V. De natuur


Geen spraak en geen woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord.

Ps. 19 : 4. a


Dusver bleek ons drieërlei:

In haar beginsel is de natuurlijke Godskennis niet verworven door oefening, of door studie verkregen, maar aangeboren, ingeschapen. Daarom aller deel, van ’s menschen natuur onafscheidelijk, hem eigen als mensch.

Ten andere: De natuurlijke Godskennis bestaat door de onafgebroken uitstraling van Gods alomtegenwoordige majesteit in geheel de schepping, dus ook in den mensch, die, voor die uitstraling gevoelig, van die majesteit een besef ontvangt. Daarom heet ze „sensus divinitatis” d.i. een gevoel der Godheid, „semen religionis” , d.i. een beginsel van de betrekking die ons aan God bindt, „theologia innata”. een kennis van God, die in onze creatuurlijke verhouding tot God haar grond vindt.

En dan. Zelfs door de zonde is die natuurlijke Godskennis niet vernietigd. „Gij bezit mij van achteren en van voren” blijft waar, al bedde ik mij in de hel. Zoo |35| weinig zelfs is door de zonde dit besef van Gods alomtegenwoordige mogendheid uit ons weggenomen, dat zoomin de Duivel en zijn gevallen engelen, als de verlorenen in den staat der volstrekte rampzaligheid, zonder vatbaarheid voor aandoeningen van de majesteit des Heeren denkbaar zijn.

Kort saâmgevat: De natuurlijke Godskennis is ingeschapen, en dus behoorend tot onze natuur; in ons uitgestraald, niet uit ons stralend; door de zonde tot een drukkende macht over ons geworden, verre van vernietigd.

Toch blijft de natuurlijke Godskennis in dit onbewust besef niet verzonken. Het streven, om zich rekenschap te geven van de aandoeningen die hij in zich waarneemt, is met den mensch zelf gegeven. Bij de aandoening van Gods alomtegenwoordige mogendheid is hij lijdelijk, even lijdelijk als onze longen bij de werking der lucht, onze oogen bij de aanraking van het licht, ons oor bij de trilling van het geluid. Dat Gods alomtegenwoordige mogendheid op hem uitstraalt, hem aanraakt en het weefsel van zijn hart trillen doet, kan de mensch beletten noch uitlokken. Hij kan zoomin voorkomen, dat de mogendheid des Heeren alomtegenwoordig is, als dat zijn wezen door die mogendheid wordt aangedaan. Noch in het één noch in het ander is iets van zijn eigen daad.

Die eigen daad ontstaat eerst, indien hij zich reken:schap zoekt te geven, wat die aandoening toch zijn mocht; zich afvraagt, waardoor die trilling in zijn wezen ontistond; in één woord, zich bewust zoekt te worden van het besef dat in hem opkwam.

Zonder meer zou de mensch natuurlijk nooit op den inval komen, dat die aandoening in zijn wezen een uitvloeisel van de majesteit des Heeren was; hoogstens zou |36| hij weten kunnen, dat een onzichtbare macht langs verborgen wegen toegang tot de schuilhoeken van zijn consciëntie had; al het overige bleef dan gissing.

Gissing of die macht uit de natuur of van hooger dan de natuur tot hem kwam. Gissing, of die macht gewerkt werd door een persoonlijk wezen, dan wel met de natuurmachten op één lijn ware te stellen. Gissing, of, stel ze werd door een God op hem uitgeoefend, die God slechts één der Goden of steeds dezelfde en dus alleen God, God voor hem was.

Maar die ingeschapen Godskennis staat niet op zichzelve, blijft niet zonder meer, is niet aan zichzelve overgelaten, maar ontvangt inhoud en verklaring door wat de mensch om en in zich waarneemt.

Behalve die aandoening van Gods mogendheid in het hart, is er nog een natuur, is er nog een menschenwereld, is er nog een verloop der dingen, dat we geschiedenis noemen, is er nog een overlevering, is er nog een persoonlijk leven van elken mensch.

Dit alles moet in rekening en met het ingeschapen Godsbesef in verband gebracht, zal de mensch tot het inzicht komen, wat de macht is, die hem inwendig rusteloos aandoet, en tot bewuste kennis geraken van den almachtigen God. Dientengevolge maakt onze kerk een scherp onderscheid tusschen het ingeschapen Godsbesef en de verkregen Godskennis. Bewust is alleen de laatste.

