XIV. Van de zonde af!


Die uit God geboren is, doet de zonde niet; en hij kan ook niet zondigen.

1 Joh. 3 : 9. a


Een afzonderlijke bespreking is noodzakelijk voor 1 Johannes 3 : 9.

Dat scherpe, krasse, stalen woord toch is en blijft voor o, zoovelen, een aanstoot en ergernis, die anders, met u, alle perfectisterij van harte als onwaar en tegenschriftuurlijk verfoeien.

Het is dan ook een bij den eersten oogopslag hoogst bevreemdend en verontrustend woord.

Het staat er zoo vierkant, zoo onbeweeglijk, zoo zonder wrikken of verwegen toe te laten: „Wie uit God geboren is, doet de zonde niet”, en als om het zoo mogelijk nòg snijdender en doordringender te maken, volgt er op: „Zulk een kán niet zondigen, want hij is geboren uit God”. En dat er hierbij aan geen glosseem, aan geen invoegsel of fouten tekst is te denken, komt Johannes zelf u boven allen twijfel verheffen door nog twee malen in dezen korten brief geheel dezelfde |133| stelling te herhalen; eerst in wat voorafgaat, als het kapittel drie vers zes heet: „Een iegelijk die in Hem blijft, zondigt niet; een iegelijk die zondigt, heeft Hem niet gekend;” en straks in hoofdstuk vijf het achttiende vers: „Wij weten dat een iegelijk, die uit God geboren is, niet zondigt.” Ja, om u elken uitweg af te snijden en als om uw wanhoop volkomen te maken, voegt deze heldere, bezielde apostel der liefde er zelfs nog strenger aan toe: „Wie de zonde doet, is uit den duivel!

Wat dunkt u, zijn de „volmaakbaarbeiddrijvers” door deze onverbloemde Johanneïsche gedachtenontwikkeling dan toch niet plotseling weêr uit het gedrang gekomen, en zou het metterdaad mogelijk zijn, een sterker, meer beslissend en verpletterender Schriftwoord te vinden, waaruit, met úw ongelijk, de rechtmatigheid van hún beweren op schitterender wijze bleek? . . . .

En toch, hoezeer ook bij dit woord van Johannes de schijn, voor wie op den klank afgaat, ten gunste der Perfectisten zij, desniettemin is met één oogopslag in te zien, dat de drijvers der „volmaakbaarheidsleer” ook met deze aangrijpende Johanneïsche ethiek niets ter wereld gebaat zijn, en er eer nog verdriet aan moeten beleven.

Denk, om u hiervan voetstoots te overtuigen, slechts even in tot welke onmogelijke gevolgtrekkingen de Perfectisten komen moeten, indien ze deze krasse uitspraak in den gewonen letterlijken zin als bewijs voor hun stelsel willen opvatten.

„Wie uit God geboren is,” zegt Johannes, „doet de zonde niet,” en „die de zonde doet is niet uit God, maar uit den duivel.” Dat geldt dus in volstrekten zin van een ieder en een iegelijk. Van álle bekeerden. |134| Ook van de pas toegebrachten. Niet slechts van de „allerheiligste”, of „bevestigde” of „meer gevorderde Christenen”, maar van álle verlosten, van álle wedergeborenen, van allen die in der waarheid zijn en heeten mogen: kinderen Gods.

Van deze allen zou dus door den apostel Johannes geleerd worden, dat ze, van het oogenblik hunner toebrenging af, nooit of nimmer gezondigd hadden, en dat om de eenvoudige reden, dat ze niet meer hadden kúnnen zondigen, want dat „zulk een, die uit God geboren is, niet zondigen kan.”

Er zou al meer uit volgen, dat allen zonder onderscheid die, na het oogenblik waarop ze zich hadden ingebeeld wedergeboren te zijn, ooit, wanneer ook, in het groot of klein, aan eenige zonde in woorden, werken of gedachten schuldig hadden gestaan, daardoor bewezen waren valschelijk zich als kinderen Godt te hebben voorgedaan, zich volslagen omtrent Gods leiding met hun ziel te hebben vergist, en van achteren bleken niet uit God te zijn, maar nog uit den duivel.

Er zou uit blijken, ja, dat deze volmaakbaarheiddrijvers zich zelfs totaal vergisten omtrent zichzelven, door voor te geven, dat ze wel reeds vroeger uit God geboren waren, maar daarna nog eerst een periode van halfheid doorleefden, waarin ze nog nu en dan zondigden; en eerst na afloop daarvan in den volmaakten staat waren overgegaan. Want dat ze, volgens Johannes’ stellige uitspraak, al dien voorgaanden tijd dat ze nog nu en dan zondigden nog geheel buiten de wedergeboorte, buiten het nieuwe leven hadden gestaan en verpand waren gebleven aan Sathan.

Kortom, dorsten deze afgedoolde broederen leeren, |135| dat er nooit of nimmer bij eenig kind Gods, oud of jong in den weg, een zonde hoe gering ook voorkwam of kon komen, — dan, o, gewisselijk zou hun leer met de letterlijke opvatting van 1 Joh. 3 : 9 uitnemend rijmen.

