III. De ingeschapen Godskennis


Hunne consciëntie medegetuigende.

Rom. 2 : 15. a


De natuurlijke Godskennis is in haar eerste kiem geen vrucht van onderzoek, ons niet aangebracht door opvoeding, niet in ons ontstaan door eenig toedoen van menschen, maar ons aangeboren, onmiddellijk met ons aanzijn zelf gegeven, en daarom onafscheidelijk van onzen menschelijken persoon.

Om een definitie gevraagd, wat een mensch was, schreef Calvijn: Een mensch is een wezen, dat zich door godsvrucht naar God uitstrekt.

Het zaad der godsvrucht is ons daarom niet aangeboren, gelijk de reuk of het gezicht, vlugheid of tact, kunstzin of talent ons zijn aangeboren. Dit alles zijn bijkomstige eigenschappen, die ontbreken kunnen, zonder dat we ophouden mensch te zijn. De blinde, de onhandige, de man zonder gevoel voor de tonenwereld, is niettemin mensch. Deze eigenschappen vorm en dus geen onmisbaar bestanddeel van zijn menschelijk wezen. |21| Ze onderscheiden den eenen mensch van den anderen, niet het creatuur „mensch” als zoodanig van alle creaturen buiten hem.

Maar met het besef van God staat het anders. Zonder dit besef is de mensch als mensch niet denkbaar. Hij houdt niet op mensch te zijn, indien hij het verliest: hij kan het eenvoudig niet verliezen, niet uitschudden, niet van zich zetten. Het is waar hij is. Het komt met hem ter wereld en gaat met hem in de eeuwigheid. Vernietigd kan een mensch niet worden en daarom ook niet het besef van Gods aanzijn, dat van zijn menschelijk bestaan onafscheidelijk is.

Dit feit spreekt de Christelijke Kerk uit, van deze waarheid legt ze getuigenis af, niet om meê te spreken in de scholen der wijsbegeerte, maar om een iegelijk mensch, philosofen en geen-philosofen, in de consciëntie te raken en op de knieën te brengen voor de hoogheid onzes Gods.

Er zijn geen atheïsten, leert de Kerk.

Wel zijn er menschen, bij wie in den regel de indruk van Gods majesteit door hun routineleven, hun hoogmoedig bestaan, hun zinlijke genieting of stoffelijke bezigheid onwaarneembaar is. Evenzoo stuit men, vooral in onzen tijd, op tal van individuën, soms op geheele levenskringen, die aan den indruk van Gods majesteit, waaraan ook zij zich niet ontworstelen kunnen, een andere verklaring zoeken te geven. Soms zelfs vindt men forsche karakters, wier streven opgaat in het rusteloos pogen, om het geloof aan Gods majesteit uit te roeien. Maar atheïsten, in den zin van menschen in wier innerlijk bestaan de indruk van Gods majesteit ontbreken zou, zijn er niet. |22|

Let wel, we bedoelen niet den indruk, die door de aanschouwing der natuur, of door den strijd van het zedelijk leven, of het rekenen met de geschiedenis wordt gewekt. Al wat buiten den mensch ligt laten we voorshands ter zijde. Het semen religionis, het zaad der godsvrucht, waarvan Calvijn en op zijn voetspoor onze groote theologen, gewagen, ligt in den mensch als mensch, ook al sluit ge hem af van de natuur en van het menschenleven. „Om de aandoening van Gods majesteit te ervaren, zegt Calvijn, is het allerminst noodig, dat de mensch buiten zichzelven trede. In ons eigen wezen werkt de uitstraling van Gods hoogheid.”

Tot dezen indruk op ons hart werken wij zelven in niets mede. De mensch ondergaat dien indruk geheel lijdelijk. Gelijk het oog willens of onwillens den indruk van het licht ontvangt, zoo kan ook de mensch zich niet aan den indruk van Gods hoogheid onttrekken. Die hoogheid straalt in de onzienlijke wereld naar alle zijden met goddelijke majesteit uit, door niets gestuit, door niets tegengehouden, alles doordringend wat tot het domein van die onzienlijke wereld behoort, en daarom geen enkel menschenhart onaangeroerd latend, wijl de mensch naar zijn innerlijk bestaan wel terdeeg woont in dat onzienlijke.

