IV. Niet „inwonend” maar „afgebeeld”


Hef uwe oogen omhoog en zie wie al deze dingen geschapen heeft.

Jesaia 40 : 26. a


De aangeboren Godskennis is voor den mensch geen bezit, dat hij, ook al dacht ge God Almachtig een oogenblik weg, desniettemin zou blijven genieten. Ze wordt veeleer van oogenblik tot oogenblik door en uit God zelf in hem uitgestraald. Ze is de gestadige indruk van ’s Heeren alomtegenwoordige mogendheid op het leven zijner ziel. Zoo men wil het schijnsel van het licht des Eeuwigen, dat in den spiegel van zijn hart valt; de aandoening van den adem des Almachtigen, die in zwakker of sterker mate geheel zijn wezen trillen doet; het is God zelf, die het geruisch van de zoomen zijns kleeds op den drempel van zijn heiligdom doet doordringen tot ’s menschen oor.

Van een spiegel is het vermogen om het licht te weêrkaatsen onafscheidelijk. Ook al wordt de oppervlakte van zijn glas door scheuren gebroken, door stof bezoedeld en van zijn glans beroofd, toch blijft het voor de |28| inwerking van het licht aandoenlijk. Soms zelfs is het of de lichtstraal op de kanten der scheuren nog scheller speelt. Slechts één ding kan de gescheurde, verbrijzelde en bezoedelde spiegel niet meer: wèl licht, maar niet het beeld vangt hij op.

Zoo nu ook is het met den spiegel, dien de Heer zich geformeerd heeft in het hart des menschen. De spiegel van dat hart is in den zondeval gescheurd, gespleten, gebroken en aan alle kanten verbrijzeld, en voorts door de werkelijke zonden met stof en vlekken overdekt en bezoedeld. Maar niettemin blijft het gebroken glas toch glas, d.w.z. het blijft desniettegenstaande, ook in zijn vergruizelden staat, het vermogen en de eigenschap bezitten, om het licht op te vangen en terug te kaatsen. Vandaar dat ook de mensch in zijn gevallen staat aandoenlijk blijft voor de uitstraling van Gods mogendheid. Ook op de scherven en kanten van de glasstukken, waarin de spiegel van zijn hart uiteenviel, speelt het licht van de majesteit des Heeren, teekent er zich schel op af en maakt zijn aanzijn waarneembaar. Slechts hierin is de gevallen van den niet-gevallen mensch onderscheiden, dat het beeld Gods, waarvan de ongebroken zielsspiegel het zuivere afschijnsel opving, door de scheuren en vlekken van den gebroken spiegel onzichtbaar is geworden. Het licht vindt nog zijn aansluiting, het beeld niet meer.

Om nu te kennen te geven, dat noch dit licht noch dit beeld uit den spiegel zelf voorkomt, maar er slechts in wordt afgekaatst, maakt onze kerk onderscheid tusschen oorspronkelijke en afgeleide of, wil men, tusschen inwonende en afgebeelde Godskennis.

Oorspronkelijke, inwonende kennisse van het Goddelijk |29| wezen bezit alleen de Heer zelf. „Hem zelf bekend en niemand nader,” zingt het engelenchoor in Vondels Lucifer. „Niemand heeft ooit God gezien; de ééniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons uitgelegd,” schrijft de Evangelist en Apostel. „Niemand kent den Vader dan de Zoon en wien het de Zoon wil openbaren,” getuigde Jezus, onze Heer.

De kennisse van zijn wezen is in God zelf oorspronkelijk; door niemand is ze Hem aangebracht; niemand heeft Hem de mysteriën van zijn eigen wezen ontsloten; ondoorzoekelijk zijn zijne gedachten en onnaspeurlijk zijn wegen, doorzocht en nagespeurd door Hem zelf. En ook, inwonend is die kennisse Gods in God zelf alleen. Denk u alle schepsel weg, denk u terug achter den dageraad van den scheppingsmorgen, toen in het ongeboren licht nog niets was dan het eeuwig Wezen, zich verlustigend in eigen heerlijkheid, — en door alles buiten God weg te denken, ontneemt ge aan het volle, diepe en doorzichtige zijner eigene Godskennis nog geen stukske.

