VII. De zedelijke wereldorde


De gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende.

Rom. 2 : 15. a


Men heeft de natuurlijke Godskennis ontzenuwd, van haar kracht beroofd en om haar eere gebracht, door ze thuis te brengen onder de dingen die men bewijzen kan en dies buiten het geloof vallen. Ze vormde een soort van wijsgeerigen voorhof, waardoor men binnentrad in het heiligdom des geloofs, maar was zelve buiten dat heiligdom gelegen. Ze diende om aan te toonen, hoever men het wel brengen kon in kennis van goddelijke dingen zonder openbaring, en werd diensvolgens ijlings als overtollig over boord geworpen, zoodra men tot die openbaring kwam. Wien zou het ook nog belangstelling inboezemen, te weten hoe hij leven zou, indien er geen lucht was? De lucht is er. Die ademt hij in. Wat wil men meer? Zoo ook, wie ter wereld bekreunt er zich om langs wat kronkelpaden hij tot kennisse Gods zou kunnen geraken, indien de Openbaring er niet was? Die Openbaring is er. Daaruit |52| leeft hij. Een onderstelde mogelijkheid deert hem niet.

Zoo moest de natuurlijke Godskennis wel in minachting geraken. Ze scheen van lagere en zeer lage orde, buiten het geloofsterrein gelegen, een overtollige weelde, die geleerden zich veroorloven konden, maar die niet naar den smaak was van het eenvoudig geloof.

Daarom moet, eer men verder gaat, met wortel en tak de dwaling uitgeroeid, alsof de natuurlijke Godskennis voor het geloof niet even onmisbaar was, als de Openbaring in Christus; weggenomen de valsche voorstelling, alsof de natuurlijke Godskennis zonder geloof een oogenblik denkbaar was; ophouden het vooroordeel, alsof de bijzondere Openbaring ooit vergoeden kon, wat men bij ontstentenis der natuurlijke Godskennis derft; een einde gemaakt aan het misverstand, alsof de natuurlijke Godskennis eindigde waar de Openbaring des Geestes begon.

Geheel de Schrift steunt op de natuurlijke Godskennis. Job, de Spreuken, Prediker en het Hooglied bewegen zich schier uitsluitend op haar gebied. De Godsspraken der Profeten over de volkeren zijn zonder haar onverstaanbaar; de opneming van Israëls volksleven in het geheel der Openbaring wordt alleen door haar gerechtvaardigd. De Bergrede laat haar schitteren in elk woord. De prachtige proloog van Johannes’ Evangelie geeft haar de hoogste wijding. Paulus’ optreden te Athene, te Filippi, te Corinthe bezegelt haar van stad tot stad. Zijn brieven aan de Romeinen, de Ephesiërs en Colossensen prediken haar om ’t zeerst. De eindgerichten door den ziener van Pathmos beschreven, bepalen haar blijvende beteekenis voor de heerlijkheid die komt. |53|

Verre van buiten het geloofsterrein te liggen, wordt ze buiten het geloof een ongerijmdheid. Met de zichtbare, zienlijke dingen heeft ze niets van doen. Uitsluitend de onzichtbare, onzienlijke, zijn het voorwerp waarop ze zich richt. Aan de breedte- en lengtematen der natuur, aan haar kleuren en waarneembare vormen heeft ze niets. Ze houdt zich uitsluitend bezig met een onzichtbaar iets, dat achter en in die natuur schuilt, uit die natuur haar toespreekt, en door die natuur op haar werkt.

Diensvolgens draagt ze ook onveranderlijk haar ernstig zedelijk karakter. Ze is geen dorre afgetrokken geleerdheid, die sluitredenen saâmstelt, om het verstand te bevredigen; geen stuk wijsbegeerte, dat de oppervlakkigen en ongeoefenden tot rechters over de hoogste problemen zou laten; geen bespiegeling, buiten de werkelijkheid staande, die in den strijd des levens het hart koud laat. Integendeel. Ze is de belijdenis der Kerk van Christus, die de ongeloovige wereld aan haar consciëntie komt, opstoot uit haar ongeloovige kalmte en in al wat leeft de aanrakingspunten zoekt voor het Koninkrijk van God.

Het onmiddellijk Godsbesef vormt, gelijk wij zagen, het middelpunt van waar ze uitgaat, het orgaan waardoor ze werkt, de onmisbare voorwaarde die ze onderstelt. Maar dat Godsbesef blijft niet alleen. Dat Godsbesef treedt in aanraking met de natuur en beluistert in haar leven de echo van zijn eigen woord. Het ontwaart in die natuur iets, dat stemt met de aandoening van Gods alomtegenwoordige mogendheid in het hart. Eén stem is het in dat hart en in die natuur, onderscheiden in klank, maar toch uit eenzelfde diepte |54| trillend. Niet wij brengen dat Godsbesef met het leven der natuur in verband; maar dat verband bestaat; wij ontdekken het slechts, en door die ontdekking wordt het innerlijk Godsbesef bevestigd, verhelderd, verklaard.