Reeds hieruit volgt, dat dit „zaad der godsvrucht” op zichzelf noch tot de erkentenis van Gods eigenschappen noch tot de doorgrouding van zijn wezen leidt. Zelfs dient erkend, dat dit innerlijk besef in den zondigen mensch even gereedelijk tot afgoderij, tot spiritisme, tot het vereeren eener laatste oorzaak, ja zelfs tot genieaanbidding en menschenvergoding leiden kan.

Slechts in den onzondigen mensch zou deze |23| onweêrstaanbare indruk van Gods hoogheid tot innerlijke openbaring van zijn wezen zijn voortgeschreden en, uitgezonderd het genadeleven, alle werking van ’s Heeren mogendheden hebben ontvouwd. De mensch, gelijk hij uit Gods hand is voortgekomen, zou, ware hij niet in zonden gevallen, zonder bovennatuurlijke openbaring, den indruk van ’s Heeren majesteit verstaan hebben, door dien indruk tot gemeenschap, met God, en door die gemeenschap tot zijn waarachtige kennisse zijn doorgedrongen.

Thans kan dit niet. Een storende invloed is tusschen beiden getreden. Evenals het kranke oog het licht nog wel ervaart, maar schuwt, trekt ook ’s menschen ziel zich pijnlijk in zichzelve terug, zoolang ze in haar nietverlosten toestand door de uitstraling van Gods majesteit wordt aangedaan. Tot op zekere hoogte is God te ontvlieden; tot op zekere hoogte is dit voor den zondaar zelfs noodzakelijk. „Ga van mij uit, want ik ben een zondig mensch,” is onmiddellijke uiting van den doodsangst, waarmeê het heilige den zondaar overstroomt. Wie God ziet, moet sterven, was Israëls diepste levensgedachte, en geheel de Schrift des Ouden Verbonds is ten bewijze, door wat siddering en ontzetting de Godsmannen en patriarchen en profeten bij het naderen van ’s Heeren majesteit werden aangegrepen.

Gevolg hiervan is, dat de zondaar op den duur niet buiten aanbidding leven, maar, ter ontkoming aan Gods hoogheid, zich het mindere en creatuurlijke tot voorwerp van aanbidding kiest. Zoo men wil, is het ’s Heeren majesteit zelve, die den zondaar, tot straf voor zijn afkeer, in de armen der afgoderij werpt. „Daarom heeft hij ze overgegeven in een verkeerden zin.” |24|

De afgoderij is dus niet, gelijk onze hedendaagsche wijsgeeren ons vertellen, een lagere ontwikkelingsvorm van het godsdienstig leven, maar een misvorming van de echte godsvrucht. De afgodendienaar klimt niet van lieverleê tot reiner kennis en voller gemeenschap op, maar beweegt zich op een weg, die, gelijk de historie bij alle volkeren toont, uitloopt in twijfelzucht en geestelijk onvermogen. Slechts dit ware schuilt in dit zonderling beweren, dat ook de afgoderij voortkomt uit de aangeboren Godskennis en zoomin in de menschenals in de dierenwereld zou bestaan, indien de mensch van nature buiten alle aandoening van Gods majesteit en hoogheid stond.

