II. Wat de Kerk eens van dit stuk beleed


Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen.

Rom. 1 : 25. a


Eerst dient herinnerd wat de Kerk onder „natuurlijke Godskennis” verstond; niet in den aanvang dezer eeuw; ook niet in de vorige; maar in haar beste dagen, toen ze nog hart voor waarheid had, den invloed der waarheid op het leven begreep en daarom valsche bijmengsels van haar belijdenis verre hield.

Overbodig is die herinnering niet. Gemeenlijk toch vormt men zich van die natuurlijke Godskennis een carricatuur en verstaat er kortweg zekere vage indrukken onder, die de aanblik der schepping, de tik van het geweten of de lezing der geschiedenis ons van het bestaan Gods geeft.

Eenmaal op dien weg afgedoold, moet men de waarde der natuurlijke Godskennis wel uiterst laag schatten. Wat toch baten u die vage indrukken, die tot geen zekerheid leiden kunnen? Wat zoudt ge, eenmaal tot den frisschen stroom der Heilige Schrift genaderd, nog |12| omzien naar de gebroken waterbakken, waaraan de heidenwereld de lessching van haar dorst beproeft? Staat het niet zóó met de natuurlijke Godskennis, dat ze u, eer ge de Schrift vondt, geen stap verder bracht, en, nadat de Schrift uw één en alles werd, overtollig werd en tot niets nut? Wie blaast het zieltogend nachtlicht niet uit, zoodra het volle daglicht door de open vensters in zijn kamer valt? Ware die voorstelling dan ook juist en ging die vergelijking door, we zouden de eersten zijn, om elken arbeid door de Gemeente aan de natuurlijke Godskennis ten beste gegeven, verloren te achten en het voetspoor te drukken dier dualistische godgeleerden, die in volstrekten zin met alle natuurlijke Godskennis, als deel der belijdenis, hebben gebroken.

Maar dat is het juist, wat we betwisten. De vergelijking van nachtlicht en zonneglans gaat niet op. Wat men tamelijk algemeen onder natuurlijke Godskennis verstaat, vormt slechts een deel van haar inhoud en rukt dat deel nog uit zijn verband. Een soort van philosophie heeft men er van gemaakt, die buiten het leven der vroomheid omging, het hart niet raakte, voor den mensch als mensch geen beteekenis had en zich in doellooze bespiegelingen verliep. Althans onder die verdenking mag ze niet langer blijven. Daartegen dient geprotesteerd. Men behoort weêr te weten, dat de natuurlijke Godskennis het uitgangspunt is, waarbij alle paden der godsvrucht beginnen.

Haar kern ligt dan ook niet in de bewondering der natuur noch in de bestudeering der geschiedenis, maar in het onderzoek naar den mensch als mensch.

De vraag waarvoor ze zich stelt is allereerst deze: |13| Is in het hart des menschen van nature al dan niet eenige kennisse van God ingeplant? Hoe hebt ge den mensch, gelijk hij thans in zonden ontvangen en geboren wordt, zoolang hij zich nog niet bekeerde, te beschouwen: als een steen en blok, en dus voor elke aandoening van God en goddelijke dingen zelfs onvatbaar, of wel, is er zelfs in den gevallen mensch van nature zekere openbaring van Gods mogendheid in de diepste kern van zijn wezen?

Op die vraag antwoordden de Pelagianen en de Socinianen, deels ook de Roomschen en de Remonstranten, dat de mensch van nature de kennis van Gods aanzijn niet bezit en meer of min geleek op een stuk wit papier, een tabula rasa, waarop door opvoeding en omgeving beurtelings het goede, beurtelings het kwade geschreven werd, tusschen welke twee de mensch zelf dus had te kiezen. Vooral de Socinianen dreven dit ver, ontkenden elken band tusschen ’s menschen natuur en Gods wezen en beschouwden de kennisse Gods, die het deel der vromen was, als een gave , die niet naar eisch van, maar in strijd met ’s menschen natuur hem werktuiglijk was meêgedeeld. En wees men hen op het onloochenbaar feit, dat bij alle volken ter wereld eenige Godsvereering, hoe diep dan ook gezonken, gevonden werd, dan redden ze zich door de uitvlucht, dat priesterlist en vorstenheerschzucht looze mysteriën uitgedacht en ijdeltuitige plechtigheden hadden ingevoerd, om de onkundige menigte te misleiden en te onderwerpen aan hun gezag.

Tegen die voorstelling kwamen de vrome godgeleerden der Gereformeerde kerk met klem en nadruk op. Ze gaven niet toe, dat het in den strijd met de |14| Socinianen een beuzelachtig geschil gold, maar beweerden terecht, dat naar gelang uw blik op den mensch, op zijn natuur en wezen, het zaad der Godskennis in hem erkent of loochent, geheel uw belijdenis een andere, een andere de ontwikkeling uwer maatschappij wordt. Ze keurden het zelfs in de Luthersche zusterkerk af, dat deze zich in het bestrijden dezer gronddwaling minder ijverig betoonde en ontleende hieraan slechts een prikkel te meer, om in de handhaving van dit gewichtig stuk der waarheid te volharden.

