VIII. De overlevering


Die van ouds af verkondig de dingen die nog niet geschied zijn.

Jesaia 46 : 10. a


Het Godsbesef, aldus is de belijdenis der Christelijke Kerk, ontvangt voedsel uit de natuur, uit de zedelijke macht die zich in de menschenwereld openbaart, maar ook uit de Overlevering.

Het woord Overlevering misleide niet.

Teruggedrongen is door de Hervormers het gezag door Rome toegekend aan de Overlevering aangaande Jezus en zijn Apostelen, wijl de Schriften des Nieuwen Verbonds hiervoor volstaan en elke strijdige overlevering onnut of zelfs gevaarlijk maken.

Evenzoo was door Jezus zelf teruggedrongen het gezag door de secte der Farizeeën toegekend aan de Overlevering aangaande Mozes en den Raad der Oudsten, wijl de Schriften des Ouden Verbonds hiervoor volstaan en elke strijdige overlevering onnut of zelfs gevaarlijk maakten. „Er is van de Ouden gezegd, — maar ik zeg u!” |61|

De bijzondere Openbaring is schriftelijk overgeleverd. Tegen de schriftelijke Overlevering heeft de mondelinge geen gezag, al wordt toegestemd dat ze uit ware elementen is afgeleid.

Maar anders staat het met de Paradijs-openbaring. Geen der menschenkinderen, die in het Paradijs geweest zijn, of met Adam en Eva gesproken hebben, stelde boeken op. Althans geen der Bijbelschriften is ouder dan Mozes. Geslachtstafels, brokstukken van dicht en proza mogen in het Mozaïsch verhaal zijn ingelascht. Een authentieke, gewaarmerkte teboekstelling van de Paradijs-openbaring bezitten we niet.

Dit strookt geheel met den aard der Heilige Schrift.

Immers niet de algemeene, voor allen bestemde, maar uitsluitend de bijzondere Openbaring is ons op haar bladzijden in levensbeelden, spreuken en profetieën geteekend.

Toch wijst juist die Schrift zelve er op, dat er buiten haar nog een andere Openbaring bestaat; dagteekenend van de oudste tijden, uit de bakermat zelf der menschheid voortgekomen; onder alle volkeren, bij al wat mensch heet, verspreid; steeds onzuiverder en onkenbaarder geworden; in zichzelf bewijs dat we buiten een bijzondere Openbaring niet kunnen.

Raadpleegt men toch het oud geschiedverhaal, dat ons den loop der dingen voor en in het tijdperk der Patriarchen voorstelt, dan vinden we bij de oudste menschen zonder uitzondering kennis van den waren God; zien we bij de volgende geslachten die kennis nog op verrassende wijs aan het licht komen, en is het spoor dier kennis ook in het verder verloop der geschiedenis, hoewel zwak, nog steeds aanwijsbaar. |62|

In Abrams familie kent men den Heer des hemels en der aarde; teraphim-dienst is wel reeds ingeslopen, maar toch de God, die het hoogst vereerd wordt, is onze God, de God die zich aan Abram openbaart.

Melchizedek woont in Kanaän en is niettemin „priester des Allerhoogsten,” die Abraham met een goddelijken zegen zegent en in den Hebreër-brief als dienaar van den waren God en afschaduwing van den Christus, op het voetspoor van den 110den Psalm, geprezen wordt.

Rebekka en Bethuël, Laban, Lea en Rachel weten wien Eleazer, wien Izaäk, wien Jakob bedoelt, als hun gesproken wordt van den almachtigen God.

Achimelech en Pichol, zijn krijgsoverste, zijn evenmin als Pharao van Egypte vreemd aan de belijdenis van den levenden God.

Jona vindt in Ninivé, Daniël aan Nebucadnezars hof sporen van een Godskennis, waaraan hun getuigenis van den Heer des hemels en der aarde zich aansluit.

