XVIII. Ook onbewuste zonde, zonde! (Besluit)


Schep mij een rein hart, o God!

Psalm 51 : 12. a


Te zeggen, dat een zonde, waarvan we ons zelven niets bewust zijn, dan ook niet meêtelt bij de beoordeeling van onzen geestelijken toestand, is een gedachte die reeds op zich zelve, als nieuwe zonde, hém die ze koestert en prediken durft, ontheiligt.

Laat u dus toch nooit door de Perfectisten in het oor fluisteren, „dat er een o, zoo sterk verschil bestaat tusschen bewuste en onbewuste zonden; en dat we natuurlijk de onbewuste zonden zoomin bestrijden als voorkomen kunnen; maar dat die dan ook niet meêrekenen, en het met u dus reeds wél zal zijn, indien ge maar het vallen in bewuste zonden voor eenmaal en voorgoed te boven komt.”

Dit liedeke van den verleider kennen we!

Zoetelijk lispelt men u zijn betooverende klanken in het oor.

Het schijnt toch ook zoo waar, wat ze u zeggen!

Is er wel iets tegen in te brengen? |173|

En, zie, eer ge er zelf op verdacht zijt, doolt ge, zoo bij u zelven sprekend, en op dat liefelijk geklank afgaande, in deze diep onzedelijke doling met hen meê!

o, Zeer zeker, het is volkomen waar: een zonde, waarvan ge geen bewustheid hebt, die kúnt ge ook niet bestrijden, veel min in Gods kracht te boven komen. Dit anders te zeggen is eenvoudig gebrek aan doordenken. Bewustheid, dat wil hier zeggen, persoonlijke kennis van uw vijand, is voor elken zedelijken strijd, onafwijsbare eisch.

Maar mogen we u vragen: dát ge er geen bewustheid van hebt, is dat wel van iets anders het gevolg dan van uw zondigen toestand? En als het voor een kwaden boom nog winter is, dat het booze lot nog niet uitschoot en de kwade vrucht nog de takken niet ontsiert, maakt dat dien boom goed?

Uw zondige toestand is die dan minder zondig en onheilig en verfoeielijk dan uw zondige daad?

Werkt ge dan alleen voor Gods oog of bestaat ge ook voor Hem?

En indien ook het laatste, en ge dus ook voor den Heilige te rekenen hebt met uw bestaan, met uw manier van zijn, met den wortel van uw wezen, zooals ge door Hem doorschouwd wordt, och, wat mijn lieve broeder, baat het u dan, of ge al zeggen kunt: „Ik heb mijn hart gezuiverd”, indien de bron der onzuiverheden, zelfs onder den slaap van uw geestelijk bewustzijn door, en dus zonder dat ge het merkt, maar aldoor blijft opborrelen van uit de verborgen oorsprongen van uw leven.

De zonde afmeten naar uw bewustzijn, naar wat gij er van weet en er van merkt, zie, dat is juist de |174| ondiepe en door en door onheilige opvatting van Pelagius, die ge bij álle kinderen zijns geestes, synergisten of geen synergisten, terugvindt.

En juist omgekeerd te zeggen: Zonde is niet wat gij, maar wat God als zonde ziet en weet en kent en verfoeit met zijn goddelijke verfoeienis, dàt is het wat de Schrift geopenbaard, geleerd en ingeprent heeft aan alle godzaligen des Ouden en des Nieuwen Verbonds, die wel zonder dat hooger licht nooit anders dan Pelagius zouden hebben geweten.

Ook bij de zonde beslist niet úw bewustzijn, maar het bewustzijn van uw God.

Indien ook uw eigen hart u niet veroordeelt, God is meerder dan uw hart, en Hij weet alle dingen!

En op dien grond en uit dien hoofde bad de psalmist in den negentienden zang: „Wie zou de afdwaling verstaan, Heer, reinig mij van de verborgen afdwaling!” en klaagt hij in het honderddertigste lied: „Heer, als eens niet óns oog, maar het uwe, als Gij de ongerechtigheid gadeslaat, wie zal bestaan?”

En van dat standpunt nu mogen noch kunnen we afgaan.

God blijve God!

D.w.z. aan Hem en aan Hem alleen verblijve de majesteit en het heilig recht om te keuren, om uit te maken, om te beslissen, wat tegen Hem ingaat en al dan niet zijn eeuwige liefde bedroeft.

Wij kunnen dit niet beoordeelen.

Dat komt ons niet toe.

Daar zijn we de menschen niet naar.

