XVII. De twaalf artikelen der Schrift


Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd? Ik ben rein van zonde?

Spr. 20 : 9. a


De taak, die we, met de Heilige Schrift tot rechter, tot waarschuwing der lichtbewogen geesten, tegenover de Perfectisten, op ons namen, kan gevoeglijk, op een korte resumtie en conclusie na, met dit zeventiende artikel worden besloten.

Ons althans is, na uitvoerige lectuur, niet gebleken, dat deze afgeweken geestdrijvers, tot staving van hun gevoelen, eenig ander Schriftgetuigenis te berde hebben gebracht, dat, de moeite des wederleggers waard, niet reeds in de voorafgaande artikelen weêrlegd zou zijn.

Thans dan ook van dit weêrleggen afziende, willen we alsnu aan hen, die nog aarzelen mochten, kortelijk de breede reeks Schriftuurplaatsen voorleggen, die juist omgekeerd in de meest stellige bewoordingen, scherp en snijdend, afdoend en zonder tegenspraak te dulden, het niet bestaan op aarde van onzondige, zondelooze of aan de zonde geheel ontwassen personen bewijzen. |164|

En dan vestigen we achtereenvolgens de aandacht op deze beslissende uitspraken:

1º. „Voorwaar er is geen mensch rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt.” (Pred. 7 : 20) Een getuigenis, dat, èn als uitspraak van Salomo’s geestelijkebevinding, èn als uitspraak van den Heiligen Geest uitnemende waarde bezit. Immers, Salomo’s leeftijd viel in een der heerlijkste perioden van het Godsrijk, toen de schuddingen der ziel en de werking der geestelijke krachten zeer sterk waren, en uit de diepten van ’s menschen gemoed de liederen geboren zijn, die nog voor elk kind van God een zielsverkwikking blijven in het land zijner vreemdelingschap. En waar nu de Heilige Geest in zulk een tijd zulk een smartelijke bekentenis uit het hart van zulk een koning eerst uitperst en dan met zijn goddelijk stempel bezegelt, daar spreekt het vanzelf, dat elk die God vreest, met beide handen dit krachtig getuigenis aangrijpt, en om aan de slingering van zijn hart een eind te maken, en om zich te troosten en weêr op te richten in de kracht des Heeren, indien hij ook viel.

2º. „Want geen mensche is er, die niet en zondigt” (1 Kon. 8 : 46), een uitspraak, die ongezocht, en zoo mogelijk op nog plechtiger wijs, de waarheid der eerste bevestigt. Ze is genomen uit Salomo’s gebed bij de inwijding van den tempel. Met het oog op het bloed der verzoening dat druipen zou van het altaar. En daarom voor alle eeuwen de zielskreet van het kind van God, dat staande voor het kruis van Christus, eere geeft en prijs en aanbiddinge, aan het bloed dat vergoten werd dooor het allen vlekkeloos, onstraffelijk Lam.

3º. „Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd? Ik |165| ben rein van zonde?” (Spreuk 20 : 9). Nogmaals een zielsbetuiging van denzelfden Salomo, evenals het woord uit zijn Prediker en het woord uit zijn inwijdingsbede, door den Heiligen Geest gewaarmerkt. Voor wie nu op dit laatste merk ziet, is het eind van alle tegenrede hiermeê gevonden. Maar ook afgezien daarvan, willen we toch gevraagd hebben, of er één ook maar onder deze Perfectisten is, die in diepgaande kennis van het menschelijk hart en in energie van levenswijsheid en in het doorzien van de paden der ziel, ook maar van verre zich meten durft met dezen wijze onder alle mannen van kennis en wetenschap, aan wiens lippen heel een werelddeel hing en nog heel de Christenheid hangt? En indien het nu vaststaat, dat Salomo onder allen zich het meest met de paden van het menschelijk hart heeft bezig gehouden; vaststaat dat Salomo meer dan iemand met al deze vragen en twijfelingen van het menschenhart vertrouwd was; ja, vaststaat bovenal, dat zijn wijsheid niet van beneden, maar van boven, van den Vader der lichten was, moet het dan niet treffen, juist van zulk een vorst onder de wijzen en wijze onder de vorsten zulk een trits van stellige betuigingen te ontvangen?

4º. „Wat is de mensch dat hij zuiver zou zijn? en die geboren is van eene vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn? Zie op zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen en de hemelen zijn niet zuiver in zijne oogen!” (Job 15 : 14,15). Een woord van Elifas, maar naar luid der schoone uitspraak van Calvijn, daarom van niet te minder waarde, wijl de getuigenissen van Jobs vrienden wel terdege geïnspireerd waren en slechts verkeerd werden toegepast, door wie ze ontving. Let er dan ook op, dat |166| noch Job, noch Elihu noch de Heer deze diepe grondgedachte weerspreekt, en heb er meer nog een oog voor, hoe hier het onzuiver blijven, het niet-zondeloos zijn, aan den staat zelf van den mensch in deze bedeeling wordt geweten. Omdat hij nu eenmaal „mensch,” d.i. mensch in deze aardsche onttakeling is, kan zijn zuiverheid, kan zijn reinheid, kan zijn vlekkeloos zielsbeeld voor God niet bestaan.