Toch vatte men dit niet zóó op, alsof de wetenschap, die natuur en historie, traditie en levensbevinding ons aanbrengt, los en zonder innerlijk verband aan het aangeboren Godsbesef werd toegevoegd, dus uiteraard toevallig en tot op zekere hoogte ontbeerlijk zou zijn. Door zulk een opvatting zou men het wezen der menschelijke natuur miskennen. |37|

De mensch hoort bij de natuur en de natuur bij hem. De mensch is aangelegd op innigen levenssamenhang met zijn medemenschen en kan zich dus buiten de menschenwereld niet in gezonden zin ontwikkelen. De mensch van het tegenwoordig geslacht staat in levensgemeenschap met de geslachten uit vroeger eeuwen, vormt dus een deel der geschiedenis en heeft op de winste der overlevering recht. Eindelijk, elk mensch heeft een eigen leven, eigen ervaringen, en is zonder een inwendige geschiedenis van eigen vorming en ontwikkeling eenvoudig ondenkbaar.

De mensch hoort bij de natuur. Niet doordien hij aan die natuur, nadat ze geschapen en gereed gemaakt was, door nieuwe schepping willekeurig is toegevoegd, maar zóó, dat alle schepping, die aan de schepping van den mensch voorafging, op hem doelde, op hem was aangelegd en eerst in hem haar reden van bestaan kon vinden. Evenals een voetstuk doelt op het beeld, dat men straks op zijn vlak zal plaatsen; een toebereide disch wacht op de gasten, die er zich aanstonds om scharen zullen; wieg en luiermand beide op het kindeke, dat nog niet geboren is; of wil men klavier en palet roepen om de hand van den kunstenaar, die in de wereld der tonen of der kleuren tooveren zal, zóó ook wordt de natuur eerst verstaanbaar als de mensch geschapen is, haar geniet, ze bewondert en beheerscht.

In zijn eigen lichaam draagt de mensch de gassen en vloeistoffen, de organische en anorganische stoffen, die uit die natuur genomen zijn en is voor zooveel zijn lichaam aangaat aan de wetten dier natuur onderworpen. En niet slechts aan de onbewerktuigde, maar veel sterker nog is hij naar zijn lichaam aan de bewerktuigde |38| natuur verwant. Heel het samenstel van zijn lichaam is de kroning van wat de dierenwereld vóórhem reeds bezat. Zijn oog is op het licht zijn bloed op de lucht, zijn oor op het geluid aangelegd. De aarde draagt, voedt en kleedt hem. Schier niets biedt de natuur ons aan, waarmeê de mensch geen voordeel weet te doen voor zijn gebruik, zijn gemak, zijn genot, zijn weelde, al ware het slechts om zijn vindingrijkheid ten toon te spreiden.

De betrekking tusschen den mensch en de natuur is dus in zijn wezen zelf gegrond, innig, alzijdig, niet door hemzelf uitgezonnen, maar tegelijk met zijn schepping gegeven.

Geen wonder derhalve, dat de twee dingen, die den mensch met zijn aanzijn zelf gegeven zijn, eenerzijds het onvernietigbaar Godsbesef, en anderzijds zijn aanhoorigheid tot de natuur, ook op hun beurt in onderlinge betrekking treden.

De natuur is een ontzettende macht, waartegen de mensch uit zucht naar zelfbehoud worstelt. Ze is als een vloed om hem, die hem, verslinden wil. Niet minder dan zijn leven heeft hij te verdedigen tegen het sterkere dier, de giftige plant, de pestaardige ziekte, de vernieling der elementen, hitte en koude, droogte en plasregen; dorheid van den bodem hier, ginds onzuivere uitdamping dwingen hem om op zijn hoede te zijn, naar bescherming uit te zien en zich te verweren. Op het grooter deel van den aardbodem moet hij worstelen met den bodem om zijn bete broods, moet een stuk kleed om zijn naaktheid te dekken met inspanning op de weêrbarstigheid der natuur veroverd; en is een sober genot na rustelooze krachtsuitputting de karige buit, dien |39| hij aan die machtige natuur ontweldigen kan. Zelfs loopt, ondanks dien reusachtigen strijd, de weêrstand der natuur maar al te vaak op ’s menschen ondergang uit. De storm spot met der scheepslieden beleid. De bliksem doodt den herder in het midden zijner kudde. De pestziekte keert terug in weêrwil van uw hygiène. En ook al treft u dat buitengewone niet, toch sluipt de doodskiem u in de leden en viert de natuur ook over u haar zegepraal, als ze u, strijdens moê, ten leste doet nederdalen in haar graf.