En of wij dus al, ’tzij van elkander, ’tzij van onszelven getuigen, wat zeer zeker soms getuigd worden |175| kan: „Ik heb onberispelijk gewandeld en een onergerlijke consciëntie voor God en menschen bewaard en ben mij geens dings bewust!” — dit zegt voor ons al of niet heilig zijn nog volstrekt niets.

Ook zoo toch, kan er op den bodem van ons hart, kan er in het weefsel onzer overleggingen, kan er in het spinsel onzer woorden, kan er in het netwerk onzer daden, ja, tot in onze gebeden, in onze vroomheid, in onze „heilige” en in onze beste daden, nog iets zoo verfoeilijks en zelfzuchtigs en hoovaardigs voor het oog van den Heilige op den troon daarboven schuilen, dat we voor God en zijn Christus en zijn heilige engelen eenvoudig een bittere belaching zouden worden, indien we ons gingen inbeelden nu iets hoogers gewonnen te hebben en iets heiligers deelachtig te zijn.

God, niet uw broeder; God, niet uw eigen inbeelding; God, zelfs niet uw bewustzijn, — zal eens uw rechter wezen, en daarom mag die arglistige vond, om tusschen wat bewust en wat onbewust is, bij de zonde te onderscheiden, door niemand die den naam van Jezus aanroept, worden geduld.

o, Gewisselijk, daar is een wassen in Christus, en een toenemen in heiligen zin; daar is een dagelijks kruisigen en dooden en begraven van de lusten en begeerlijkheden des vleesches; daar is ongetwijfeld ook na de jammerlijke bekoeling van de eerste liefde, een oogenblik van nameloos berouw, waaruit een offerande van heel ons aanzijn, volvaardiger dan ooit, geboren wordt voor Hem die ons gekocht heeft met zijn bloed; ja, er zijn begenadigden des Heeren, die, door diepe wegen geleid, en naar het welbehagen Gods tot een uitverkoren vat gesteld, bijna tot een onvoelbaar |176| worden van den prikkel des vleesches gekomen zijn en van wie de geestelijk blinde schare daarom placht uit te roepen: „Een heilige man!”

Maar die „heilige mannen” zelven wisten het wel beter en wel anders. Hun God had het hun wel geleerd, om niet alleen te vragen naar den uitslag op de huid, maar veel sterker en veel dringender, naar het bederf, dat, ook zonder uitslag, in het bloed zat.

En daarom gaat de regel door en laat geen uitzonderingen toe en wordt telkens weêr bevestigd, dat juist zij, die het verst in de dooding, de verloochening en de bedwinging des uitwendigen kwaads voortschreden, het diepst in de verootmoediging zijn ingegaan en het machtigst hebben aangehouden in hun roepen om vergeving van schuld!

Och, zij hingen niet meer aan het uiterlijke.

Ze waren door hun God geleerd, om dieper in te dringen.

En daar juist, in die diepte des levens, hadden ze het wezen der zonde in zijn verfoeiing, en den wortel der zonde in zijn schandelijkheid leeren kennen, en leeren kennen dien duivel die deze ongoddelijkheden opwoelt uit de diepten van den Satan!


*

Zoo hebben we dan achtereenvolgens aangetoond, hoe de dwaling der Perfectisten in den loop der eeuwen door schier alle ketters verdedigd, door de kerken der Hervorming eenparig en standvastig is bestreden (art. 1); steeds uit zelfmisleiding voortkwam (art. 2); alleen door onbekendheid met de grondbeschouwing van Gods Woord kon insluipen (art. 3); tegen de zielservaring van Gods |177| kinderen indruischt (art. 4); door een goede zielkunde veroordeeld wordt (art. 5); het ideaal des zedelijken levens verlaagt (art. 6); op Schriftterrein niet begunstigd wordt door de eeretitels van Gods heiligen (art. 7); niet bestaan kan voor de volmaaktheid in de deelen die Gods Woord leert (art. 8); weêrsproken wordt door den strijd tusschen vleesch en geest, dien de Schrift ook bij de heiligen onderstelt (art. 9); geheel omver wordt gestooten door Romeinen zeven (art. 10, 11 en 12); geen het minste steunsel vindt in de macht des geloofs (art. 13); nooit mag verward met het ophouden van de heerschappij der zonde (art. 14); door de lichtheid van het juk Christi eer weêrlegd dan bevestigd wordt (art. 15); onbestaanbaar is zoo voor het gebod om heilig te zijn als voor de bede om heilig te worden (art. 16); en eindelijk door de valsche onderscheiding tusschen bewuste en onbewuste zonde zich eer veroordeelt dan aanbeveelt (art. 17).