De wijzen uit het Oosten brengen naar den stal van Bethlehem hun belijdenis van een zwakken draad, die den godsdienst der Magiërs nog aan Israëls verwachting vastknoopt.

Paulus vindt te Athene het altaar voor den Onbekenden God en spreekt het uit, dat ook de heidenen van Gods geslachte zijn.

„Hij was in de wereld,” schrijft Johannes, „maar de wereld heeft hem niet gekend!”

Vooral op het overschoone boek van Job dient gelet.

Kenners der Schrift weten, dat in het boek Job nergens van de bijzondere Openbaring, die Israël ontving, sprake is. Van tabernakel noch tempel, van outer- |63| noch priesterdienst weet het. Job zelf bedient het altaar der verzoening voor zijn vrienden, bij de tente die hij opsloeg. Van Jehovah wordt schier niet gesproken. Liefde voor Kanaän komt niet uit. Kortom, de omgeving, waarin het boek Job u verplaatst, is niet een Israëlietische, maar een algemeen menschelijke.

Job leeft dan ook in het land Uz. Zijn naburen zijn de Chaldeeën. Dat hij buiten verband met Israël stond, wordt opzettelijk vermeld. In Hauran staat nog het Jobsklooster, dat zijn woonstede zegt te vereeuwigen. Dichter bij den Eufraat dan bij de Jordaan is in elk geval Jobs vaderland te zoeken.

De toon, die uit de Jobeïde spreekt, de zegswijze die ze bezigt, de uitdrukking, die ze aan het geloof geeft, de kennisse Gods, die ze onderstelt, zijn dan ook geheel verscheiden van wat de overige schriften des Bijbels ons bieden. Het naast nog aan Job komen de Spreuken en de Prediker.

Houdt men dit in het oog, dan treft het den lezer dezer schriften, dat ze schier op elke bladzijde terugwijzen naar de oudste eeuw van het menschelijk leven, dat door hun woorden nog de nagalm ruischt van een heilige herinnering, en dat ze bij voorkeur hun schoonste tafereelen putten uit de scheppingswonderen. Zoowel het verhevenste hoofdstuk uit de verzameling der Spreuken (het achtste), als het schitterendst deel van Job (hoofdst. 40 en verv.) verliezen zich geheel in den aanvang der dingen, toen de bergen nog niet waren en de aarde werd gegrondvest.

Vatten we deze verpreide mededeelingen saâm, dan blijkt, dat het oorspronkelijk menschengeslacht een inzicht in Gods deugden en krachten heeft gehad, die |64| uit het Paradijsleven ook door den gevallen mensch met zich werd genomen en dat in deze overlevering vooral de scheppingsmajesteit van den hoogen God sterk op den voorgrond drong; dat de aanbidding van dien hoogen God aanvankelijk onder het gevallen menschdom algemeen was, maar van lieverleê is verduisterd; zóó echter, dat deze verduistering bij den éénen stam sneller toenam dan bij den anderen, en bij sommige geslachten de overlevering uit het Paradijs tamelijk, bij enkele zelfs zeer zuiver en langer dan men wanen zou bewaard is.

Wat we van de oudste godsdiensten der volkeren weten stemt hiermeê overeen. Trekt men stralen uit het punt, waar vermoedelijk het Paradijs lag, dan zijn het de volken aan den Indus, den Tiger en den Eufraat, die het naast aan de bakermat van ons menschelijk geslacht zich ontwikkelden, en juist bij deze volken vindt men de sterkste heugenis van één oorspronkelijke Godheid, van wier dienst men allengs tot de aanbidding van meer goden vervallen is. Hoe ouder een volk, des te zekerder is men, dat men in zijn godsdienst sporen van den éénig waren God ontdekken zal. Er is bij die volken niet een opklimming van het veelgodendom tot de vereering van éénen God, maar omgekeerd, de duidelijkste aanwijzing dat het monotheïsme op den achtergrond van hun geschiedenis ligt en dat ze van minder tot meer goden zijn afgedaald. Opmerking verdient het, dat het verhaal van den Zondvloed in de overlevering van bijna elk dezer volken is terug te vinden en de overeenkomst van hun oudste sagen met het geschiedverhaal van Adam tot Mozes bij verder onderzoek telkens helderder aan het licht komt. |65|

