III. Natuurlijke Godskennis

I. Drieërlei standpunt


Zijne (Gods) onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.

Rom. 1 : 20. a


We wenschen de eerstkomende weken de aandacht onzer lezers te bepalen bij de vraag: Welke waarde heeft de kennis van goddelijke dingen, die verkregen kan worden zonder de Heilige Schrift en zonder de innerlijke verlichting des Heiligen Geestes?

Twee, weêrzijds fel bestreden meeningen, staan te dien opzichte op kerkelijk terrein tegenover elkaâr.

Aan den éénen kant de moderne zienswijs, die het bestaan van een bovennatuurlijke Godskennis onnoodig keurt, ontkent en bestrijdt, en derhalve de natuurlijke Godskennis als de eenig ware aanprijst.

Daarmeê is niet beweerd, dat de voorstanders dezer zienswijs alle waarde aan den Bijbel of aan de innerlijke verlichting ontzeggen. Integendeel achten veeleer de meesten hunner, kennis van de Schrift voor ware |4| Godskennis onmisbaar, stelt althans een deel onder hen op den verlichtenden invloed van een hooger bezieling ten hoogste prijs.

Het kenmerkende dezer zienswijs ligt slechts daarin, dat ze èn den Bijbel èn de innerlijke verlichting in den kring der natuurlijke gegevens opnemen, en zoowel aan de Heilige Schrift, als aan de innerlijk zielsbewerking, op beslisten toon elk bovennatuurlijk karakter ontzeggen.

De vroeger gangbare onderscheiding tusschen bronnen der natuurlijke en bronnen der bovennatuurlijke Godskennis wordt door hen verworpen. Ze ontkennen, dat natuur, geweten en geschiedenis gegevens van andere soort zouden zijn dan de Schrift, de innerlijke bezieling en de bekeeringsweg. Huns inziens behoort ook de Schrift tot de natuurlijke voortbrengselen van ’s menschen werkzaamheid, staat de innerlijke bezieling op één lijn met de gewetensopenbaring en vormt de bekeeringsweg slechts een deel van ’s menschen persoonlijke geschiedenis.

Daaraan ontleenen we het recht tot onze bewering, dat er, naar de zienswijze der Modernen, geen andere dan een natuurlijke Godskennis bestaat.

Scherp daartegenover staat de belijdenis der Christelijke Gemeente.

Ze vindt in het bovennatuurlijke haar levenselement; is er zich van bewust, dat juist dit bovennatuurlijke de grens aanwijst, die haar van de niet-belijdende wereld scheidt; en trekt zich te eenzijdiger op dit bovennatuurlijk gebied terug, naarmate het feller bestookt en als niet bestaande gelasterd wordt.

De Heilige Schrift, het Gemeente-organisme en de persoonlijke verlichting des Heiligen Geestes zijn voor |5| haar besef niet slechts de hoogste, maar ook de eenige en uitsluitende gegevens, die tot kennisse van ’s Heeren hoogheilig en volzalig Wezen leiden kunnen. Alleen met het water uit die bronnen geput pleegt ze haar kruik te vullen. De enkele druppelen, die op het terrem van het natuurlijk leven mochten neêrvallen, acht ze de moeite des opvangens nauwlijks waard.

Ze ontkent wel niet, dat er ook een sprake Gods is in de natuur, dat zijn onnaspeurlijk beleid in den gang der geschiedenis schittert, maar de winste van Godskennis, op dit drievoudig veld geoogst, is in haar oog zulk een sobere arenlezing, dat ze er zelden naar omziet, laat staan de hand naar uitstrekt.

Ondervraagd naar de bronnen, waaruit de kennisse van onzen God vloeit, zal ze wel nimmer vergeten, ook „natuur, geweten en geschiedenis” in haar optelling in te lasschen, maar deze vermelding van de bronnen der natuurlijke Godskennis geschiedt in navolging van wat men vroeger leerde, ter wille der volledigheid, niet wijl men zelf uit die bronnen heeft geput.