Toch is de lichtstraal, door de natuur uitgeworpen, niet de eenige, die in het brandpunt van ons menschelijk hart valt. Behalve die zichtbare natuur is er ook een menschenwereld om ons heen, in wier midden we leven, waarvan we een deel zijn, waartoe we behooren, wier leven natrilt in de gewaarwording van ons eigen menschelijk bestaan.

Het zichtbare in die menschenwereld rekenen we daarbij niet meê. Naar het lichaam behoort ook de mensch nog tot de natuur. Alleen het onzichtbare van het menschelijke leven hebben we daarbij op het oog. De aandoeningen en opwellingen van het hart, de wereld der gedachten, de ontzettende factoren van plicht en roeping, geestdrift en hartstocht, haat en liefde, zelfzucht en toewijding, eerbied en bewondering, kortom geheel die onafzienbare phalanx van onzichtbare machten, die de golvende vlakte van het menschenhart in beweging zetten, doen opstuiven en voortzweepen en den eigenlijken inhoud vormen van wat we onder het rijke volle menschenleven in zijn hoogere beteekenis verstaan.

„De Godskennis uit het zedelijk leven” noemden onze vaderen het voedsel, dat het Godsbesef uit die geheimzinnige wereld ontvangt. De natuurlijke Godskennis gaat uit van het Godsbesef, dit Godsbesef ontvangt allereerst voedsel uit de aanraking, waarin we met de natuur komen, maar in de tweede plaats ook uit onze aanraking met het menschelijke leven. Dit |55| laatste is van hooger orde. Deswege werd de kennisse van het goddelijke, die we uit die tweede bron putten, de zedelijke Godskennis genaamd.

Wat hebben we hieronder te verstaan? „De gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende,” zegt de Apostel, of wil men, in de taal onzer dagen overgezet: er is een publieke opinie, die als rechter ook op zedelijk gebied over ons optreedt. Ze zijn, zegt Paulus, in het onmiddellijk voorafgaande, „zichzelven een wet, als die betoonen het werk der wet geschreven in hun hart.” Toch niet in den zin van Jer. 31 : 33. Daar wordt aan Israël een toekomst voorgespiegeld, zeer verre staande boven den geluksstaat, waarin het volk Gods zich in onderscheiding van de heidenen verheugen mocht, en als kenmerk van dien geluksstaat wordt onder meer aangegeven: dat ze alsdan de wet zouden geschreven hebben op de tafelen van hun hart. „Ik zal mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven.” Kan het nu bij niemand opkomen aan Paulus de meening toe te dichten, alsof de heidenen reeds bezaten wat aan Israël nog eerst als profetie van een verre toekomst werd voorgespiegeld, dan spreekt het vanzelf, dat zijn uitspraak: „De heidenen betoonen het werk der wet in hun hart geschreven te hebben,” in gansch anderen zin te verstaan is.

Welke is die zin?

Bij alle volkeren vindt men een denkbeeld van recht, van plicht, van onderscheiding tusschen goed en kwaad. Geen natie zoo stomp, geen stam zoo verwilderd, geen horde zoo ontembaar, is nog ontdekt, of die denkbeelden trof men bij hen aan. Die denkbeelden waren meestal zeer afwijkend van de onze; vaak uiterst zonderling |56| en ongerijmd; soms zelfs het omgekeerde van wat bij ons geldt; ze noemen recht wat ons onrecht, plicht wat ons een verfoeiing, goed wat ons kwaad dunkt, maar hoe verward en verbijsterd hun zeden ook zijn mogen, het denkbeeld dat er recht is, en dat ieder naar dat recht wordt geoordeeld; dat er plicht bestaat, en dat ieder tot dien plicht gehouden is; dat er een onderscheid tusschen goed en kwaad is, en dat ieder zich hiernaar heeft te gedragen: die denkbeelden ontbreken nergens, vindt ge allerwegen terug, gelden bij alle volk.

Of hun gedachten goed zijn, laat Paulus in het midden; hij verklaart alleen, dat ze gedachten van recht en plicht hebben; en dat ze naar deze gedachten, hoedanig ze dan ook zijn mogen, zichzelven en elkander oordeelen.

Dit feit is uiterst gewichtig.

