IX. Het finaal bankeroet


Het is mij goed, nabij God te wezen.

Psalm 73 : 28. a


Zoo hebben we dan achtereenvolgens de drie levenskringen bezien, die ons Godsbesef versterken kunnen: de natuur, het zedelijk leven en de overlevering. Ze voeden het Godsbesef, maar vallen er niet meê saâm.

Het Godsbesef is met ons aanzijn zelf gegeven. Ook zonder dat we nog de minste onderscheiding maken van wat is of om ons leeft, is het in ons binnenste aanwezig. Reeds als menschen zijn we zonder dat Godsbesef ondenkbaar. We zijn er, we bestaan, me leven, en nu van tweeën één: òf we voelen den grond van ons aanzijn in onzen eigen persoon, òf we vinden dien in ons zelven niet en weten dus dat die grond van ons aanzijn buiten ons ligt.

Ondenkbaar is het eerste niet. Feitelijk bestaat de zonde in niets anders dan in de poging, om den grond van zijn aanzijn in, zichzelf te zoeken, in zichzelf te bestaan, van niemand afhankelijk, zichzelf genoegzaam, als God te zijn. Alle zelfzucht en hoogmoed komt |71| onmiddellijk uit dat pogen voort. De meesten mogen de geestkracht niet hebben, om in dat zondig pogen ten einde toe door te gaan en dus terugdeinzen van de verwatenheid, waartoe het voort, toch is dit slechts een halfheid, die aan het karakter der zonde niets verandert en nooit als verontschuldiging dienen kan. Zoek ik den grond van mijn aanzijn in mijzelven, dan moet ik er toe komen, om mij boven al wat om mij is te verheffen; dan kan ik niet rusten, eer ik het aan mij onderworpen heb en mijzelven als een God, dien alles dienen moet en wien alles toebehoort, aanbid. Heerschzucht, zelfzucht, overmoed, dwingelandij zijn dan niet te bannen noch te bezweren en moeten veeleer mijn gedragslijn regelen, tot ik eindelijk uit die ingebeelde wereld in de werkelijkheid terugkeer. Vind ik dan in die werkelijkheid, dat ik aan de macht der natuur schier niets veranderen kan, dat de natuur bestaat en werkt, onafhankelijk van mijn goedvinden, of ik het wil of niet, en word ik dus wel gedwongen het bestaan van een veel grooter macht buiten mij te erkennen, dan eindig ik met in die natuur iets hoogers te vinden dan ik zelf ben, mijn uitnemendheid boven die natuur, die ik als mensch heb, weg te werpen, het stoffelijke en zinnelijke boven het geestelijke te stellen en bij eerste instantie in zingenot levensgeluk, in verdierlijking eere te zoeken, om straks bij tweede instantie materialist van professie te worden, mijn denken, mijn gevoelen, mijn zedelijk leven zelfs, uit eigenschappen van de stof af te leiden, en ten slotte zelfbehagen te vinden in een stelsel als dat van Darwin, dat den oorsprong van den mensch in het dier, gelijk van het dier in de plant en van de plant in het stof zoekt. |72|

Verweer hiertegen ligt uitsluitend in het Godsbesef, d.i. in het niet onderdrukken van de aandoening, hoe geheimzinnig en onbepaald ook, die we van Gods alomtegenwoordige macht in den diepsten grond van ons wezen ervaren.

Het onderdrukken van die aandoening valt het lichtst in den gewonen sleur des levens, het moeilijkst in oogenblikken van ernstige levenservaring. In den gewonen levenssleur het lichtst, wijl we dan in de oppervlakte leven en met den dieperen grond van ons wezen niet rekenen. Bij ernstige levenservaring het moeilijkst, wijl dan de grond van ons wezen in ons wordt omgewoeld en daardoor die aandoening van Gods alomtegenwoordigheid vanzelf waarneembaar wordt.

