VI. Natuurkunde en natuurbewondering


Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden.

Hebr. 11 : 3. a


We drongen er in ons vorig artikel op aan, dat men niet in een verstandelijke beschouwing van de natuur, maar in de levensworsteling met de natuur den steun zou zoeken voor zijn Godsbesef.

Wie dien raad veronachtzaamt, wordt, eer hij het vermoedt, door de wetenschap der natuurkunde uit den zadel gelicht.

Verbieden kan men die wetenschap niet. De strijd om zelfbehoud, dien de mensch met de natuur heeft aangebonden, dwingt hem haar zoo nauwkeurig mogelijk in al haar gangen en sluiphoeken te bespieden. Kennis is macht. Wil de mensch dus macht hebben over de natuur en haar, overeenkomstig zijn roeping, beheerschen, dan moet hij haar kennen. Die kennis |43| moet de vrucht van rusteloos onderzoek zijn. Om tot kennis te kunnen leiden, moet dat onderzoek vrij zijn. Geen nieuwsgierigheid, maar onafwendbare noodzakelijkheid, drijft den mensch tot beoefening der natuurkundige wetenschap.

Die wetenschap werpt vruchten af. Zo versnelt de gemeenschap; ze verbetert ons huisraad; ze verlicht den arbeid; ze verveelvoudigt onze kracht; ze bevordert den lichamelijken welstand; ze werkt de voortbrenging, bereiding en verspreiding onzer voedingsmiddelen in de hand.

Die vruchten nemen we gretig aan. Dat doet ook de geloovige. Ieder ziet in, dat die vrucht een werkelijk gewin is, om den nood des levens te lenigen of den strijd des levens te verzachten, of den gang des levens te veraangenamen. Dat gewin slaan we niet af.

En toch wordt in geloovige kringen de voorspoed der natuurkundige wetenschappen niet zelden met leede oogen aangezien. Velen zouden, stond het aan hen, haar beoefening binnen zeer enge grenzen beperken. Men ducht van den opgang, dien ze maken, schade voor zijn geloof.

De schuld hiervan komt ongetwijfeld ten deele voor rekening onzer natuurkundigen.

In steê van zich te bepalen tot hun eigen terrein, bekruipt hun telkens de lust, oordeel te vellen over dingen, die geheel buiten hun kring liggen.

Dat ze de natuur waarnemen, haar afzien hoe ge werkt, haar bestanddeelen ontleden en weêr saâmvoegen, de wording van haar verschijnselen bespieden en den samenhang tusschen haar deelen zoeken op te sporen, is hun recht. Maar ze gaan hun recht te buiten, zoodra ze op grond |44| der verkregen resultaten een stelsel zoeken op te trekken, dat heel het leven omvatten zal.

„Schepping” is een woord, dat de natuurkundige niet verstaat, want zijn onderzoek kan nooit verder komen dan tot het punt, waarop die schepping reeds volbracht was.

Of de natuur haar ontstaan aan God dankt, dan wel eeuwig is, kan de natuurkundige noch weêrspreken noch beamen. Voor zoover hij bloot als natuurkundige handelt, weet hij er niets van. Zijn Godsbesef, zijn geloof mag het voor hem tot onomstootelijke waarheid maken, dat geheel de natuur hem zijn God predikt, doch die zekerheid dankt hij niet aan zijn natuurkunde, maar aan werkingen in zijn geest, die met het onderzoek van de stof en haar krachten niets te maken hebben.

Zoo ook, of de werkingen, die hij in de natuur waarneemt, door een goddelijke kracht gedragen, door een goddelijke wijsheid bestuurd, door een goddelijke liefde geleid worden, is een vraag, die geheel buiten zijn onderzoek ligt. Een handboek der natuurkunde mag geen woord over dit vraagstuk meêspreken.

Over wat wij ’s menschen ziel en haar zedelijke eischen noemen, over de onsterfelijkheid en een eeuwig leven, over zonde en schuld, over de verlossing die in Christus is, zelfs over de vraag, of er een God is, die wonderen doet en door zijn gezanten doen liet, heeft de natuurkundige geen oordeel hoegenaamd te vellen. Hij heeft te rekenen met de dingen, die gezien worden; van de dingen, die niet gezien worden, weet de natuurkundige als zoodanig niets.

Een natuurkundige als zoodanig heeft geen gemoedsleven; |45| hij is een persoon, begaafd met zintuigen om de natuur waar te nemen, en met een verstand, om het verband tusschen haar werkingen in te denken. Ziedaar al.

Dat een natuurkundige tevens een belijder van den Christus kan zijn en aan de natuur zelve steun voor zijn geloof kan ontleenen, ontkennen we niet. Newton en d’Agassiz zijn ten bewijze. Slechts dit beweren we. Indien een natuurkundige met Newton en d’Agassiz zijn God in de natuur vindt, dan dankt hij dit niet aan zijn natuurkundige wetenschap, maar aan geheel andere factoren, die op zijn menschelijke persoonlijkheid werkten.

