XV. Nog een laatste tegensparteling


Mijn juk is zacht en mijn last is licht.

Matth. XI : 30. a


Nog altijd niet van hun ingebeelde volkomenheid kunnende aflaten, wenden onze Perfectisten het nu weder over een anderen boeg, en komen alsdan met de volgende vraag te berde: Wat licht is, zoo spreken ze ons toe, wat niet zwaar of moeielijk, maar gemakkelijk is, zou dat ook u kracht kunnen te boven gaan? En indien niet, waarom zou een kind Gods dan de volbrenging van zijn geboden niet reeds in dit leven aankunnen, daar toch de Heiland zelf betuigd heeft: „mijn juk is zacht en mijn last is licht!” en zijn apostel, de hem intiemste zijner apostelen, de apostel die het diepst en teederst voelde, nog eens deze uitlokkende gedachte in dezer voege omschreef: „Hierin is de liefde Gods, dat we zijne geboden bewaren en zijne geboden zijn niet zwaar?”

Zoo oppervlakkig bezien, schijnt ook deze redenering weêr onomstootelijk. Misleiding, niets dan misleiding, |144| blijkt immers volgens den klaren zin van deze uitspraken, uw sombere, mistroostige, triestige voorstelling van een weg ten hemel, die zoo moeielijk is, en een poort, die zoo bitter eng zou zijn, en van die weinigen, die haar als ingang in het Koninkrijk zouden vinden. Ge ziet het nu immers. Er valt niets tegen te zeggen. Die graftoon is het wangeluid uit uw eigen boos hart! Luister maar, hoe heel anders, hoe volheerlijk, hoe wegsleepend is die levenstoon niet van ’s Heilands lippen: „Een juk dat o, zoo zacht, een last die o, zoo licht, is en geboden die niet zwaar zijn!” o, Dat ge weêr adem mocht halen, arme bedrukte en misleide Christenheid, die onder den geesel der harde leerdrijvers nu zoo lange jaren gezwoegd en bij den ticheloven der zwartgalligheid nu deze lange dagen in het zweet uwer ziele, zonder uitkomst, geworsteld hadt! Maakt u op, waagt het met ons die de volmaakbaarheid drijven, en trekken we, als Israël eens onder Mozes’ geleide, zoo nu op onze beurt, langs den waterwand der Roode zee, over het droge, óns kanaän binnen. Hoort, de waterbeken ruischen er, en den honig vloeit uit den rotssteen en van melk en vettigheid en rijke weelde druipt het al!”

Is het dan wonder, zoo bid -1k u, dat op dat zoetelijk geklank van het wiegelied des hoogeren levens, de moêgetobde zielen zich verleiden laten!

Het is wel waar, er is er ook een die roept: „Lichter een kemel door het oog eener naald, dan een rijke in het Koninkrijk der hemelen”, en . . . . die dat roept is . . . . Jezus.

Het is wel waar, er staat ook geschreven: „Eng de poort en nauw de weg ten leven en weinigen die dien |145| vinden”; en . . . . de lippen waarvan ook dat opging waren de lippen van . . . . Jezus.

Het is wel zoo: „Zalig worden voor een menschenziel is onmogelijk bij menschen en alleen mogelijk bij God!”, altijd . . . . naar het getuigenis van dienzelfden . . . . Jezus.

Zelfs moet toegegeven worden, dat de beste der besten onder de mannen die Jezus uitzond, bitterlijk klagen bleven, dat ze „nog niet volmaakt waren”, „het nog niet hadden gegrepen”, „er nog altijd naar jaagden”; en dat wijd en zijd naar alle kanten de gemeenten des Heeren altijd weêr moesten opgewekt, om toch het niet op te geven, om toch te volharden, om toch dag en nacht te roepen, te smeeken, om hulpe te schreien of ze staande mochten blijven.

Maar . . . . wat, wat vermag dit alles tegen de verrukking en geestvervoering, die zich als vanzelf van een ziel bemachtigt die, nooit nog in het goede spoor geleid en altijd omdolend, nu eindelijk dat geklank van zijn Koning vernomen heeft en het zoete dwepen van volheilig reeds op aarde te wezen in een oogenblik van teedere ziels aangrijping indronk?

Daar helpt niets tegen!

Neen, niets dan de vreeselijke ontnuchtering. Als de overspanning over is en de opwinding verflauwt en de inbeelding weêr voor de werkelijkheid moet wijken!