Tot het onderdrukken van die aandoening is wilskracht en opzettelijke toeleg noodig. Alleen aan zeer sterke geesten gelukt het, steeds en overal tegen het uitkomen van die aandoening op hun hoede te zijn. De meesten verraden, ondanks hun voorgewende Godloochening, zich in onbewaakte oogenblikken van diepgaande smart, heftigen toorn of overstelpend geluk, terstond. Zelfs de moeite, die ze zich geven, om, met terzijzetting van God, een grond voor hun aanzijn buiten zichzelven te zoeken, getuigt, dat een innerlijk besef hen drijft.

Met dat Godsbesef treedt de mensch nu in de wereld op en vindt daarin zichtbare en onzichtbare dingen. Die zichtbare wereld noemen we de natuur. Haar macht is deels verre boven de zijne en toch weêr in menig opzicht aan hem onderworpen. Hij kan dus haar macht niet als het hoogste erkennen, vindt veeleer telkens, dat ook zij afhankelijk is en door een wil buiten haar geleid wordt. Zoo brengt hij die macht die zich in ’t hart, |73| en die macht die zich in de natuur openbaart, met elkaâr in verband, en kan zich aan den indruk niet ontworstelen, dat het eenzelfde macht is, die zich van binnen in de ziel door het Godsbesef en van buiten in de natuur als boven zichzelven en haar staande openbaart.

Maar hij komt ook met een gansche wereld van onzichtbare dingen in aanraking, die met die natuur niets gemeen hebben. Liefde en plicht, haat en zelfzucht, toorn en wraak zijn werkelijke machten in het leven. Dat te ontkennen baat niet. Die machten bestaan er, werken en oefenen een onberekenbaren invloed. Slechts komt het er op aan, dat de mensch ook in die onzichtbare wereld zijn weg wete te vinden.

Daartoe is onderscheiding noodig.

Onderscheiding tusschen twee geheel verschillende levenssferen, die men niet verwarren kan, zonder het spoor bijster te raken. Een ander toch is het zedelijk leven, en een ander het leven des gemoeds.

Het onderscheid valt niet te loochenen. Ieder geeft voetstoots toe, dat recht en plicht, misdaad en overtreding, eerbiediging van anderer vrijheid en eigendom, kuischheid en eerbaarheid, zin voor orde en ondergeschiktheid tot de orde van het zedelijk leven behooren, in een wet te belichamen, bij wetsschending te straffen zijn, zoo al niet door den staat, dan toch in engeren kring, en uitsluitend betrekking hebben op onze verhouding tot onze medemenschen.

Maar even stellig voelt ieder met ons, dat we op een gansch ander terrein overtreden, overgaan tot een gansch andere orde van dingen en ons in geheel anderen kring van denkbeelden bewegen, als er sprake is van de eigenschappen des harten, die we uitdrukken met de |74| woorden: bewondering, eerbied, ontzag, vertrouwen, ootmoed, dankbaarheid, toewijding, zelfopoffering, nederigheid, lust tot het gebed.

Deze aandoeningen, gewaarwordingen en zielsneigingen spruiten niet voort uit onzen omgang met menschen, behooren dus niet in eigenlijken zin tot het terrein des zedelijken levens, zijn door geen wet te contrôleeren, door geen dwang af te persen, en eischen een geheel eigenaardige gesteldheid van ons innerlijk leven.

Zoo scherp zelfs zijn ze onderscheiden van de zedelijke hoedanigheden, dat het soms is, of beide elkaâr uitsluiten.

Het verschijnsel is gedurig opgemerkt, dat er tal van menschen zijn, streng op het stuk van plicht, onverbiddelijk op het punt van recht, wier kuischheid onberispelijk, wier gedrag loffelijk is, en die toch volstrekt onvatbaar blijken voor de teêrdere aandoeningen van ootmoed en bewondering en den lust niet kennen tot het gebed.