Nooit mag dus het pogen gewaagd, om door deze aangeboren Godskennis iets, hoe gering ook, af te dingen op de volstrekte noodzakelijkheid der wedergeboorte. Zelfs onder de gunstigste omstandigheden kan deze kiem der godsvrucht in den zondaar nooit of nimmer tot hooger leven gedijen. Tot redding van den zondaar is het genadeleven noodig en daarvan ligt in de aangeboren Godskennis niets. Zoomin het doodelijk kranke oog zich door in het licht te staren tot de vorige kracht van het gezichtsorgaan herstellen kan, zoomin kan de zondaar weêr tot harmonische gemeenschap met den Heilige geraken, al ontvangt hij ook in zijn dood even sterk den indruk van Gods majesteit, als het kranke oog den indruk van het schelle licht. Zelfs edele figuren, als Socrates en Plato, wil men, voeg er dan Confucius en Buddha bij, staan van het genadeleven Gods even ver als de diepst in zonden verzonkene, al toont hun nalatenschap onwederlegbaar, dat de hun aangeboren kennisse van het goddelijke op zeldzame hoogte ontwikkeld was. |25| Ze hebben de schittering van Gods majesteit aanschouwd, maar nooit het zalige van de gemeenschap zijner barmhartige liefde gesmaakt. Wijzen waren ze, maar geen teruggekeerde kinderkens in het Vaderhuis. Ze waren niet overgegaan uit den dood in het leven.

De thans, vooral bij geloovige godgeleerden, in zwang gekomen zegswijs, om deze aangeboren Godskennis met de „consciëntie” te vereenzelvigen, nemen we niet over. Zeer zeker hangt het gebied der consciëntie met de aangeboren Godskennis op het nauwst saâm. Zonder de laatste is de consciëntie ondenkbaar. In den regel neemt de zondaar den indruk van Gods majesteit het sterkst in de consciëntie waar. En toch zijn beide niet hetzelfde. De consciëntie onderstelt een verleden, woorden of daden, waarin we ons bezondigd hebben, als openbaring van onze diep onheilige en zondige natuur, en kondigt ons daarover een hooger oordeel aan. Ze geeft ons dus geen aangeboren kennis van God, maar een van lieverleê zich openbarende kennis van ons eigen wezen. Het geweten is het innerlijk medeweten met God den Heilige van onze zonden. Bij een kind gaat de eerste werkelijke zonde aan de ontdekking, dat het een geweten heeft, vooraf. Vandaar dat bij een kind de aangeboren Godskennis veel sterker zich openbaart dan bij den volwassene, die onbekeerd bleef, terwijl het geweten, juist omgekeerd, bij het kind het zwakst is en bij den volwassene, ook al kwam hij niet tot bekeering, zich veel sterker openbaart. Het geweten behoort tot het domein van het zedelijk leven, de aangeboren Godskennis tot dat van het godsdienstig leven, twee sferen, die zeker in nauw verband staan, maar toch nooit in onze voorstelling mogen saâmvallen. |26|

We geven daarom aan de uitdrukkingswijze van onze Hervormers de voorkeur, niet wijl ze ouder, maar wijl ze juister gedacht is, beter onderscheidt wat onderscheiden moet worden en ons minder aan gevaar voor afdoling naar den Pelagiaanschen kant blootstelt.

Te scherper komt dit uit, zoo men in het oog houdt dat het geweten als geweten uitsluitend in den zondaar werkt. Eenmaal gereinigd zijnde, zegt de Hebreërbrief, zouden ze geen consciëntie der zonde meer gehad hebben. In den staat der gelukzaligheid is geen werking des gewetens denkbaar. Van Jezus wordt door geen enkel Apostel of Evangelist een werking der consciëntie vermeld. Bij Adam vóór den val zou een werking der consciëntie ongerijmd zijn geweest. Bij den bekeerde duurt de werking der consciëntie slechts daarom voort, omdat hij, van nature vleeschelijk en verkocht onder de zonde, zijn leven buiten zichzelven in Christus heeft.

Staat het nu vast, dat de aangeboren Godskennis bij Adam vóór den val wel terdege aanwezig was, van Jezus onafscheidbaar is en ook in den staat der heerlijkheid de grondtrek zal blijven van ons wezen, dan blijkt hieruit, dat verwarring van dit „semen religionis” met de consciëntie, van min juiste onderscheiding uitgaat en dies niet mag worden toegelaten. Ook te dezen opzichte heeft vooral de ethische richting ongetwijfeld een belangrijk moment der waarheid in herinnering gebracht, maar ten onrechte het spoor onzer Gereformeerde theologie verlaten, om een zienswijs ingang te doen vinden, die, hoe uitnemend ook bedoeld, de behoeften der Gemeente niet kon bevredigen. |27|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004