Maar tot zóó lang; tot aan dat oogenblik van o, zoo hachelijke crisis; dan baat geen vermanen; dan staat men zelf niet voor een woord van Jezus; en is al uw tegenspraak eer olie in het vuur!

Anders, zoolang men nog met een gewonen, nuchteren zielstoestand te doen heeft, is het onhoudbare ook |146| in dat beroep op het zachte juk en den lichten last in een oogenblik in te zien!

Immers hierover kan wel geen twijfel bestaan, of Jezus heeft in Mattheus 11 : 30 zijn dienst gesteld tegenover den dienst der Farizeën. En waarin bestond nu tusschen die beide diensten het verschil? Stond het zóó, dat én de Farizeeër én Jezus dezelfde geboden Gods oplegden, maar dat de Farizeeër niet kon, wat Jezus wel vermocht, d.w.z. den zondaar wederbaren en hem daardoor meer kracht geven ter volbrenging?

Ja, zoo zou het hebben moeten staan, zou der perfectisten beroep op dit woord zin hebben. En lazen we dan ook: „Komt herwaarts tot mij, gij vermoeiden en belasten, ik zal u kracht geven om dien ondraaglijken last te torsen, zoo veel kracht zelfs dat die last u licht zal schijnen,” het spreekt vanzelf dat deze uitspraak van Jezus dan een steunpilaar van beduidenis zou wezen voor den wonder-kleinen catechismus waar deze predikers hun leer in saâmpersen.

Maar nu staat dit er ongelijkkigerwijze niet. Neen, er staat heel iets anders. Bijna vlak het omgekeerde.

Immers, de tegenstelling waarop Jezus wijst tusschen zich zelf en de Farizeën zoekt Jezus niet in de verschillende kracht om den last te dragen, maar wel terdege daarin dat de last, het juk zelf, een geheel ander is.

Het heet niet: „Bij den Farizeër schier geen en bij mij veel kracht!” maar de quaestie van veel of weinig kracht geheel terzijde latende, stelt Jezus juk tegenover juk, last tegenover last, en beweert nu dat de laat der Farizeën moedbenemend en benauwend is, terwijl de last, waarmeê hij komt de hoop herleven doet, |147| en als een verlichting, een verademing door de eerst ingedoken en ingedrukte schouder wordt gevoeld.

De Farizeën persten het arme menschenhart tot wanhoop, „want ze bonden lasten saâm, zwaar en kwalijk om te dragen, en leiden ze op de schouders der menschen; maar zij wilden die zelf ook met hun vinger niet aanroeren.”

Het was dat Farizeesche juk, dat de Joden-Christenen naderhand weêr poogden in te voeren, en waartegen Petrus zoo schoon op de Synode te Jeruzalem ijverde, toen hij sprak: „Nu dan, wat verzoekt gij God om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaderen nog wij hebben kunnen dragen?”

Het waren die Farizeën, waartegen de Heilige Geest reeds door den mond van Jesaia geijverd had, toen deze ziener sprak: „Wee dengenen die ongerechte inzettingen inzetten en den schrijvers die moeite voor schrijven.”

Een trekdier, een met juk en pak beladen lastdier, hadden ze van Gods kinderen gemaakt, een lastdier dat den ondragelijken last tegen het steile, hobbelige, steenachtige bergpad op moest werken, en dat had de arme mensch niet aangekund, daar was hij onder bezweken, daar was hij bij neêrgestort!

En toen nu de Heilige Geest dien geplaagden en in zijn kommer omkomende knecht Gods daar op het onherbergzaam pad zag nederliggen, had hij van oude dagen reeds geprofeteerd, en profeteerend getroost, dat eens alles anders zou worden en Gods kind dan zijn zou „gelijk een beest dat afgaat in de valleien, en waaraan de Geest des Heeren rust heeft gegeven!” Jes. 63 : 14.

De zaak staat dus zoo, dat de mensch buiten Jezus |148| beladen is vooreerst met de Wet Gods en ten tweede met den vloek die op die Wet rust, en bij dezen reeds dubbelen last had nu de perfectist van oude dagen, (want dat was de Farizeër) nog een derde last gevoegd in geboden en inzettingen van eeremonieele aard bestaande, die geheel het leven omstrikten en omstrengelden en nog ondragelijker dan de hofstikette voor den gewonen burger, zoo heel het levenspad van den Israeliet met voetangels en klemmen, links en rechts, in telkens kronkelende bochten belegd hadden.