5º. „Indien wij zeggen dat wij geen zonden hebben, zoo verleiden wij ons zelven en de waarheid is in ons niet” (1 Joh. 1 : 8). Nu in het Nieuwe Testament, gelijk ginds in het Oude Verbond, hier op de lippen van den Godsman, altijd dezelfde belijdenis, zoo van bekeerden als onbekeerden, van beginnenden als van gevorderden geldend: „Zonder zonde zijn kunt ge op aarde niet!”

6º. „Want wij struikelen allen in velen” (Jacobus 3 : 2). Wij, dat is hier een apostel des Heeren, en de toegebrachten uit de eerste, heerlijke gemeenten van den Christus, en die allen, ze kunnen niet maar zondigen, maar ze zondigen ook werkelijk, niet slechts in het verborgene van het hart, maar ook met struikelingren op den levensweg, en die struikelingen, ze komen niet maar nu en dan voor, maar „wij, wij allen, roept de gezalfde gezant des Heeren uit, wij allen struikelen in vele.”

7º. „Zoo gij, Heere, de ongerechtigheid gadeslaat, wie zal bestaan?” (Ps. 130 : 3). „Wie zal bestaan?” Een vraag natuurlijk, volkomen eensluidend met de stellige verklaring: daar is niemand die bestaan kan, dan valt al wat mensch heet in het stof en liggen we met onze onheiligheid overdekt.

8º. „Niemand die leeft zal voor uw aangezicht |167| rechtvaardig zijn!” (Ps. 143 : 2). Een diep uit de ziel opgewelde bekentenis, die onder de drijving des Heiligen Geestes, zoo heerlijk het juiste wit treft: „Niemand die leeft!” Daarna, dán, o, gewisselijk! Maar zoolang ge leeft, leeft op deze aarde, u, en allen met u, deze heerlijkheid ontzegd.

9º. „Wij allen zijn als een onreine en al onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed” (Jesaia 64 : 6). Een woord dat nog dieper insnijdt wijl het ook steunen afsnijdt op het betrekkelijk goed. Och, zelfs het witte kleed dat u van boven toekomt, wordt reeds doordien gij het aanraakt bezoedeld en doordien gij het met u sleept in het slib dezer wereld bevuild!

10º. „Wij hebben gezondigd en onrecht gedaan!” (Dan. 9 : 5). Een zielskreet, let wel, een klacht, een uitgieting van het hart voor den Heilige van een groepje bidders in Israël, toen in dat Israël te bidden met den vuuroven gestraft of met den leeuwenkuil gewroken werd. Een bekentenis over de lippen gekomen van een man, wiens wijsheid en vroomheid zelfs het hof van Aziës wereld-monarch verbaasde. En gebeden met en voor dat Israël, toen dat volk den Heeren in de smeltkroes der vernedering en der verdrukking lag en het heiliger en hooger stond in zijn roepen voor Jehovah’s eere dan ooit daarvoor of ooit daarna.

11º. „Niet dat ik het alreede gekregen heb of, alreede volmaakt ben, maar ik jaag er na!” (Phil. 3 : 12). Een woord dat we ook hier inlasschen, om toch elke uitvlucht af te snijden, als gold een bekentenis als van Daniël toch niet voor Jezus’ verlosten en voor de gekochten des Heeren. Want, al gaat het ons begrip te boven hoe men zelf in den Messias gelooven kan |168| zonder te belijden dat Abraham in hem gejubeld heeft moet toch ook ten deze met de zwakheid veler broederen rekening gehouden, en daarom de reeks Schriftuurplaatsen, die we hun voorlegden, met de zielservaring van een Nieuw-Testamentisch man, van een verloste, van een apostel, van den energieksten van Jezus’ apostelen besloten.

En nu 12º. „Nu kennen we ten deele en wij profeteeren ten deele, doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan, maar ook dan eerst, zal hetgeen ten deele is, worden te niet gedaan” (1 Cor. 13 : 9). Een getuigenis, daarom van zoo uitnemende waarde, wijl het in één krachtigen trek geheel het verschil tusschen nú en dán, tusschen het rijk van Jezus hier en het rijk van Jezus in de heerlijkheid, tusschen de gemeente onder het Kruis en de gemeente met de Kroon, aanduidt: het volmaakte eerst hiernamaals en het ten deele nu! Wel weten we zeer goed, dat de apostel hier van kennis en van profetie en niet van „heiligheid” handelt. Maar we weten toch ook, dat de apostel allerminst boekengeleerdheid en nog minder ingebeelde kennis bedoelt en dus alleen van die kennisse handelt, die vrucht van de zalving des Geestes, met de ontwikkeling van het geestelijke in ons gelijken tred houdt.

En nu is metterdaad dit Schriftgetuigenis, niet het beste slot, waartoe we komen konden?

