiest die hoogmoed een nederigen vorm om zich te uiten, vast kenmerk blijft van dezen handel in zedelijkheidsbegrippen, ’tzij men dien handel op kleiner schaal naar vast tarief of in grooter afmetingen naar wisselenden maatstaf drijft.

Zulk een zedelijkheid te kweeken met terzijzetting van elk geloof, met afsnijding van elk godsdienstig beginsel, is zeer wel mogelijk.

Men verkrijgt dan een dressuur, een africhten in het gareel, een leeren van de handgrepen; beschaaft metterdaad den uitwendigen levensvorm en bereikt in hooge mate den uitwendigen tooi van het fatsoen, — maar zedelijke kracht wordt niet gewekt, de innerlijke drijfkracht des zedelijken levens niet geboren.

Daartoe heeft ook het zedelijk leven een wortel noodig, en dien wortel vindt het niet in zichzelf, maar alleen in het geloof. Hieruit volgt vanzelf, dat waarachtige godsvrucht tot kweeking van zedelijk leven moet leiden, maar ook, dat het geloof niet als met een tooverslag geheel het zedelijk leven hervormen en herstellen kan. Lang, zeer lang, meest tot aan ons sterven, blijft het |82| een dubbele levensbeweging in ons, eenerzijds het geloof dat alleen God zoekt, en anderzijds het zedelijk leven dat naar regel op regel meet. De oogenblikken, dat geloof en zedelijk leven volkomen saâmvallen, dat wij alleen om geloof denken en het zedelijk leven er is en schittert, gelijk de starren flonkeren, d.i. zonder het zelf te weten, zijn zeldzaam, keeren niet spoedig terug en zijn vrucht minder van eigenwillige inspanning, dan van wonderbare leidingen Gods. Wèl hem, die niet die enkele bloemkens op zijn levensweg, nadat ze ontloken zijn, weêr knakt, door er zichzelf op te verheffen!

Daarnaast staat nu het gemoedsleven, een persoonlijk omgaan met het hoogste persoonlijk en volheilig Wezen, een verborgen omgang met den levenden God. Voor dat leven is het onverschillig, of er nog iets anders buiten ons bestaat. Indien God slechts leeft en onze ziel weet dat Hij er is, weet waar Hij is, den weg kent die tot Hem leidt, in zijn tegenwoordigheid naderen, tot Hem spreken, zijn woord beluisteren, zijn blik opvangen, aan zijn hart rusten mag, is dat innerlijk leven mogelijk, kan het werken en bloeit het op.

Dat leven is geen plichtsbetrachting, maar een leven der vriendschap en der liefde, der teederste gemeenschap en des innigsten vertrouwens. Naar regels en naar ordeningen vraagt het niet. Het kan slechts de gescheidenheid, het alleen zijn, niet uithouden. Het sterft, of kwijnt althans, als het zijn God uit het oog verloor. Verlatenheid is voor dat leven de dood, verstooten te zijn de diep schreiende smart, waarin het zichzelf verteert. Nabij God te zijn is de eenige voorwaarde, die het niet prijs kan geven. Mits die voorwaarde vervuld zij, heeft het kracht om alles te dragen. Het is een |83| leven, wonderbaar in zijn natuur, steeds zich verbergend en schuil houdend en zich terugtrekkend in het geheimzinnige. Het kan zingen, het kan jubelen, het kan bidden, het kan weenen, maar in klare woorden zijn bevinding uitspreken kan het niet.

Het leeft van neigingen en bewegingen, die in de wereld als onnutte bijzaak gelden. Bewondering is zijn ademtocht, stil ontzag de aanraking, die het van zijn God ervaart, eerbiedenis zijn innerlijk vermaak. Ootmoed en zichzelf wegwerpende nederigheid is de springveêr, waardoor het wordt opgeheven. Het hangt aan woorden noch aan daden, maar zwelt en tintelt in dieper levensbodem, om straks beî het woord en de daad te bezielen. Het mint, maar kan u niet ontleden wat liefde is. Het oneindige is zijn element, het eeuwige zijn heirweg, zijn wereld is waar zijn God is; een wandel boven in de hemelen.

Dit diepste leven van ’s menschen natuur is het eenige, waarbij hij mensch in hoogeren zin wordt. Met de natuur kan hij zijn verhouding regelen, zonder boven de heerschappij van dierlijke drift uit te komen. Evenzoo kan hij op zedelijk terrein zijn verhouding regelen tot zijn medemenschen, in gezin en maatschappij en Staat, zonder tot den eeuwigen grond van zijn bestaan door te dringen. Eerst door zijn persoonlijke verhouding met God opent zich voor hem de wereld. der oneindige dingen, zijn eeuwig aanzijn, de hoogste trap van gelukzaligheid, waarop zijn wezen als mensch is aangelegd.

Nu kan echter de natuurlijke Godskennis bij den zondaar niet verder komen, dan tot het uitspreken en erkennen van den eisch, dat zulk een persoonlijke omgang met God voor hem bestaan moet en onmisbaar is |84| om de eeuwige onvergankelijke krachten van het menschelijk wezen in hem te doen werken. Maar dien persoonlijken omgang in het leven roepen, tot die verborgen gemeenschap doordringen kan hij niet. Dit brengt hem voor drieërlei keus. Balsturig kan hij zich keeren tegen dien hemel, die voor hem gesloten is, en zijn hart doen opgaan in het zichtbare. Hoogmoedig kan hij achter het zedelijke leven een slagboom doen vallen, en allen godsdienst afsnijden. Of ook, hij kan overmoedig zich diets maken, dat het gebrek door hemzelf is aan te vullen, en dusdoende vervallen in afgoderij.