Wie van recht spreekt, erkent daarmeê een macht die boven hem staat, waarvoor hij zwichten moet, en die hij niet zonder zedelijke schade, kan wederstaan. Vanwaar komt dat recht? Hij stelde het niet in, het werd niet door anderen ingesteld. Die het beschreven, beeldden zich niet in, dat zij het recht maakten, maar zochten veeleer bij hun teboekstelling van het recht de zuivere uiting te vinden voor wat ze als een recht dat er was en uit zichzelf bestond, erkenden.

Wie van recht in volstrekten zin spreekt, van het recht, gevoelt onmiddellijk, dat niet alleen hij, maar elk die mensch heet, met hem aan dat recht onderworpen is. De koning moge boven de wet staan, hij staat niet boven het recht. Het recht is een macht ook over hem; en wat onrecht is blijft ook tegenover den koning onrecht, zij het ook, dat de macht op aarde ontbreekt om de overtreding te straffen. |57|

Van plicht geldt hetzelfde. Wat voor u of mij plicht is, kan aan tegenspraak onderhevig zijn; dat we plichten hebben, weet ieder. Dus dat er een macht boven ons staat, die ons bindt, die ons te bevelen heeft, en die we te gehoorzamen hebben. Dien plicht bepalen we niet zelf. Immers dan hield het op plicht te zijn. Die plicht vindt zijn grond niet in anderer willekeur, want ook die anderen zijn op hun beurt tot plichten gehouden. Het is geen denkbeeld door het voorgeslacht uitgevonden, want zoover de heugenis reikt, is de zedelijke gebondenheid aan een plicht, die op ons rustte, ervaren. Plicht is dus een macht die niet slechts een enkele onzer, maar geheel het menschelijk leven beheerscht.

Van de onderscheiding tusschen goed en kwaad valt hetzelfde te herhalen. Hoe de onderscheiding vallen moet is verre van zeker. Maar dat er een onderscheiding is, en dat we te veiliger gaan hoe nader we met onze inzichten tot die ware, volstrekte onderscheiding naderen, wordt door niemand betwist. Telkens staan we voor een keuze. Dat de twee, waartusschen we te kiezen hebben, niet eender zijn, gevoelen we onmiddellijk. Dat het denkbeeld van die keuze slechts ingebeeld zou zijn maakt niemand ons diets. Er is verschil, òf dit laten, òf dat doen. Er is goed in het ééne, kwaad in het andere. Scherp geteekend zijn de grenslijnen zelden. Dikwijls dat we verlegen vragen: Wat is hier, in dit bijzonder geval, nu het goede en wat is het kwade? Maar dat er verschil bestaat, is met ons onmiddellijk besef gegeven. En zoo zoekend, waar tasten we dan anders naar, dan naar een macht buiten ons, die de ware onderscheiding weet, wijl ze de onderscheiding |58| zelve maakte? En wat spreekt zich daarin anders uit, dan het besef van een zedelijke macht, die ter hoogste instantie beslist, waarnaar we ons te schikken hebben, en die noch in ons eigen hart noch in anderer willekeur haar laatsten grond kan hebben.

Ook hier zijn het dus machten, zedelijke machten zeer zeker, maar toch machten, waarop we stuiten. Machten, die niet buiten ons leven staan of een enkele maal een voorwerp van wijsgeerige bespiegeling vormen, maar machten, waarmeê we van uur tot uur in onmiddellijke aanraking komen; die ons leven beheerschen, onze oordeelen richten, den waardemeter van anderer leven bepalen; die ons op markt en beurs, maar ook in het huisvertrek en in de binnenkamer vervolgen; machten, die nergens niet zijn, maar zich met ons inschepen op onze mailbooten, die we aan elk station op onze reis ontmoeten, die we in het verre Oosten terugvinden; machten even onafscheidelijk van onze existentie als het lichaam dat we dragen en de natuur om ons heen; machten, die ons als kind opzochten, die we als jongeling op ons pad vonden, die onze mannenjaren meê doorleefden en nog op het sterfbed ons oproepen ter verantwoording.

In de menschenwereld huizen die machten. Daaruit sluipen ze in ons hart. Of ze in of achter die menschenwereld zijn, weten we niet, maar wel dat de menschenwereld het terrein is, van waar ze ons naderen. Reeds het bijzijn van enkelen doet ons om plicht denken. Anderer blik wekt schaamte en zelfverwijt in ons. De publieke opinie kan een oordeel vellen, waarin die machten verpletterend over ons komen. Dat ook tegen dat oordeel een schild in hooger geboden is, |59| ontkennen we niet. Ook daarop zal later gewezen worden. Voorshands genoeg, zoo elk onzer lezers slechts onmiddellijk toestemt, dat het de publieke opinie, de sprekende menschenwereld, de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende zijn, waaruit die zedelijke machten van plicht en recht op ons dringen, met den eisch van onvoorwaardelijke onderwerping. |60|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004