Op loffelijke uitzonderingen na, rekent het meerendeel der belijders van den Christus, in zijn gebeden, in zijn gesprekken, in de uiteenzetting van zijn geloof en de aanprijzing van dat geloof aan anderen, met dit element der natuurlijke Godskennis schier nooit. Wat er aan overtuiging omtrent God en goddelijke dingen in het hart leeft, weet men uit den Bijbel, weet men door de inspraak des Heiligen Geestes, weet men uit den verborgen omgang met den Drieëenige na zijn bekeering. Voor een invloed van de natuurlijke Godskennis is in de schatting der meesten geen plaats.

De tegenstelling is derhalve zoo scherp getrokken als |6| kon. Slechts natuurlijke Godskennis is het Shibboleth der Modernen, uitsluitend bovennatuurlijke kennisse van God het geloofsbesef der Gemeente van Christus.

Althans feitelijk, naar den stand van de ontwikkeling, waaraan we op dit oogenblik toe zijn.

Vroeger niet.

Guido de Bres schreef in zijn Belijdenis, waaraan onze vaderen in 1564 en 1618 hun zegel hechtten:

„Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste, door de scheppinge, onderhoudinge ende regeeringe dergeheele werelt, overmits deselve voor onse oogen is als een schoon boeck, in welcke alle schepselen, groot ende kleyne, gelijk als letteren zijn, die ons de onsienlijcke dingen Gods geven te aenschouwen, namelyck, sijn eeuwige Mogentheyt ende Godtheyt, als d’Apostel Paulus segt, Rom. 1 : 20, welcke dingen alle gevoegsaern zijn om de menschen te overtuygen ende haer alle onschult te benemen.”

En dan volgt:

„Ten tweede geeft Hij hem selven ook noch klaerder ende volkomelycker te kennen, door syn Heilig ende Goddelyck Woort.”

Evenzoo dacht Calvijn 1):

„Wij stellen als buiten geschil, dat er eenig gevoel der Godheid in het menschelijk verstand zetelt en wel |7| door een natuurlijke ingeving, dat God aan allen een zekere kennis van Zijn aanwezen bekend gemaakt heeft, waarvan Hij de gedachte gedurig vernieuwende, van tijd tot tijd nieuwe droppelen instort, zoowel opdat niemand met het voorwendsel der onwetendheid zich zou dekken, als opdat allen tot één toe zouden verstaan, dat er een God bestaat en dat Hij hun Schepper is.”

En elders:

„De Heere heeft niet slechts in de gemoederen een zaad van godsdienst ingeplant, maar ook, opdat de toegang tot geluk voor niemand gesloten zou zijn, zich in geheel het samenstel der wereld zóó geopenbaard en stelt zich dagelijks zóó duidelijk voor, dat men de oogen niet kan openen, of men wordt gedrongen Hem op te merken.”

Voetius spreekt in gelijken geest:

„Wij verzetten ons tegen een elk, die beweert, dat alleen uit de Schrift, en niet ook langs den weg der natuurlijke Godskennis, waarheid omtrent goddelijke dingen te verkrijgen is.”

Vitringa noemt de natuurlijke Godskennis zelfs „den grondslag, waarop alle kennis van goddelijke dingen rust.”

Volgens à Brakel is het juist die natuurlijke Godskennis, die den mensch geschikt maakt „om door de openbaring der Schrift in den weg der ware godzaligheid te worden ingeleid.”

Ook Johannes à Marck in zijn Merch der Christelijke Gotgeleertheyt wijst er op, dat de Godskennis naar het verschil van haar beginsel in twee deelen te onderscheiden is, „de natuurlijke, die aan allen gemeen, en een bovennatuurlijke of geopenbaarde, die aan eenigen eigen is.” |8|

Hieraan vast te houden, is de roeping der Gereformeerde kerken.

Tegenover Rome, vooral tegenover de Socinianen, ook tegenover de Remonstranten, hebben de Gereformeerde kerken dit stuk harer belijdenis steeds met hand en tand verdedigd.

Niet uit betweterij, niet om door splinterig uitpluizen van netelige quaesties den eenvoud van het geloof des harten te breken, maar wijl ze wisten dat de gezondheid van het geloof met het kiezen van het goede uitgangspunt staat of valt.

De toestand, waarin de Gemeente zich thans bevindt, drukt op die overtuiging het zegel.