En evenzoo, omgekeerd, valt niet te loochenen, dat bij menig mensch, wiens plichtsbesef maar al te lax en wiens rechtsgevoel verre van scherp is, soms op sterke wijze het gevoel van eerbied en geestdrift, van bewondering en toewijding zich geldend maakt.

Kortweg nu kan men zeggen, dat de zedelijke hoedanigheden op den mensch in zijn uitwendigen omgang met zijn medemenschen, de hoedanigheden des gemoeds daarentegen op den mensch in zijn verhouding tot het oneindige betrekking hebben.

Bij den kunstenaar vindt men niet zelden een gulhartigheid en openheid, die geheel in overeenstemming zijn met de geestdrift, de sfeer van bewondering en verrukking waarin hij leeft, terwijl de gewone |75| levensvormen van recht en plicht, van soberheid en kuischheid niet zelden in het kunstenaarsleven weinig worden geacht.

Bij de Wederdoopers vond men een hoog ontwikkeld enthousiasme en zeldzame bezieling voor het ideaal, een grenzenlooze dweepzucht, en toch vuigen wellust en boosaardige wreedheid er meê vermengd.

De Stoicijnsche naturen zijn meestal koel, afgemeten, teruggetrokken en afstootend, maar in gelijke mate nauwgezet, ordelijk, rechtschapen. Terwijl, omgekeerd, in menigen kring, waar warme bezieling u tegenruischt het hart u opengaat en de geestdrift u meêsleept, een losheid van leven heerscht, die u een raadsel schijnt.

De Farizeeën zijn uitwendig onberispelijk en braaf maar Jezus zegt dat de hoeren en tollenaars hen zullen voorgaan in het Koninkrijk der hemelen.

Nog heden ten dage vindt men twee stroomingen in het menschenleven. Braaf, deugdzaam, ordelijk te zijn is het ideaal der eersten. Te blaken van geestdrift, in bewondering en aanbidding weg te zinken, te leven uit het geloof, het hoogste wit der anderen.

Bij zijn kinderen bespeurt men het reeds. Twee kinderen zult ge vinden van dezelfde ouders, weinig verschillend in jaren, en het eene is gezeggelijk, meêgaand, stipt, ordelijk, maar zonder enthousiasme, nooit dwepend, altijd koel, terwijl het andere leeft in hoogere dingen, warm en bezield is, maar door het telkens uit den band springen der ouderen leven vaak bitter maakt.

Genoeg reeds ten bewijze, dat de onderscheiding, waarop we wezen, niet door ons gemaakt is, maar feitelijk in het leven bestaat, en om strijd door de geschiedenis, door onze omgeving en door onze huiselijke ervaring bevestigd wordt. |76|

Dringen we nu tot den diepsten grond van deze tegenstelling door, dan dient erkend, dat de hoedanigheden van het gemoedsleven alle betrekking hebben op onzen onmiddellijken omgang met God.

Wel weten we, dat ook deze hoedanigheden door de zonde misbruikt, van haar voorwerp afgeleid en zelfs tegen God gekeerd kunnen worden. Bij den kunstenaar zien we dit maar al te vaak. Onze tijd is rijk aan voorbeelden van dwepende geesten, die niet God, maar hun ideaal aanbidden. Geheel de afgoderij is ten bewijze, waartoe deze bewegingen van het gemoedsleven, indien ze zich niet op het ware voorwerp richten, den verdoolden mensch brengen kunnen.

Maar niettemin blijft het waar, dat in ’s menschen schepping het gemoedsleven aan het zedelijk leven voorafging.

Toen de eerste mensch nog alléén op aarde was, kon er van zedelijk leven voor hem geen sprake zijn. Hij kon niet stelen, want alles was het zijne; hij kon niet doodslaan, want er was niemand bij hem. Hij kon niet echtbreken, want geen echt was nog geheiligd. Hij kon niet valsch tegen zijn naaste spreken, want er was niemand die luisteren kon. Hij kon niet zijns naasten goed begeeren, want die naaste bestond niet.