Dit nu hebben onze natuurkundigen meestentijds schromelijk uit het oog verloren. Ze hebben zich aangematigd wat hun niet toekwam; stelsels ontworpen over dingen, die buiten hun gezichtskring lagen; en vooral door mannen van den tweeden rang onder hen is met voorliefde, vaak met fanatieken ijver, van het labotatorium een arsenaal gemaakt ter bestrijding van het overgeleverd geloof.

Om een voorbeeld, lang niet het ergste, te noemen. Met groote verzekerdheid is door hen gepredikt, dat de stof niet uit niets kon ontstaan. Dus dat ze eeuwig was. Derhalve dat er van schepping geen sprake kon zijn. En dat dientengevolge geheel de voorstelling der Christenheid op dit punt, op onkunde en vooroordeel berustend, als verouderde dwaling terzij diende gezet.

Tot zulke uitspraken nu is de natuurkunde in geen enkel opzicht gerechtigd. Door zulke stellingen zegt ze meer dan ze verantwoorden kan.

Een eeuwige stof is voor den natuurkundige een |46| ongerijmd begrip. Hij weet van het eeuwige niets af. Het denkbeeld eeuwig leert hij niet uit de natuur en zijn denken leert hem dit denkbeeld zoo weinig, dat het veeleer door den strengen eisch van het denken wordt buitengesloten. Ons denken eischt voor alles een begin. „Eeuwig” is de loochening van een begin, en kan dus wel in weêrwil van ons denken door ons beleden worden, maar nooit door ons denken worden geëischt.

Zoo ook met Darwins theorie. De natuurkundige is volkomen bevoegd, om de nauwe verwantschap aan te wijzen tusschen het dierlijk en het menschelijk lichaam. Bevoegd, om aan te toonen, dat niet zelden, wat men nieuwe soorten noemde, slechts wijzigingen zijn van reeds bestaande verschijnselen. Bevoegd zelfs, om, als leiddraad bij zijn onderzoek, de onderstelling te wagen, dat er een ongebroken overgang bestaat tusschen stof en plant, plant en dier, het dierlijk en het menschelijk lichaam. Maar verder gaan mag hij niet. Beweren, dat het dus niet waar is, dat God, na den mensch geformeerd te hebben uit het stof, in zijn neusgaten geblazen heeft den adem des levens, komt hem niet toe. Beweren dat ons denken kiemen zou uit het dierlijk instinct, en dit instinct uit het tastgevoel, is verwarren van het ongelijksoortige en als een blinde over de kleuren redeneeren. Dit doende slaat de natuurkundige aan het theologiseeren en wordt hij, zijns ondanks, profaan.

Dat natuurkundigen van naam dit zelf beginnen in te zien, bleek nog onlangs bij de opening van een natuurkundig gezelschap in Engeland, door een rede van den beroemden hoogleeraar Tyndall, die we eerlang in vertaling hopen op te nemen, ten bewijze, hoe men zelf |47| nog gedurig zondigen kan tegen een kwaad, dat men bestrijdt, maar ook ten blijke, dat de oogen voor het kwaad zijn opengegaan.

Dat op het gebied van ons middelbaar en lager onderwijs tegen de ondraaglijke pedanterie van halfslachtige natuurkundigen, die, in steê van hun vak te onderwijzen, zich in uitspraken over geestelijke dingen verdiepen, met ernst ook door het Staatsbestuur dient gewaakt te worden, werd reeds lang gevoeld, al erkennen we ten volle, dat beterschap ook te dezen opzichte alleen van zuivering der publieke opinie is te wachten.

Maar wat nooit mag, is, dat de belijders van den Christus, uit weêrwraak over deze zonden der natuurkundigen, de natuurkunde zelve een kwaad hart zouden toedragen. Zoomin iemand recht heeft, het Christendom te bestrijden ter wille van de zonden zijner belijders, mag men aan de natuurkunde ten laste leggen, wat niet zij, maar haar beoefenaars misdeden.

Noch een beroep op het scheppingsverhaal noch een beroep op de wonderen en profetieën der Schrift mag er ooit toe leiden, om de vrijheid van het wetenschappelijk onderzoek te beperken. Het zijn twee kringen, die elkaâr niet raken. De natuur is nu eenmaal zooals ze is, en niemand verandert ze met onwetenschappelijk klagen. Dat God Schepper is, dat Hij alle dingen schiep, is voor den belijder van den Christus onomstootelijk, maar welke bewegingen daarbij de stof onderging, kortom, hoe het Scheppingswoord van den Almachtige de stof aanzijn gaf en de bestaande stof bewerkte, blijft daarbij geheel in het midden.

Eerst als we niet als natuurkundigen, maar als menschen met de natuur in aanraking komen, zijn we tot |48| het beoordeelen der diepliggende vraagstukken, die de natuur ons voorlegt, in staat.

Als de natuurkundige de natuur gaat waarnemen, is hij uitsluitend gewapend met zijn zintuigen, zijn verstand, zijn verrekijker, zijn weegschaal, enz., maar als de mensch tot de natuur treedt, brengt hij een gansch ander toestel van instrumenten meê: zijn innerlijk Godsbesef, zijn gevoel van bewondering en ontzag, zijn herinnering, zijn gemoedservaring, zijn voorgevoel van een eeuwig aanzijn.