Het eerste deed en doet nog de zinlijke mensch, die in het streelen van zijn zinlijke neigingen, in zelfzucht, brooddronkenheid, wellust en genotzucht opgaat.

Het tweede deed en doet nog de man en vrouw, die, den eernaam van ordelijk, beschaafd en fatsoenlijk mensch het hoogste stellend, ter wereld niet weten, wat hun nog ontbreken zou, en zich ’tzij onverschillig van allen godsdienst af keeren, ’tzij vijandig hem bestrijden.

Het derde deed en doet nog de mensch die een natuurlijk element van geestdrift en dweepzucht in zich heeft en wil noch kan toegeven, dat het hem onmogelijk zou zijn, ook dien innerlijken eisch van zijn gemoedsleven te bevredigen.

Er is niets nieuws onder de zon. De vormen mogen wisselen, maar de grondtrekken van ’s menschen levensuiting blijven één.

In vroeger en later eeuw vond men den zinlijken trek het sterkst sprekend op den leeftijd van 18 tot 30 jaren en bij menschen van sanguïnisch temperament. Men leefde in Babel en te Athene gelijk men thans in Berlijn en Parijs leeft. Zingenot was het doel van het leven. |85|

En evenzoo vindt men den Stoïcijn van vroeger eeuwen thans terug in den eigengerechtigen mensch, die een reputatie te verliezen heeft, alles doet om anderen een goeden dunk van zich te geven en zijn hoogste levensdoel bereikt acht, indien het hem gelukt, bij zijn omgeving als onberispelijk van gedrag, vriendelijk van humeur, fatsoenlijk in de vormen en ontwikkeld van geest bekend te staan. Vooral aan den manlijken leeftijd en het cholerisch temperament is deze levensvorm eigen.

Maar ook op gelijke wijze als vroeger, zoekt een ander deel der menschheid thans afleiding in afgoderij. Vooral op zeer jeugdigen en op ouden leeftijd, ’t sterkst bij dwepende naturen, doet zich dit verschijnsel voor. Wat men eertijds als godin Fortuin aanbad, is thans de aanbidding van het geluk, van beursspel en kansberekening. Minerva is weêr opgestaan in den fetischdienst van het genie. Venus is de aanbidding van het schoone. Mercurius is het dwepen met materiëele welvaart. Men spreekt thans van zijn Ideaal, van de Publieke Opinie, van den Tijdgeest en gelijksoortige machten, als van heerschende geesten, wier invloed stellig niet minder is, dan eertijds de invloed der afgodsbeelden was.

Voldoening voor de eischen van het innerlijk gemoedsleven door eigen vinding uit te denken was daarbij eertijds, gelijk het nog is, de leidende kracht. Men zocht gemeenschap met de wereld der oneindige dingen. Vandaar de hooge roep, waarin de orakels van Delphi en Egypte stonden. Vandaar de heiligheid, die aan de priesters, als organen der godheid, werd toegekend. In hen, als plaatsvervangers van het Ongekende Wezen en gerechtigd om in naam der godheid te spreken, |86| meende men metterdaad terug te hebben gevonden wat men, door zijn afsnijding van het leven Gods, verloren had.

Zoo ziet men ook thans weêr een deel der menschheid, dat reeds bij millioenen telt, door Mesmerisme en Spiritisme gemeenschap met het onzichtbare zoeken en acht het grooter deel der gedoopte Christenheid in Romes kerk, metterdaad in den priester, het middel te bezitten, om in rechtstreeksche gemeenschap met het goddelijke te treden. De onfeilbaarverklaring van den paus sproot uit geen andere zucht, dan om de rechtstreeksche gemeenschap met het goddelijke Wezen te herstellen.

De toestand, waarin de zondaar verkeert, is derhalve deze: dat hij, door God zelf in onrust gebracht, behoefte gevoelt aan gemeenschap, maar òf aan die behoefte in zondigen trotg het zwijgen oplegt, òf in overmoed zichzelf in staat waant om die behoefte te bevredigen.

Hij kan God niet verstaan, want door de zonde is bij van Hem afgescheiden; hij kan evenmin tot God spreken, want hij kent God niet, weet niet waar Hij is en hoe hij tot Hem zou moeten naderen, en kan dus metterdaad, aan zichzelf overgelaten, slechts hoogmoedig of overmoedig worden, tenzij hij zijn eigen ziel verbrijzelen en verbreken wil.

Daartoe nu is reeds genade noodig. Reeds genade, om op dat onhoudbaar standpunt eigen schuld in te zien en zijn onmacht te belijden.

Dat de overlevering hiertoe meewerkt ontkennen we niet. Maar dat die overlevering stand hield en ons bereikte en onze ziel niet afstiet, maar aantrok, is reeds zonder genade ondenkbaar.

Toch zou die genade geen ander gevolg kunnen |87| hebben, dan dat ze den zondaar in de armen van de wanhoop wierp.

Daarvoor kan hem slechts één feit bewaren. Indien hij verneemt, dat God van zijn zijde de doodsche stilte verbroken, en gesproken heeft, eerst door de profeten, nu door den Zoon.

Dat spreken Gods is de eerste lichtstraal in den nacht der ziel, die Gods verborgen omgang derft en haar toch niet missen kan. |88|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004