Een zedelijk leven was derhalve onmiddellijk na de schepping ondenkbaar. De kiemen er voor lagen zeer zeker in ’s menschen natuur, maar uitkomen kon het nog niet.

Wel daarentegen het gemoedsleven, wel werken kon het besef van aanhankelijkheid en afhankelijkheid, van bewondering en aanbidding, van liefde en toewijding, van ootmoed en vertrouwen, en deze geestelijke krachten |77| konden zich op geen ander voorwerp richten dan op den levenden God, eenvoudig wijl een ander ideaal nog niet bestond en er nog geen afgod gevonden was.

Opmerkelijk is het daarom ook, dat de zonde haar oorsprong vindt, niet in handtastelijk vergrijp tegen het zedelijk leven, maar in wantrouwen.

In veler oog zou de oorsprong der zonde zich veel natuurlijker verklaren, indien ze met doodslag of echtbreuk begonnen ware, met een gruwelijke misdaad, een handtastelijk vergrijp tegen het zedelijk leven. Dan zou men nog evenredigheid vinden tusschen de zonde en de haar gevolgde straf. Maar het eten van een verboden vrucht!

De Heidelbergsche Catechismus heeft dit gevoeld, en spreekt daarom van een afval, die aan de ongehoorzaamheid voorafging, geheel op het voetspoor van Mozes’ verhaal, dat ons eerst op de zonde van het gemoedsleven wijst, en daarna in het eten der verboden vrucht slechts het gevolg doet zien van een kwaad, dat reeds bestond.

De zedelijke en de godsdienstige levenssfeer zijn daarom wel verwant, maar toch verre van saâm te vallen. Wat uit den persoonlijken omgang met den levenden God voortvloeit staat het hoogste, is het eerste, en mag nooit in zedelijke strevingen opgaan. De godgeleerden en predikers, die hun kracht zoeken in het kweeken van het zedelijk leven en het persoonlijk leven met den Heere als mystiekerij en dweepzucht slechts tot op zekere hoogte gedoogen, miskennen hun roeping, en de Gemeente is in haar volste recht, zoo ze zich hardnekkig tegen deze omkeering der juiste verhouding verzet.

Op staatkundig terrein, op het gebied waar de wet heerseht, komt het allereerst op het uitwendig leven van mensch en mensch aan; maar in de Kerk mag geen |78| ander uitgangspunt gezocht, dan in het mystieke leven, het verborgen wezen des menschen, zijn persoonlijke verhouding tot zijn God.

Natuurlijk niet in den zin, alsof op de eischen van het zedelijk leven iets, hoe gering ook, ware af te dingen. Geloof, dat niet in werken zichtbaar wordt, oordeelt zichzel£ Maar zoo, dat het zedelijk leven slechts als uiting van het godsdienstig leven waarde heeft en er meê verbonden is door den diepzinnigen term van dankbaarheid; een woord van diepe beteekenis, maar dat men miskent en vervalscht door het in het zedelijk leven te doen opgaan. Dankbaarheid is een eigenschap van het gemoedsleven, die zeer zeker tot hetzelfde effect leidt als het zedelijk leven, maar dat leven uit een geheel andere kracht afleidt, uit gansch andere bron put.

Voor de natuurlijke Godskennis volgt hieruit, dat het Godsbesef voor de zichtbare dingen gevoed wordt door de natuur, voor het zedelijk leven door de wereld der menschen, doch ook dat het voor het gemoedsleven slechts de overlevering, de kunst en de eigen zielservairing heeft.

Overlevering is, wat God aan anderen heeft geopenbaard, niet wat men zelf in den omgang met God te verstaan kreeg.

Daarom eindigt de natuurlijke Godskennis met een bankeroet. Ze kan niet verder. De omgang met den levenden God is verbroken. Eerst waar hij die herstelt keert die omgang terug.

Dat is de bijzondere Openbaring. |79|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004