God te kennen is wel terdeeg eisch onzer menschelijke natuur, en hoezeer ook onze natuur door de zonde bedorven is, zóó diep bedorven dat het niet dieper kan, toch blijft, wat bedorven is onze menschelijke natuur en is daarom zonder dien eisch om God te kennen ondenkbaar. Men mag niet beweren, dat er aan het diep bederf onzer natuur iets ontbreekt, als had dit bederf nog verder kunnen gaan, zoodat bij dieper doordringen van dit bederf zelfs die natuurlijke Godskennis zou zijn te loor gegaan. In dien zin spreken onze vaderen nooit. Hun opvatting van de diepte der zonde sneed elke moelijkheid tot nog diepere opvatting af. De zonde gold hun als absoluut kwaad. Het verderf, door de zonde te weeg gebracht, was in hun schatting volstrekt. Een afdingen op de diepte van dit verderf lieten ze niet toe. Ze vonden de natuurlijke Godskennis, niet in een verborgen schuilhoek van het menschenhart, die bij geluk voor de besmetting der zonde was bewaard gebleven, maar integendeel, middenin het diep bederf, dat door de zonde over geheel onze natuur was gebracht.

Een indruk van Gods bestaan en van aanhoorigheid aan God te hebben is de vaste eigenschap van alle |15| redelijke wezens. Ze kunnen zonder dien indruk geen oogenblik gedacht worden. Hun zedelijke ontaarding verandert wel de verhouding, waarin ze tot God staan, maar heft den indruk, dat ze met God te doen hebben, niet op.

De duivel gelooft ook, maar siddert, d.w.z. ook de Sathanas kan den indruk van Gods aanzijn en zijn aanhoorigheid aan hem geen oogenblik van zich weren; maar die indruk, in steê van hem in het diepst van zijn wezen weldadig aan te doen, brengt geheel zijn innerlijk bestaan in gestadige siddering en verschrikking. Wie zal nu beweren, dat de Sathan, ware hij nog dieper gevallen, ook dit besef zou verloren hebben? Wien komt het in den zin, vol te houden, dat een Sathan, die van God niets, volstrekt niets meer af wist, meer in volstrekten zin een booze geest zou zijn, dan een duivel, die voor zijn majesteit siddert? Is het dan soms Sathans eigen lust, om het besef van Gods aanzijn wakker te houden, of is het niet veel meer het demonisch streven van zijn toeleg, om aan die jagende, hem kwellende en verschrikkende openbaring van Gods heiligheid te ontkomen? Ja, is het niet juist in de rustelooze tegenworsteling, om dien indruk van Gods majesteit van zich te zetten, dat zich het wezen der zonde in haar sathanische boosaardigheid, haat tegen God, openbaart?

Wien haat ge, indien zoo jammerlijke hartstocht u overmeestert, haat ge den man, die wel uw sympathie niet wekte, maar in zoo geheel anderen levenskring zich beweegt, dat ge nimmer aan hem denkt, voortleeft als bestond hij niet en u in niets om hem bekreunt? Neen, immers, maar als ge haat, is het juist of ge u |16| van het voorwerp van uw haat niet los kunt maken. Een gesprek dat ge begint eindigt met over hem te loopen. Als ge in gepeins nederzit, komt zijn beeld als vanzelf voor u op. Hij laat u geen rust, maar jaagt u. Telkens poogt ge hem te vergeten en zijn naam uit uw gedachten te bannen, maar gij kunt niet, de hartstocht is u te machtig. Eer ge het vermoedt, betrapt ge er u zelven op, dat ge weêr met hem bezig zijt en u weer tegoed doet aan het booze van uw hart met zijn naam te verbinden. Die maatstaf feilt nooit. Hoe feller uw haat, hoe rusteloozer het voorwerp van uw haat uw gedachten vervult. Als ge zoover zijt, dat ge een enkelen dag voor het minst doorleven kunt, zonder aan hem te denken, is de gloed van uw hartstocht reeds aan het verflauwen en slijt uw haat uit.

Is nu God te haten het vreeslijkst en ontzettendst karakter, waarin de zonde zich vertoonen kan, en is haat tegen God ondenkbaar, tenzij de zondaar door den indruk van zijn aanzijn en zijn heiligheid rusteloos bezet wordt, dan oordeele men hoe oppervlakkig de tegenspraak derzulken is, die meenen dat door het erkennen van een natuurlijke Godskennis ook in den gevallen zondaar aan de diepte van ons verderf wordt te kort gedaan. Juist omgekeerd, wie zich den zondaar voorstelt, als jegens God onverschillig, peilde de diepte der zonde nog op de helfte niet.