Die Paradijs-overIevering bestond in Ur der Chaldeeën en werd door den patriarch Abraham als grondslag bewaard, waarop door bijzondere openbaring Israels godsdienst zou verrijzen. Die Paradijs-overlevering kenden de wijzen der Egyptenaren en Jethro, de priester in Midians woestijn, en zij drong van die zij nogmaals met frissche kracht in het godsdienstig leven van het Israëlietische volk. Die Paradijs-overlevering werd in korte trekken, onder de voorlichting des Heiligen Geestes, aan den ingang der Heilige Schrift te boek gesteld; kwam in de leerdichten uit Salomo’s eeuw tot bezielde ontwikkeling; ze bood het doek waarop de profeten des Heeren de toekomst der volkeren maalden; werd in Johannes’ proloog opgenomen in de leer van het eeuwige Woord; en was voor den apostel Paulus het uitgangspunt voor de bijzondere zending, die hem bij het gezicht van Damascus voor de heidenwereld was toevertrouwd.

Het groote mysterie, de machtige verborgenheid waar van hij telkens gewaagt, dat ze in vorige eeuwen niet ontdekt geweest, maar nu geopenbaard aan zijn heilige Apostelen en Profeten, t.w. dat ook de heidenen medeërfgenamen zijn en deelgenooten van hetzelfde lichaam bestaat juist in het inzicht, dat de bijzondere Openbaring van Israël en deze algemeene Paradijs-openbaring voor alle volkeren twee stroomen zijn van eenzelfden oorsprong, die een tijdlang een eigen bedding hielden, maar bestemd waren om in Christus, de volstrekte openbaring Gods, weer saâm te vloeien.

Waarom dat mysterie zoo gewichtig was, springt in het oog.

Immers eerst daardoor bleek het, dat God, met zich |66| een eigen volk af te zonderen, niet gewanhoopt had aan de behoudenis zijner schepping; dat ook de volkeren in hun afval den raad Gods gediend hadden; en dat het groote werk, dat Hij in Israël tot stand bracht, slechts zoo lang omheind en afgeperkt bleef, als noodig was om Israëls vrucht voor de wereld van al Gods volken en natiën te doen rijpen.

Die Paradijs-overlevering was ook de wortel, waarop de afgodsdienst onzer Europeesche en Germaansche voorvaderen was opgeschoten. Dit maakte het den mannen, die in onze landen het Evangelie predikten, mogelijk, zich aan veel in het godsdienstig bewustzijn onzer vaderen aan te sluiten. De vormen wisselden. Voor het valsche kwam het ware, voor het vervalschte het oorspronkelijke terug, maar de diepste grondtrek bleef. En zoo is door den loop der eeuwen heen, bij de groote massa, die wel gedoopt, maar nooit tot Christus bekeerd werd, in de dagen van Romes overheersching niet, maar ook niet in de dagen der Hervorming, nog steeds diezelfde kracht werkzaam, die, hoe verbasterd en ontaard dan ook, de algemeene noties van den God der Schepping levendig houdt. Hoe onder een denkbeeld, des te onuitroeibaarder. Veel heeft het gekost bij gansche kringen onzer maatschappij de gronddenkbeelden van het Christendom uit te roeien. Toch waren die slechts acht à negen eeuwen oud, in sommige deelen van ons land nog minder. Maar nog andere moeite zal het kosten, de denkbeelden van een Godheid der Schepping, van een oordeel en een bestaan na den dood uit te roeien. Die denkbeelden dagteekenen ook voor onze maatschappij niet van acht à negen, maar van tientallen van eeuwen. Ze zijn daardoor in |67| het leven zelf als ingeweven, glurend door de taal die we spreken, en verraden in een onbewaakt oogenblik hun tegenwoordigheid zelfs bij den wijsgeer, wiens wijsheid in het loochenen van Gods aanzijn bestaat.