Die indruk van de macht der natuur is thans zwakker dan eertijds en wordt in de steden minder sterk dan op het land, in onze streken minder heftig dan aan de Pool en om de Linie ervaren. Niet wijl de werking van de natuurmacht thans minder, maar wijl, als vrucht van vroegeren strijd, onze borstwering tegen haar aanval beter gedekt en gewapend is. Wat is een groote stad in haar diepste gedachte anders dan een reusachtige vesting, waarin men zich opsloot om aan de tirannie, de grillen en nukken, ja aan de rustelooze vervolging der natuurmachten te ontkomen?

Toch blijft ook voor ons die natuur nog steeds een ontzagwekkende macht. Juist de rustelooze inspanning, om haar onmiddellijke werking te breken, toont te over, welk een macht ze bezit en welk een verschrikking ze ons inboezemt. Schier zou alle arbeid des levens te herleiden zijn tot een vereende poging van alle beschikbare menschelijke macht, om de vernielende werking van de krachten der natuur te keeren.

Eerst zóó opgevat, kan men verstaan, welk een inhoud de natuur aan ons Godsbesef geeft. Ten onrechte heeft men, waar van kennisse Gods uit de natuur sprake |40| was, zich den mensch voorgesteld als stil en deftig de natuur doorwandelend, om uit de aanschouwing van haar orde, regelmaat en schoonheid op te klimmen tot de kennisse van Gods groote krachten. Niets is minder waar. Zulk een wandeling en stille aanschouwing is voor den gewonen mensch uitzondering. Zijn gewone, zijn gestadige aanraking met de natuur grijpt in het menschenleven zelf, in de zorg voor zijn lichaam, in den strijd om zijn levensbehoud plaats. Niet afgetrokken bespiegeling of stille contemplatie, maar rustelooze pijnlijke ervaring heeft den mensch met de macht der natuur bekend gemaakt.

Belang in den hoogeren zin van het woord, niet kalme waarneming; eerst zelfs angst, niet bewondering heeft den mensch tot nauwkeurig letten op de bewegingen der natuur genoopt. Zooals men zijn vijand gadeslaat en naspeurt in zijn gangen, zoo heeft het menschelijk geslacht, elk individu (van de wijsgeeren en natuurkundigen spreken we niet) de natuur om zich en in zijn eigen lichaam bespied en is hij op bedwinging van haar macht uit geweest. Daardoor is de indruk van de macht der natuur zoo diep, zoo blijvend, zoo ontzagwekkend geworden; de indruk, niet van de zee, gelijk men die op het strand; niet van het ijs, gelijk men dat op de rijbaan; niet van het onweder, gelijk men dat uit de verte waarneemt; niet van den starrenhemel en het bloembed, dat het oog verrukt; maar de indruk, dien de zee maakt op den schipbreukeling; van de ijsbergen om de Pool; van den bliksem die insloeg; van den loop der starren voor den woestijnreiziger; van de kruiden voor den kranke; van elk deel der natuur, waarmeê we, als leven of welstand op het spel stond, in aanraking kwamen. |41|

In de levensworsteling zelve heeft de mensch leeren inzien dat de natuur niet maar uit stukken en brokken bestond, maar één macht was, niet doode stof was, maar leefde; geen grillig spel speelde, maar orde, wet en regelmaat in zich droeg; niet slechts verschijnsels bood, maar als een ontzagwekkende macht op ons aantrad.

Twee machten dus, die op den mensch aandringen. De ééne, die langs verborgen wegen tot hem komt in het verborgen van zijn gemoed en hem inwendig aanraakt; de andere, die van buiten tot hem komt, zijn lichaam aantast en uitwendig met hem in aanraking treedt. Op twee wijzen gestoord is onze rust: door de trilling van het Godsbesef in ons en door de beweging der natuur in ons lichaam en om ons heen.

Bestaat er tusschen die twee machten verband? Dus luidt de vraag, die, zich vanzelf opdringt, en schier allerwegen heeft de mensch die vraag onmiddellijk toestemmend beantwoord. Twee handen van eenzelfde macht. De ééne hand, die de snaren daarbinnen deed trillen; de andere, die in de krachten der natuur greep en ze beurtelings aan zijn voeten leî, beurtelings vernielend op hem wierp. Zóó eerst ontwaakte het besef, dat die natuur en de macht, die in haar werkte, twee waren. Zoo eerst doorzag men, dat niet in, maar achter die natuur de macht school, die haar bruisen en gisten deed. Hoor het van Paulus, den apostel des Heeren, wat ons allereerst in de natuur treft is niet haar orde, niet haar schoonheid, maar uitsluitend haar kracht. Wat toch zegt hij dat, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien wordt? Lees het in Rom. 1 : 20: „beide, zijn eeuwige kracht en daarna zijn goddelijkheid.” |42|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004