Of oordeelt ge dan niet met ons, lezer, dat, hoe ook genomen en hoe ook bedoeld, alle menschelijke reducatie èn betoog èn woord ter overtuiging, wegvalt en machteloos blijkt vergeleken bij den overweldigenden indruk, die ons hart wordt ingeprent door de solemneele taal vol majesteit van Gods Heilig Woord? |169|

En, in der waarheid, indien er dan ook, naar den aard des geloofs en de natuur der liefde, nog eenige stille hoop op den bodem van ons hart mocht omdolen dat wellicht ook voor een enkelen dezer Perfectisten zelven terugkeert tot de oude paden mogelijk was, dan willen we er wel voor uitkomen, dat we voor dat zoo gewenschte en afgebeden doel, waarlijk niet het minste van ons eigen woord verwachten, maar alleen bouwen op de macht en het getuigenis der Schrift.

In de Schrift kan men niet wonen, aan die Schrift zich niet met de liefde van zijn hart overgeven, in haar heilige wateren zich de matheid en dofheid der ziel niet afwasschen, zonder op den duur, ongezocht vaak en onbewust, zelf weêr vreemd te worden aan wat vreemd is aan haar wezen.

De Schrift bezit zulk een kracht ter gezondmaking, en als eenig en afdoend medicijn tegen elk ziekteverschijnsel op geestelijk gebied, is er, zoolang ge niet met „instrumenten van Sathan ter verstoring,” maar nog met oprechte belijders van uw Heiland te doen hebt, is een bouwen voor een tijd uit huis en hart van al wat niet de Schrift is om eeniglijk door haar en haar alleen u te laten beademen op de proef steeds het raadzaamst gebleken.

En daarop is onze hope te meer bij dit ziekteverschijnsel gebouwd, èn wijl het er reeds zoo dikwijls door overwonnen is, en omdat metterdaad bij juister inzicht in de geheele structuur van het heilgebouw deze droeve afwijking van het waterpas vanzelf in al haar onhoudbaarheid uitkomt.

Immers van welke zij ge dit spelen met een ingebeelde volmaaktheid ook beziet, telkens zult ge, bij |170| dieper inzien, tot dezelfde slotsom komen, dat het op een droevelijk dooreenwarren berust, de bedeeling, die er was, de bedeeling die is en de bedeeling die komt.

Gods werk en raad en plan was niet door een machtdaad, op eenmaal, de zondige wereld weg te nemen en er een heilige wereld voor in plaats te scheppen.

Ware dat zijn hoog beramen geweest, dan zou geheel de lijdensgeschiedenis der wereld en geheel de lijdensgeschiedenis van den Zone Gods geen zin hebben, en ware vernietiging van Adam en Eva en het scheppen van een nieuw menschenpaar eenig afdoend redmiddel geweest.

Maar zoo deed de Heer niet, en zijn raad doelde er op om juist door dien stroom der zonde heen, op het zondig erf, in het zondig hart, en met zondige instrumenten, krachtens de mogendheid zijns Zoons, het heil te verwerkelijken.

Dit kon niet en kan nog niet zonder stooten of schokken, als inleiding en besluit van een doorgaand proces.

Vandaar geen heil zonder het Wonder, geen licht zonder de Inspiratie, geen roem zonder de Menschwording, geen gelooven zonder Wedergeboorte, en zoo ook geen heerlijkheid zonder de Toekomst van den Zoon.

Hieruit ontstaan drie bedeelingen voor de gemeente en voor elk kind van God.

Eerst de bedeeling dat nog niets dan het Woord in den zondigen toestand ingaat. Dan de bedeeling dat de kracht in den zondigen toestand indaalt. En dan eindelijk dat de zondige toestand zelf wordt losgemaakt van hetgeen door dat Woord en door die kracht was gewrocht. |171|

Zoolang nu die losmaking nog toeft kan de genade nooit zoo blank uit den hooge nederdalen, of ze is reeds bij de eerste aanraking met deze aarde en dit mijn hart in haar zuivere glansen getemperd, in haar schoonheid ontsierd en in haar reinheid bezoedeld.

Vandaar de ellende van Gods kerke op aarde. Vandaar de vertreding der heiligheden. En vandaar nu ook het worstelen der ziel met zonde totdat ze van deze aarde scheidt.

Eerst dan, als we uit dezen onreinen dampkring zullen opvaren, en van dit bezoedeld gestoelte onzes vleesches zullen opstaan en van dit onreine instrument, waarmeê we dusver God loofden, af zullen raken, — eerst dan, niet eer, maar dan ook gewisselijk, zal geen spat de sneeuwwitte blankheid meer ontsieren van het kleed der heiligheid ons door Christus geweven, en zal het „vlek noch rimpel” op het aangezicht der ziele waarheid niet slechts in den spiegel onzer inbeelding, maar waarheid ook voor den Heiligen zijn. |172|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ XVII, De Heraut No. 33 (21 juli 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004