Dienovereenkomstig verklaarden de leeraars onzer kerk in haar bloeiperiode, toen ze nog drang tot verdediging der waarheid in zich gevoelden, dat deze natuurlijke Godskennis wel onderdrukt, maar nooit uitgedoofd kan worden; zelfs in den afschuwelijksten booswicht, zoo oordeelden ze, is die kennisse van Gods |17| aanzijn en van onze aanhoorigheid aan Hem nog overig. Ja, in de eeuwige rampzaligheid zou de smart van het geestelijk verderf volstrekt onwaarneembaar zijn, indien niet juist die onmogelijkheid, om den indruk van Gods aanzijn van zich te zetten, den verworpene ja, maar toch altijd den verworpenen mensch, eigen bleef.

De stoffelijke zichtbare wereld is een sluier, die de uitstraling van Gods majesteit in onze consciëntie breekt. Dien sluier kan men dikker en ondoordringbaarder maken door zijn zinlijke natuur bot te vieren. Hieruit verklaart het zich, dat menig zondaar slechts een enkele maal den krachtigen indruk van Gods majesteit in zijn ziel ervaart. Maar die sluier valt met den dood weg; aan gindsche zijde des grafs zal de glans van ’s Heeren majesteit niet langer door het stoffelijke getemperd worden, en dientengevolge zal in de buitenste duisternis de natuurlijke Godskennis niet zwakker, maar juist sterker zijn in den rampzalige, dan ze op aarde in den zondaar was.

Dat zijn „die kleine overblijfselkens” waarvan onze Belijdenis spreekt, en die men, eenvoudig uit misverstand, zoo gaarne uit de artikelen der Hervormde kerk gebannen had. Daarin toch, zoo waande men, hadden onze Hervormers zich vergist; dat was een te kort doen aan de eischen der Schrift; zoo kwam de diepte van onzen val niet tot haar recht. Verzwakt nageslacht van een kerk, die helden des geloofs en martelaren tot haar stichters had! hoe is in uw bekrompen oordeel over de uitspraak onzer -vaderen uw eigen gebrek aan geestelijk doorzicht openbaar geworden! Had men voor het minst gelezen wat onze vaderen schreven om den zin hunner woorden te verstaan! Toch oordeele niemand met hardheid. |18| Onze eeuw is er niet naar, om de rotspunten te bestijgen, waarop door een kloeker voorgeslacht de banier des Kruises werd geplant.

Het bewijs voor hun stelling ontleenden onze vaderen niet allereerst aan de Schrift. Wel toonden ze van achteren aan dat óók de Schrift deze voorstelling bevestigde, allerwegen onderstelde en met haar loochening niet te rijmen was, maar dit bewijs uit de bijzondere openbaring ging niet voorop. Ze gingen eenvoudiger te werk en beriepen zich op den mensch zelf.

In drieërlei manier.

Ze waren zelf menschen en eischten uit dien hoofde recht van meêspreken, waar het op de beschouwing van den mensch aankwam. Ook zij hadden een verleden, dat achter hun bekeering lag, en ook in dat tijdperk huns levens hadden ze geweten dat ze met God te doen hadden, het meest in hun beste, ook na hun slechtste oogenblikken, het minst in den gewonen, stillen gang van het eentonig leven.

De hoorders, tot wie ze spraken, de lezers, voor wie ze schreven, waren menschen. Ook zij konden dus uit eigen ervaring beoordeelen, of al dan niet in hun verleden, ja op het eigen oogenblik, dat dit beweren tot hen kwam, een stem daarbinnen aan dit beweren getuigenis gaf.

Ontkenning was geen bewijs, dat hun ervaring metterdaad een andere was. Vaak ontkent men wat men vreest te moeten toegeven, om niet opgejaagd te worden uit de verschansing, waarin men zich opsloot.

Tegenover zulk een ontkenning staande, beriepen de stichters der Gereformeerde kerk zich op de menschheid in het algemeen, gelijk ze, buiten dit geschil |19| staande, zich aan ons voordoet. Dan was het feit niet te loochenen, dat men nergens, in geen tijdperk der historie, in een hoek der bewoonde wereld een natie, volk of stam heeft kunnen ontdekken, die niet, op wat lagen trap ook, een soort van godsdienst en godsvereering had. En kwamen dan de Socinianen met hun uitvlucht te berde, dat dit een vrucht was van priesterlist en heerschzucht, dan vroeg Calvijn zeer ter snede, „hoe men op ’s menschen vrees voor de goden had kunnen speculeeren, indien er geen besef van Gods aanzijn in het hart had bestaan” (Inst. Rel. Chr. I. 3.2). |20|




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004