*

En vraagt men ons, nu hiermede deze artikelen ten einde liepen, of we dan nu opzettelijk weêr hielpen afbreken, wat we eertijds meê hielpen opbouwen, dan gevoelen we onze roeping om ook voor die vraag niet uit den weg te treden, maar ze onbewimpeld, zij het ook ten deele met diepe smart der ziel, te beantwoorden.

Op zich zelf neen! Op zich zelf is met onze principiëele bestrijding van de „volmaakbaarheidsleer” niets gezegd, dat tegen de geestelijke opwekking die aan Pearsall Smiths naam hing, voor zoover wij haar loofden, te keeren valt. |178|

Zoo weinig, dat door den schrijver dezer artikelen reeds terstond na zijn terugkomst uit Engeland destijds een verklaring aan de met hem terugkeerende broeders is voorgelegd, waarin o.a. dit voorkwam: „dat deze beweging niet bedoelt de volmaakbaarheid te drijven en op het stuk der zonde de oud-Gereformeerde beginselen herstelt, niet omverwerpt.”

Bovendien kan elk der broederen, die oorgetuige was of ook het toenmalig Zondagsblad las, thans ook onze getuige zijn, dat het Perfectisme nooit door den schrijver dezes vergoelijkt, steeds veroordeeld is.

Evenmin hebben we ons te verontschuldigen over min-Gereformeerde sympathieën die in den stroom dezer beweging ons zoude hebben aangekleefd.

Ook desaangaande toch kan èn het destijds gesproken èn het destijds geschreven woord ten bewijze strekken, dat in geen anderen zin de dogmatiek dezer beweging door ons uiteengezet is, dan juist in dien van terugkeer naar een echt Calvinistische uitzuivering van elk verbloemd of onverholen Arminianisme.

Ten overvloede zij hierbij nog herhaald, dat aansluiting onzerzijds aan den heer Smith dan ook niet plaats vond dan na een stellige verklaring zijnerzijds, dat de desbetreffende antwoorden van den Heidelbergschen Catechismus voor hem de juiste uitdrukking waren van zijn gevoelen.

En toch, hoe ten volle waar dit alles ook zijn moge, toch wenschen we het voor vriend noch tegenstander te verhelen, dat de Arminianen, naar van achteren bleek, te Brighton meester van het terrein waren.

Het niet te verhelen, dat indien de kennisse van de historie van het Perfectisme, en de dogmatische |179| uiteenzetting van het Perfectisme, en de historische bestrijding van het Perfectisme, ons toen even vertrouwd ware geweest als nu, hoogstwaarschijnlijk ons oordeel van meet af anders zou zijn uitgevallen.

Ja, het niet te verhelen, wat hiermeê zonder bedeksel of omwinding, voor God en menschen met diepe smart wordt uitgesproken, dat er in de opvatting dezer gansche opwekking onzerzijds ten deele gedwaald en in dat dwalen gezondigd is!

Niet alsof een „geestelijke opwekking” niet een heerlijk en gewenscht goed ware, waarheen de gebeden der gemeente zich behooren uit te strekken en waarnaar ieder die God liefheeft, dorst. Maar wel in dien zin, dat zulk een verwakkering, gaat ze werkelijk alleen van den Heiligen Geest uit, steeds haar uitgangspunt kiest bij Gods stille vromen, ongezocht in haar uitingen is, en het menschelijk vertoonzieke en uitwendig drukke en gekunstelde in haar organisatiën mijdt.

Ook niet alsof we iets terugnamen van ons oordeel, dat de standaard van heiligen zin onder de Christenen onzer eeuw veel te diep gezonken is, en dat de afscheiding van de wereld en het inkeeren naar de heiligheden en het houden van tucht en orde en het afstaan van ongerechtigheid niet eertijds beter was en ook nu beter moet worden. Maar wel in dien zin, dat deze verhooging van het Christelijk levensniveau niet kan komen dan juist door den omgekeerden weg, van vreeze voor Gods majesteit, een vallen voor zijn Wet, en alzoo door verootmoediging, door schuldbelijden, door boete en bekeering.

Ook niet eindelijk, alsof we niet nu evenzeer als vroeger vasthielden aan de overtuiging, dat een stille |180| afzondering met wie dorsten naar even heilig goed, om in vasten en gebeden het aangezicht onzes Gods te zoeken, krachtiglijk de ziele tot breking van het eigen ik kán bewegen, en feitelijk ook destijds door werkingen van den Heiligen Geest velen diep vernederd, voor God verbrijzeld en herboren heeft. Maar wel in dien zin, dat ook deze afzondering geen zich vergasten op geestelijke delicatessen mag bieden, waarop alles wat lichtgevleugeld onder de vromen is, toeschiet, maar in huislijken en vriendenkring uit den nood geboren, eerst van lieverleê naar buiten kan treden, en dan te blijven heeft in het gemeentelijk spoor.