Nu is hier alzoo noch van de Wet Gods noch van den vloek der Wet, maar alleen van dit Farizeesche juk sprake.

Ge hebt u dus den gewonen zondaar te denken, die met Wet en vloek beladen, om troost en redding eerst tot den Farizeër en dan tot Jezus komt.

Komt hij tot den Farizeër, dan heet het: „Neem dit er nog bij!” en wreed en onbarmhartig wordt dan aan den reeds zoo zwaren last nog het centnerzware juk van „inzettingen en ceremoniën” toegevoegd.

En dat kan Jezus niet aanzien. Dat snijdt hem door de ziel. Daar moet hij tegen ijveren en tegen profeteeren. En nu roept hij die arme misleide en ongetrooste, tot lastdieren verlaagde zielen, die hij ziet bezwijken onder het juk dat ze torsen, uit de diepte zijner ontfermingen toe: „o, Volgt toch die Farizeën niet, maar komt herwaarts, komt tot mij, ik voeg aan den last dien gij torst, niets toe. Ook ik heb een juk, maar o, zoo zacht, een last, maar o, zoo licht, ik uw Jezus, uw redder, geef u ruste aan uw ziel!”

En met de heilige ironie, in dit laatste onmiskenbaar, gaat Jezus dan nog een schrede verder en opent het heerlijk uitzicht op vrijmaking, ook van die Wet, op |149| verlossing, ook van dien vloek, ja op algeheele ontlasting der vermoeiden en beladenen van ziel!

Twee stadiën alzoo.

Vooreerst. „De Farizeeër legt een nieuwen last op wat ge reeds droegt. Ik, uw Jezus, voeg er niets aan toe.”

En dan, met ironische zinswending, nog verder gaande, zegt de Heer: „De Farizeeër wil u redden, door aan wat ge reeds torst, een nieuwen last toe te voegen. Ik, uw Jezus, kom u troosten, door op u last een juk te leggen, waardoor die last al zijn wicht zal verliezen. Niet slechts kom ik u last niet verzwaren, maar wil dien zelfs verlichten. Verlichten niet maar ten deele, maar geheel en al. Ja, zoo zacht zal mijn juk worden bevonden en zoo licht mijn last, dat ge ten leste niets meer torst en als „een afgebonden lastdier, afgaande naar de vallei, nu ruste, heerlijke ruste vind voor uw ziel”.

Weet nu ieder, dat elk Christen, elk kind van God, elke verloste en vrijgekochte des Heeren, ervoer en belijdt en volstandig erkent, dat de doodelijke last der Wet geheel van hem is weggenomen; dat Christus hem verlost heeft van den vloek der Wet, vloek geworden zijnde voor ons: en dat, „al is het dat hij al Gods geboden overtrad en geen derzelven hield, en nog steeds naar het getuigenis zijner consciëntie tot alle boosheid geneigd is, God desniettegenstaande hem de volkomen heiligheid en gerechtigheid van Christus schenkt en toekent, evenals had hij nooit zonde gehad of gedaan, ja, als hadde hij het al zelf volbracht, wat Christus voor hem volbracht heeft, in zoo verre hij dit met een op recht geloof aanneemt”, — wat is dan prachtiger uitgedrukt dan dit korte Evangelie in het: „Komt |150| herwaarts, gij die vermoeid en beladen zijt”! en wat is dan klaarder, wat duidelijker, wat innerlijk doorzichtiger, dan dat van al of niet op aarde reeds volmaakt te zijn, hier met geen woord wordt gerept?

En wat nu in de tweede plaats Johannes’ uitspraak aangaat, „dat de geboden Gods niet zwaar zijn” (1 Joh. 5 : 3), dan is het beroep der Perfectisten op dit Schriftwoord zeker nóg ongelukkiger, daar zij die zich aan dit beroep waagden, blijkbaar op redebeleid noch verband noch op den zin der woorden hebben gelet.

De geboden Gods zijn niet alleen niet zwaar, maar worden zelfs als een vreugd in steê van als een last gevoeld door den mensch gelijk God hem schiep.

Voor den onbedorven, kerngezonden of ook na den val weer geheel herstelden mensch, zijn toch de geboden Gods niets dan de normale levensbewegingen die bij zijn aard en natuur hooren.

En dat de geboden Gods drukten, pijn deden, onmogelijk bleken, lag niet daaraan dat die geboden op zich zelf zwaar waren, maar dat wij door de zonde voor die geboden ongeschikt zijn geworden en ze nu bij ons niet meer passen.