Maar alzoo was de aangeboren Godskennis in den nog onzondigen mensch niet, ook niet voor zijn val. In den mensch is niets oorspronkelijks, allerminst de kennisse die hij van den Almachtige bezit. In den mensch is slechts datgene, wat van buiten tot hem komt. Zelfs het aangeborene is den mensch niet oorspronkelijk eigen, maar hem gegeven, van elders toegekomen, uit een bron, die buiten hem ligt, afgeleid. Er is niet in den mensch een zekere wetenschap over God, waardoor hij, tot God opziende, God herkent; maar God zelf is het, die den mensch aanraakt, met den adem zijner mogendheid |30| over hem komt, zichzelven in hem uitstraalt, op hem afkaatst en hem dus met het afschijnsel zijner majesteit aandoet. Zooals God zich aan den mensch te kennen geeft, alzoo wordt Hij door den mensch gekend.

Gold dit reeds van den mensch in den staat der rechtheid, te sterker nog gaat dit door bij den gevallen mensch. Zelfs wat in zijn oorsprong hem gegeven was, ging door de zonde te loor, en er is geen wetenschap van God of goddelijke dingen voor hem denkbaar, hoe gebrekkig, hoe vervalscht, hoe onwaar ook, dan nadat en doordien de majesteit des Heeren zich nederbuigt om haar glansen te doen spelen en haar stralen te doen breken op het gehavend en onkenbaar geworden spiegelvlak zijner ziel.

Afgeleid dus, nooit oorspronkelijk, is onze Godskennis, „ectypa, non archetypa” of, wil men, afgekaatst, niet inwonend.

Eenigermate althans kan de vergelijking van het beeld op het portret met het beeld op den spiegel het verschil tusschen afgekaatst en inwonend ophelderen. In het konterfeitsel is, rust, woont het beeld, onverschillig of de persoon, dien het voorstelt, in het vertrek aanwezig, ja, nog in het land der levenden is. Het beeld op den spiegel daarentegen is van de tegenwoordigheid des persoons afhankelijk. Zoolang hij er voor staat, ziet ge in den spiegel zijn beeld, met zijn heengaan trekt ook zijn beeld uit den spiegel weg. Het woonde niet in dat glas, maar werd er slechts op afgekaatst. Denk u het ondenkbare, dat Gods alomtegenwoordige majesteit zich uit de sfeer der schepping, waarin gij leeft, kon terugtrekken , en van hetzelfde oogenblik af zou alle aangeboren Godskennis uit uw ziel verdwijnen, |31| zelfs de aanbidding van een afgod zou met die ure onmogelijk zijn geworden. Reeds om de enkele gedachte, de behoefte, hoe zwak ook, aan aanbidding in u te voelen opkomen, moet er een aandoening van Gods majesteit op den bodem uwer ziel zijn.

Het eenige, wat, trok zich Gods mogendheid terug, in uw wezen zou achterblijven, zou zijn de vatbaarheid, de mogelijkheid, de aanleg, om, brak de glans zijner majesteit weêr door de wolken, er weêr door te worden aangedaan, ze weêr te ervaren, de kennisse Gods terug te erlangen.

Dat is en blijft, met en onder schuld en zonde, met en onder dood en doem, het onuitroeibaar, onuitwischbaar, van uw wezen onafscheidelijk merkteeken, waaraan ge onder de alsoortige schepselen des Heeren als mensch herkenbaar blijft.

Dat niettemin onze kerk nooit van een aangeboren vermogen om God te kennen, maar steeds van aangeboren Godskennis gesproken heeft, is juister, vromer en nauwkeuriger dan de wijze van uitdrukken, waaraan men zich thans went.