Door de natuurlijke Godskennis te veronachtzamen, te verwaarloozen en prijs te geven, heeft men de brug doen instorten, die over de diepe klove, waardoor wereld en Gemeente gescheiden zijn, door onze vaderen gelegd was. De breuke, hierdoor tusschen maatschappij en kerk ontstaan, wreekt zich thans in de volslagen vijandschap, die tusschen wetenschap en geloof ontstond, in de onhoudbare tegenstelling tusschen onderwijs en opvoeding, in het sectarisme der belijders en in de onmogelijkheid om hen, die tot het Modernisme zijn afgedwaald, te herwinnen, wijl het aanhechtingspunt ontbreekt.

De schade, die het innerlijk geloofsleven hierbij lijdt, is vooral niet geringer. Het verband wordt niet meer gevoeld, dat het leven voor en het leven na onze bekeering aan elkander verbindt; de praktijk in het maatschappelijk leven is losgerukt van de innerlijke bewegingen des geloofs; het genadeleven mist den werkelijken bodem, waarin het wortelen kan; en door prijsgeving van het gemeenschappelijk uitgangspunt, kiezen |9| de geloovigen elk hun eigen pad, zoodat van een „samenwandelen” der belijders van den Christus geen sprake meer kan zijn.

Voorlichting is ter wegneming van dit euvel volstrekt noodzakelijk.

De waarheid draagt ook bij dit vraagstuk haar aanbeveling in zichzelve.

Komt de Gemeente weêr tot het inzicht van wat de geloofshelden van het voorgeslacht, bij het licht der Schrift, op grond van eigen levenservaring, voor zich beleden en tegen aanvallen van alle zij verdedigd hebben, dan zal ze zich bewust worden van de geestelijke verwantschap, die haar ook nu nog aan de stichters der Gereformeerde kerken verbindt; ook de geloovigen onzer dagen zullen het zegel zetten op de levenservaring van het voorgeslacht en het Amen op dit gewichtig stuk van onze heerlijke Belijdenis zal een macht worden in het studeervertrek en op den kansel, in school en gezin.

Drieërlei wordt daartoe vereischt.

Er moet herinnerd, wat de Kerk onder natuurlijke Godskennis verstaan heeft.

Aangewezen, welk nadeel uit de verwaarloozing dezer Godskennis is voortgevloeid.

Ten slotte, op de macht gewezen, die terugkeer tot de belijdenis dezer Godskennis belooft.

We willen beproeven die drieledige aanwijzing onzen lezers voor te leggen, doch veroorloven ons, ter voorkoming van misverstand, een voorafgaande opmerking.

Wie verwachten mocht, dat onder de uitdrukking „natuurlijke Godskennis” iets nieuws, iets geheimzinnigs schuilt, iets dat een verrassing beloven kan, vergist zich.

De toegebrachte ten leven zal er slechts in terugvinden, |10| wat hij vroeger doorleefde en hem nog draagt. De nog weifelende tusschen onzen God en de wereld zal slechts hooren uitspreken, wat telkens onder het dobberen van zijn eigen wil gefluisterd werd.

Zelfs wie nog onverdeeld voor zichzelf leeft, zou, sloeg hij een oog in ons opstel, slechts terugvinden, wat zijne consciëntie reeds wist.

Dit moet zoo zijn.

Was het anders, we zouden, pleitende voor de natuurlijke Godskennis, tegen haar getuigen.

Haar kern immers is juist om in elken mensch, gelijk hij thans, uit zondige ouders geboren, is, het aanwezig zijn van een semen religionis, een „zaad der godsdienst,” gelijk Calvijn het noemt, aan te wijzen.

Niet een nieuw besef te wekken, maar een besef, dat bestaat, aan te wijzen en onder woorden te brengen, is ’t doel van deze reeks. |11|




1. Calvijns woorden halen we aan uit de vertaling van zijn Institutie die in 1865 bij Zalsman te Kampen verschenen is. Deze uitgave kunnen we niet genoeg aanbevelen. De titel luidt: Johannes Calvijns Institutie of onderwijzing in de Christelijke godsdienst. De overzetting is uitnemend geslaagd. Er is geen werk, dat Calvijns Institutie in diepte van opvatting, omvattendheid van blik en volheid van godzaligen, stichtenden geest overtreft.




a. Eerder gepubliceerd als ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004