Nu heeft onze kerk nooit beweerd, dat de natuurkundige, maar wel dat de mensch God in de natuur ontdekken, zijn handschrift in de natuur lezen kon.

Als onze belijdenis zegt, dat de natuur is „als een schoon boek, in welke alle schepselen, groot en klein, gelijk als letteren zijn, die ons de onsienlycke dingen geven te aanschouwen”, heeft ze niet den natuurkundige, maar den mensch, wil men, den zondaar, op het oog.

Ze spreekt van een lezen van „onsienlycke dingen” en de roeping van den natuurkundige is juist niet de „onsienlycke”, maar uitsluitend de zienlijke, de waarneembare dingen in het boek der natuur te lezen.

Met passer en meetsnoer vordert men voor het lezen der onzienlijke dingen even weinig als de blinde met zijn gesloten oog bij het lezen der bobbelig gedrukte letters, die de vindingrijkheid der liefde voor hem gereed maakte.

Van den mensch als mensch, van den mensch, die zijn hart, zijn Godsbesef, zijn schuldgevoel, zijn gevoel van ontzag en bewondering medebrengt en werken laat, is alzoo sprake, als we op de natuur wijzen, als een der middelen, waardoor God het ingeschapen Godsbesef verrijken wil.

Niet alsof men eerst Christen zou moeten zijn, om |49| die aandoening van de natuur te ontvangen. De eenige eisch, die gesteld werd, is, dat men zijn menschelijke eigenschappen werken late, de stem van zijn innerlijk wezen het zwijgen niet oplegge, en onbevooroordeeld den indruk opvange, dien de aanraking met de natuur op ons maakt.

En doet men dit, dan getuigt de Kerk van Christus aan elk mensch, dus ook aan den natuurkundige, in zoover hij als mensch wil optreden, dat door die natuur het innerlijk Godsbesef aangedaan, bewogen en versterkt wordt; dat hij zich, uit zondige neiging, geweld aan moet doen, om niet te hooren de stem, die uit het geheel der natuur en de veelzijdigheid dezer verschijnselen ook tot hem spreekt; dat hij zich, zijns ondanks, niet kan ontworstelen aan den indruk van macht en majesteit, van wijsheid en orde, die uit de schepping zich op ons werpt; en dat, mits hij het Godsbesef in zijn gemoed met dien indruk der schepping in verband brenge, de onzienlijke dingen ook op het gelaat der natuur leesbaar worden, die hem spreken van zijn God.

Maar evenzeer keert de Kerk van Christus zich tot haar belijders, ze vermanend, om niet uit verkeerd begrepen liefde voor hun God de natuur den rug toe te keeren, alsof men haar ontvlieden moest om zijn God te kunnen dienen; ze waarschuwend, dat zoo willekeurige scheiding op een scheiding tusschen godsvrucht en leven moet uitloopen, die aan den godsdienst zijn werkelijkheid, aan het leven zijn adel moet rooven; en ze dringend om terug te keeren tot de oude paden, die in de zienlijke schepping eeren doen, wat uit dingen die niet gezien zijn, is geworden.

Calvijn heeft dit schilderachtig uitgedrukt, toen hij |50| de Heilige Schrift vergeleek bij een bril. Zonder haar kunt ge op de schepping wel turen, maar niet lezen wat in haar letteren geschreven staat. Maar wordt uw oog verscherpt, verhelderd door het instrument der Schrift, dan ontkomen haar letteren aan de verwarring, die u eerst het lezen onmogelijk maakt, ge onderscheidt ze, spelt de woorden, verstaat den zin.

Let wel. Hij noemt de Heilige Schrift niet ons oog, maar de bril, die het zwakke oog te hulpe komt. Dat oog is er dus, ook al werdt ge nog niet tot de Schrift gebracht, en al is dat oog nog zwak, al is het tot goed lezen nog onbekwaam, het ontvangt toch indrukken, het bespeurt toch dat er iets geschreven staat, en dat juist is het, wat onze kerk met de natuurlijke Godskennis wil.

Van den beginne der schepping aan, dus ook eer de Schrift er was, eer de bijzondere openbaring kwam, werden Gods onzienlijke dingen, zegt Paulus, uit de schepselen, d.i. uit de natuur verstaan en doorzien.

Slechts struikele men niet op het woord natuur.

Zoo licht verstaan we daaronder uitsluitend bosch en velden, oceaan en firmament, licht- en luchtgolving. Hier daarentegen wordt met natuur al het zienlijke, al het voor uwe zintuigen waarneembare bedoeld, dus ook uw lichaam, ook uw kleedij, ook uw huis, ook aanraking met spijs en drank, met krankte en dood, waartoe het leven u brengt.

Daarom drukten we er zoo op. De voeding, die het Godsbesef uit de natuur ontvangt, is niet gebonden aan een wandeling in schoone dreven, maar biedt zich elk oogenblik in het volle rijke leven aan, zoo dikwijls ge het zienlijke geniet of met het zichtbare worstelt. |51|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004