Ware het vermogen om de tegenwoordigheid Gods te ervaren ooit zonder die ervaring denkbaar, m.a.w. kon God Almachtig ooit een oogenblik ophouden den glans zijner majesteit af te kaatsen in de scheuren onzer ziel, dan ware ongetwijfeld het spreken van zulk een aangeboren vermogen, onderscheiden van de aangeboren Godskennis, gewettigd. Nu daarentegen dat onderstelde niet ondersteld worden kan, ja het onderstellen zelf er van reeds indruischt tegen den eersten eisch van het vroom gevoel, en dientengevolge het vermogen om God te kennen, eerst in de meêgedeelde, uitgestraalde |32| Godskennis waarneembaar wordt, is aangeboren Godskennis de eenig goede, den eisch der vroomheid bevredigende en derhalve der godgeleerdheid passende uitdrukking, die in de Belijdenis der Christelijke Gemeente geschreven dient te worden.

Wie van het vermogen om God te kennen spreekt, doolt af op de paden, door onze wijsgeeren geëffend; de Kerk die belijden wil, wat ze niet door haar peinzen uitgedacht, maar krachtens de veelzijdige openbaring Gods ervaren heeft, wijst op het feit, op de werking, op den majestueusen indruk van ’s Heeren alomtegenwoordig aanzijn, en verklaart aan de wereld, haar in de consciëntie grijpend, dat er in een iegelijken mensch, uit een vrouw geboren, aangeboren natuurlijke Godskennis bestaat.

Nog een andere, niet minder diepe gedachte verbiedt ons het spraakgebruik der Kerk voor dat der wijsgeeren in te ruilen.

Gewaagt men van een vermogen, den mensch toebedeeld, om God te kennen, dan ligt het gevaar voor de hand, dat de mensch zich inbeelde, God te kunnen begrijpen en, wat slechts één schrede van het „begrijpen” af ligt, God te kunnen beoordeelen.

Ons is ook het vermogen toebedeeld om het schepsel te leeren kennen. Zoo dikwijls we van dit vermogen gebruik maken, plaatsen we ons boven het schepsel, stellen we het als een voorwerp ter beschouwing en waarneming voor ons en rusten niet, eer we het meester zijn geworden.

Op gelijke wijs tegenover den Heere, onzen hoogen en almachtigen God, te handelen is de verfoeilijke neiging van ons hoovaardig hart. Ook te zijnen opzichte |33| poogt de mensch zich tegenover het voorwerp zijner kennis te plaatsen, het voor zich te trekken, als aan zich te onderwerpen en niet te rusten eer hij het meester werd met zijn begrip en door zijn begrijpen kan beoordeelen.

Dat dit nooit tot Godskennis leiden kan, maar er van afvoert en eer de vonkjes van kennisse Gods, die in ons hart waren, verdooft, spreekt vanzelf. Op hoovaardij rust nooit de zegen, dien de kennisse Gods ons in de zielsgenieting des eeuwigen levens brengt. God te kennen en het eeuwige leven door de aderen der ziel te voelen stroomen, zijn naar Jezus’ eigen woord volstrekt één. Niet zoo, alsof men na God te hebben leeren kennen, als loon voor zijn inspanning, als vrucht van zijn arbeid, het eeuwige leven inoogstte, maar in dien zin, dat de kennis met het leven saâmvalt, van het leven onafscheidelijk, dat leven zelf is.

Wordt nu onbetwistbaar, door het heenwijzen op ons vermogen om God te leeren kennen, die zondige neiging gevoed in steê van bestreden, en de zucht bevorderd, om onder de kennisse Gods iets anders te verstaan, dan het ons bewust worden van de levensindrukken, die Gods mogendheid op onze ziel maakt, dan mag elke verdere rechtvaardiging van ons protest tegen dit afwijken van de leer der Kerk overbodig heeten, en durven we aan godgeleerden, in engeren en wijderen kring, met eenige gerustheid de vraag voorleggen, of de Belijdenis der Kerk het ook te dezen opzichte niet in vromen zin, in diepte en nauwkeurigheid van de nieuwere inventiën wint. |34|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004