Maar nu ze, geheel in strijd hiermeê, het u aanpreken, dat een uit God geborene, aanvankelijk nog wel zondigt, en eerst later, eerst door een acte van vernieuwde algeheele toewijding in de hoogere sfeer van het „niet-zondigen” overgaat, nu spreekt het vanzelf dat ze den letterlijken zin van Johannes’ woord niet meê, maar tegen zich hebben, en zelf niet aandurven wat ze ons voorhouden als door Johannes geleerd.

Had Johannes geschreven: „Wie zijn wasdom in Christus verkreeg, zondigt niet en hij kan ook niet zondigen, want het zaad Gods is in hem tot gedijen gekomen,” dan, ja, zouden wij geslagen en de Perfectisten gered zijn.

Maar nu de apostel dit niet leert, maar eer, door wat hij leert, bestrijdt en omverwerpt, nu blijkt ook hier weêr, hoe volkomen hopeloos de zaak dezer dolende leeraars staat, zoodra we aan de Schrift toekomen.

Och, juist wat hun een bolwerk scheen voor hun droeve ketterije, verandert dan, zoodra slechts even het uiterste der oppervlakkigheid terzijde wordt geschoven, op een wijze dat ze het zelven moeten toestemmen, in een muur die hun elken uitgang verspert en geheel hun stelsel veroordeelt.

Dit is ook hier het geval.

Niet alleen toch dat Johannes’ scherpe uitspraak hen in het minst niet verder helpt, maar ze is zelfs in onze, hand een zeer dienstig wapen om hun opnieuw een zeer ernstige wonde toe te brengen. |136|

Immers we behoeven naast I Joh. 3 : 9 slechts het door hen zoo ver verworpene Romeinen 7 : 20 te leggen, om te doen zien, hoe we hier niet met een leer van Paulus of Johannes, maar eenvoudig met de gewone leer der gansche Schrift te doen hebben, die én door den man van Tarsen én door den jonger van Pathmos, in bijna gelijkluidende bewoordingen wordt vertolkt.

Legt Johannes aan een kind van God de woorden op de lippen: „Ik doe de zonde niet meer, want ik kan ook niet zondigen wijl het zaad Gods in mij blijft,” — dan spreekt Paulus in geheel gelijken zin uit eigen zielservaring: „Indien ik doe hetgeen ik niet wil, zoo doe ik hetzelve niet meer, want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch.”

En als Paulus omgekeerd aan die hooggestemde triomfkreet de bittere belijdenis en de droeve klacht toevoegt: „Hetgeen ik haat dat doe ik,” dan komt Johannes u op even roerenden toon de ontzettende bekentenis brengen: „Indien we zeggen dat we niet zondigen, zoo misleiden we ons zelven en de waarheid is in ons niet.”

Zonderling niet waar?

Van Romeinen zeven wilde deze drijvers van vreemde leer niets weten, en met Johannes’ woord van het „niet zondigen,” dachten ze heel den slag gewonnen te hebben, — en wat blijkt nu van achteren anders, dan dat beide stukken der Schrift precies hetzelfde inhouden, uitnemend tot elkanders toelichting en verklaring dienen, en zoowel beiden saam, als elk op zich zelven zich onverbiddelijk aankanten tegen wat deze euthousiasten bedoelen. |137|

En hierbij lette men er op, dat ook wij ons bij de verklaring van Johannes’ woord zeer nauw aan de letterlijke woorden houden.

We komen niet voor den dag met de gewone uitvlucht, dat een kind van God wel kleine en onbeduidende, maar geen doodelijke zonden, geen „zonde tot den dood” begaat, en dat de apostel alleen op die laatste ontzettende uitbarstingen der zonde het oog zou hebben.

We zeggen óók niet, dat dit „niet zondigen” van den apostel op zijn doorgaanden levensstand ziet, als wilde Johannes zeggen: „Er komen wel uitzonderingen voor, maar zijn gewone leven staat buiten de sfeer der zonde.”

En evenmin zoeken we ons te redden door den apostel de meening toe te dichten, als had bij bedoeld: „Aan zonde in den wettelijken zin staat hij niet meer schuldig, al komt hij nog wel te kort, vaak veel te kort, in de liefde en den ootmoed.”

Zie, veeleer verwerpen we al deze halfslachtige uitleggingen als onwaar, onmanlijk en ongenoegzaam, wijl we bij eigen droeve ervaring weten, dat ze toch niet bevredigen en de ziel in spanning laten, en eenvoudig ten gevolge hebben, dat de meeste Christenen maar voortleven en voortdenken, als had Johannes zijn apodictisch „niet-zondigen,” nimmer ten papiere gebracht, en voorts, komen ze er bij het lezen aan toe, er met een zucht over heenlezen. Een zucht, waarin ze de ,droeve bekentenis zich ontglippen laten: „Och, stonden die zonderlinge woorden er maar niet. Op mij kunnen ze geen vat krijgen en ik word zoo nooit!”