Deze vermenging van het ware en onware maakte dat in Engeland groepen van de teederste en godvreezendste onder de godzaligen meê ten geestelijk festijn optogen. Maakte dat er metterdaad heerlijke en zalige oogenblikken van zielsverrukking genoten zijn. En maakte ook dat zich, gelijk in alle landen, zoo ook ten onzent, een dorst in veler hart deed gevoelen, om dit heerlijke te bestendigen!

Er lag dan ook iets betooverends in zoo machtige gebeurtenis, heerlijk naar het scheen contrasteerend met de materiëele en ongoddelijke drijvingen onzer eeuw.

En dit alles gehuld in den uitnemenden vorm, waarin de Engelsche Christen zich beweegt, en dieper gehuld nog in het kleed van den vreemde, dat zoo menige wonde voor het oog pleegt te bedekken, had metterdaad ten gevolge, dat de misleiding volkomen was.

Toch werd, gelijk altijd, zoo ook hier het onwezenlijke eerlang van het ware geschrift door de feiten, die straks door den Heiligen Geest vertolkt, een schifting brachten ook in de zielen. |181|

Men weet wat aan Smith zelf overkwam. Men weet ook hoe de godzaligsten in Engeland zich spoedig afkeerden. Men weet ook hoe er allengs geruchten van booze leer gingen loopen, die eerst schuil waren gehouden. Men weet ook hoe zelfs ten onzent een zondig mensch, als ieder onzer, zich zooverre vergat van openlijk aan zijn toehoorders te vragen: „Wie uwer overtuigt mij van zonden!”

Natuurlijk, toen was het uit.

En toen nu bijna overal gebeurde, wat men ook ten onzent zag, dat de onvaste geesten, de synergistische lieden, de Arminiaansche fanatieken en de vijanden van een dieperen gang, zich almeer van dezen stroom meester maakten, toonden dat ze er zich in thuis voelden en allerwegen in al grover geestelijke extravagantiën uitspatten, toen moest het licht der waarheid ook over deze droeve verschijning wel opgaan en kon het niet anders, of de echte zonen van ons Nederlandsch-Calvinistisch, d.i. diep-ernstig geestelijk leven, moesten wel, voor zoover ze op deze wateren waren afgedreven, tot de beschamende belijdenis komen, dat ze zich èn intellectueel èn, wat erger is, in geestelijken zin, bij de beoordeeling van deze verschijning vergist hadden, en wel met een vergissing die, verre van onschuldig te zijn, veeleer lijden moest tot inkeer en mannelijke belijdenis van schuld.

Van die pijnlijke taak kwijt zich hiermeê ook de steller dezer voorstukken, en hij te eer en te onomwondener, naarmate door hem juist in te wijder kring de hope gewekt is, dat met dit ritselen van den wind des daags het suisen des Geestes zou komen.

In hoeverre de hooggaande overspanning van het |182| zenuwleven, die kort daarop in zoo ernstige krankheid uitbrak, meê bij de verklaring van deze mistasting in rekening mag komen, sta aan de geestelijken onder Gods kinderen, sta bovenal aan den Kenner van lijf en ziel beide ter beoordeeling.

Misschien mag ook gezegd, dat het gebrekkige onzer theologische oplelding, die beter thuis maakt in de doolpaden der critiek dan in den doolhof van het geestelijk leven, aan zulk een mistasting blootstelt.

Maar wat ook ter verzachting strekke, dit alles neemt het feit niet weg, dat hier voedsel was geworpen in een vuur, dat ten deele uit ongoddelijke spranken opgloorde, en hierover schuld te belijden, acht schrijver dezes, niet slechts zijn plicht, maar ook zoet.

Wel mag hij voor God en menschen verklaren: destijds zich geen ding bewust te zijn geweest en naar de toen hem ten dienste staande kennis, oprecht en met ongeveinsde geestdrift gesproken te hebben.

Maar ook hier moet vastgehouden aan het „indien mijn hart mij niet veroordeelt, daarom ben ik nog niet onschuldig, want God is meerder dan mijn hart, en Hij weet alle dingen!”

En zoo sta dan hier het „dixi et salvavi animam!” ter aanduiding dat deze artikelenreeks niet slechts een woord der lippen zijn wilde, maar ook een daad bedoelt van het hart.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ XVIII (Slot), De Heraut No. 34 (4 augustus 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004