Ook dit kleinood heeft de Christelijke Kerk te bewaren, te eeren, te gebruiken.

Te bewaren, door zelfs den schijn te mijden, als trok ze zich in Israëlietische afsluiting terug en als ware ze zich van den samenhang niet bewust, die tusschen haar belijdenis en de oorspronkelijke Openbaring bestond. Te bewaren, door steeds haar belijdenis in het licht van die groote verborgenheid te plaatsen, dat het algemeen menschelijk besef van aanbidding den grondslag vormt waarop ook de openbaring van den Zone Gods rust.

Te eeren heeft de Christelijke Kerk dien gouden draad, die van het Paradijs naar Bethlehems kribbe loopt en sinds in de belijdenis van het Christendom is ingeweven, door niet te rusten eer ze den glans van Golgotha op het menschelijk leven in al zijn verschijnsels heeft doen vallen, en feitelijk getoond heeft hoe de geest van Christus de eenige en onfeilbare kracht is om al het doode en dorre in ons menschelijk leven uit zijn inzinking op te heffen.

Maar bovenal, ze heeft het voedsel, dat ons Godsbesef hierdoor ontvangt, te gebruiken.

Te gebruiken bij de belijders van het Christendom, om in hun gewone gedachtenwereld de aanrakingspunten te vinden, waardoor de belijdenis zich aan het leven aansluit, schoolsch naspreken van termen te voorkomen en de waarheid, als wier predikster ze optreedt, te doen ingaan in ons bewustzijn. |68|

Te gebruiken ook, om hun, die, na de Schrift verworpen te hebben, nog aan eenige algemeene termen van godsdienst vasthouden, van ’s Heeren wege aan te zeggen, dat ze ook dat overblijfsel der Godskennis niet aan eigen denken dank weten, maar ontvangen hebben uit dien stroom der overlevering, die alle volkeren en natiën met haar kostbare druppelen heeft besproeid.

Te gebruiken, ook bij den wereldling en afkeerige, door hem uit het practisch leven, uit zijn taal en zegswijzen, uit zijn huislijke en maatschappelijke gewoonten de teekenen voor de consciëntie te leggen, die nog van iets anders getuigen dan zijn wijsheid leert.

Te gebruiken, eindelijk, ook bij de zending onder de heidenen, door het opsporen en aanwijzen van wat, hoe ook verbasterd en ontaard, achter hun vormen en onzinnigheden nog van een beteren oorsprong getuigenis geeft en door den geest van Christus weêr aan het licht kan treden.

Het Godsbesef brengt dus niet verder dan tot de erkentenis, dat er een macht is, die ons inwendig leven aanraakt.

De natuur bevestigt slechts het besef, dat die macht niet ingebeeld is, maar wezenlijk bestaat.

De menschenwereld toont, dat die macht over ons zedelijk leven heerschappij voert.

Maar noch dat besef noch die natuur noch dat zedelijk leven zou ons tot de wetenschap brengen, dat die geheimzinnige macht een persoonlijk leven heeft, een Godheid is.

Die wetenschap is uitsluitend vrucht der oorspronkelijke Openbaring, en hoe ook door de overlevering die Openbaring zij vervalscht en in de bontste afgoderij |69| verduisterd, toch is zij het, waaruit de gedachte aan een persoonlijke Godheid voor de ziel treedt.

Het Christendom zuivert, loutert, veredelt en volmaakt die gedachte wel, maar brengt ze niet.

Geen volk is nog tot het Christendom bekeerd, waarbij die gedachte niet nog leefde.

Juist het aanwezig zijn van die gedachte bood het onmisbaar aanrakingspunt, waardoor de bekeering tot het Christendom mogelijk werd. |70|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004