Loopen, ieder weet het, is voor den gewonen, gezonden mensch, mits het geen overloopen, maar wandelen zij, geen last, maar een lust, geen plage, maar een genot.

Maar laat nu den diep insnijdende en vlijmende pijn der rheumatiek uw leden stroef en stram maken en de beweging der beenscharnieren belemmeren, en immers dan wordt datzelfde loopen u niet alleen een last, maar een volslagen onmogelijkheid, en veroorzaakt reeds de eerste poging om u tot den loop te zetten u de ondragelijkste pijn.

En als nu de arts tot zulk een lijder zeide: „Och loopen is niet zwaar, loopen is niet moeielijk, loopen |151| is de wet van beweging, waar elk lichaam, om gezond te zijn, aan beantwoorden moet!” zoudt ge dien betweter dan toch niet voor half verbijsterd houden, die u nu op grond van dat zeggen toe dorst voegen: „De kracht der rheumatiek is bij mij gebroken; dús kan ik nu terstond weêr vlot en vaardig loopen „want loopen is niet zwaar!”

Helaas, de ernst der practijk ook bij deze krankheid leert het droever en beter.

Neen, ook al is het den arts gelukt de kracht der krankheid bij u te breken; ook al begon reeds weêr in aanvang het stramme en stroeve voor wat geleniger en buigzamer gevoel te wijken, dan gaat het daarom nog niet opeens op een draf.

Och, dan tobt het nog zoo lang en duurt het nog zoo lang, eer het allengs iets vrijer en iets lichter gaat.

Eerst is men al blij, indien de ligstoel het bed kan vervangen; dan indien het op die stoel van liggen tot zitten komt; om voorts, o, zoo zachtkens aan, steunden en leunend en krukkend, nog halfgebogen en overvoorzichtig voetje voor voetje van het eene eind der kamer naar het andere te komen. En dan vordert het ja, en komt men vooruit en verder, maar dat aanvankelijk genezen zijn en geheel verlost te huppelen langs de velden twee zijn, o, mijn lezer, dan leert ook die genezen lijder dan nog zoo lang en zoo droef.

En zoo nu ook staat het met „de geboden Gods” zegt Johannes. Bij wat is gelijk het uit God geboren werd, hooren zijn geboden, daar passen ze bij, daar gaan ze even vanzelf als het loopen, daar zijn ze niet zwaar. Zwaar werden ze eerst door onzen val, door ons bederf, door onze zonde. Zwaar blijven ze ook voor ons nog slechts door „de wereld” waarin we zijn en leven |152| en waarin we verstrengeld liggen. Maar, houdt goeden moed. Die wereld is zwakker dan wat in u uit God geboren werd, en daarom die wereld legt het voor u af Gij overwint haar. En dit is de overwinning die van den aanbeginne die macht der wereld overwon: uw geloof.

Altijd dus weêr dezelfde slotsom.

Geen moeite, geen kommer, geen zonde; zelfs geen overtreding noch struikeling . . . indien . . . voor zoover en . . . zoo dikwijls ge gelooft.

Alles voor u volbracht op Golgotha. Alles in u volbracht door den Geest des Heeren. Gij wandelend in goede werken die voor u bereid zijn.

Maar of en in hoever en onder wat opzicht dit werkelijkheid bij ons is, eeniglijk aan ons geloof hangend!

Aan ons geloof!

Ons geloof, waarvan de beste klagen dat het o, nog zoo zwak, zoo telkens ingezonken, zoo soms geheel weg is.

En daarom, gij drijvers der volmaakbaarheid, kunt ge waar maken, dat uw geloof elk oogenblik, aldoor, steeds er is, en gaaf en geheel oprecht en in al zijn oneindige diepte volkomen is, o, gewisselijk dan is uw pleit gewonnen, dan zijt ge volmaakt en zult geen last des gebods meer voelen.

Maar moet ge zelf erkennen: Neen, zoo vol, zoo krachtig, zoo aldoor werkt het niet; er is een ebben en vloeien, en ook zonder dat een klimmen tot al hooger volmaaktheid, — och, staakt dan vrij uw machteloos pogen om met de Schrift er door te komen.

Die Schrift weet van niets dan een „geloof alleenlijk”, en eischt, zal er volmaaktheid schitteren kunnen, óók voor dat gelooven de geheel volgemeten maat. |153|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ XV, De Heraut No. 31 (7 juli 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004