Terdege, wat Johannes zegt, op het woord af, nemen |138| gelijk het er staat, is tegen deze ziekelijke lafheid het eenig afdoend geneesmiddel.

Metterdaad, het is zooals Johannes zegt: „Een kind van God doet zelf de zonde nooit.” En dit moet betuigd en moet beleden, niet wijl de ervaring het ons zoo leert. Integendeel, door de ervaring komen we schijnbaar tot een geheel andere slotsom. Maar moet beleden, „omdat niet kán zondigen wie eenmaal uit God geboren is,” d.w.z. beleden, wijl het tegendeel eenvoudig onmogelijk zou zijn.

Letterlijk dus hetzelfde, als wat Jezus gezegd heeft: „Uit een goeden boom kan geen kwade vrucht voortkomen,” een woord dat men ook al gewoon is, zeer onschriftuurlijk, naar eigen inzicht te verdraaien.

Meestal toch maakt men hier zoo iets van, alsof Jezus gezegd had: „Een goede boom begint met eerst nog al veel kwade vruchten voort te brengen. Van lieverlede komen er dan meer goede. En eindelijk komt er een tijd, dat er niet dan goede vrucht aan zit.” Lijnrecht dus het tegendeel van wat Jezus beweert.

Neen, de Heer zegt wel zeer stelliglijk, wat bovendien ieder boomkweeker weet, dat aan een tammen boom geen wilde vrucht komen kán. Dat „het onmogelijk is ooit of immer druiven te lezen van distelen,” maar ook even onmogelijk, wilde vruchten in te zamelen van een tam en deugdelijk geënt lot.

Dat er wormstekige, bedorven, onooglijke vruchten ook aan den besten boom kunnen zitten, weet Jezus uitnemend goed, maar wat niet kan, wat onmogelijk zou zijn, wat tegen de natuur zou strijden, is, dat ge wilde kastanjes zoudt zien groeien aan een kastanjeboom die tam is. |139|

En vondt ge dat toch zoo in het woud, zaagt ge voor uw oogen dat tusschen de takken met goede vruchten toch enkele takken met kwade vruchten heen zaten, dan zou elk houtvester of boomkweeker of ook gewone boschwachter, u zonder aarzeling verzekeren kunnen, dat hier één van tweeën plaats greep: òf dat er een wilde plant door den tammen boom was heengegroeid, òf dat de tamme op een wilden geënt was, en die tak met wilde vruchten nu onder uit den ouden wilden stam was opgeschoten.

Maar, en hier zou zulk een u, op zijn houtvesters eer, voor in staan, — uit den tammen boom kon die tak niet zijn. Want, zoo zou hij u zeggen, „een lot uit den tammen aard brengt nooit of nimmer wilde vrucht voort, omdat dit tegen zijn aard strijdt, en het kan zulk een vrucht ook niet voortbrengen, want het is van een tammen boom geënt.”

En, zou hij er u bijvoegen, nu is het wel waar dat die kwade vrucht er nog omgroeit, zelfs nog zeer sterk omzit, maar kon de tamme geënte boom spreken, wees verzekerd dat hij u betuigen zou: „Die kwade vrucht, die ik niet wil, komt er nog wel, maar nu maak ik die vrucht niet meer, maar de wilde oude stam, waarop men mij entte.”

Is nu een kind van God metterdaad niet beter te vergelijken dan bij zulk een tam lot dat geënt is op een wilden stam, wat zoo vragen we, is er dan onnatuurlijks aan, dat van zulk een „geënten” nieuwen persoon èn door Jezus èn door Paulus èn door Johannes 1) geleerd wordt dat het kwaad dat men aan hem ziet niet komt uit hem. |140|

Zoo Jezus: „De goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen.”

Zoo Paulus: „Ik nu doe datzelve niet meer, maarde zonde die in mij woont.”

En zoo nu ook Johannes: „Wie uit God geboren is, kan niet meer zondigen.”

Dit geldt dus niet alleen van de groote, maar ook van de kleinste zonde. Uit „het zaad Gods” dat in ons blijft, kan bij geen mogetijkheid, ooit, ook maar zelfs de minste zondige gedachte opwellen. Uit het „van Gods wege in ons geborene” kan nooit of nimmer, onder wat bange verzoeking, ook maar voor één ondeelbaar oogenblik, de zwakste overtuiging tot wat zondig is, voortkomen. Door het „kind van God” kan nooit worden uitgeademd iets dat zijn oorsprong heeft in Sathan.

Was nu een belijder des Heeren op aarde niets dan „kind van God;” enkel „die heilige persoon;” alleen „dat hemelsche;” werkten er in hem geen andere drijfveren dan de drijvingen die uit hem zelf komen, — dan zou er derhalve ook geen zonde aan hem wezen, want hij kán ze eenvoudig niet doen.

Maar dit is niet zoo.

De oude stam, waarop het tamme lot geënt wierd, is er nog, en schiet telkens uit.

Aanvankelijk zelfs nog zoo sterk uit, dat de kleine uitbotting van het nieuwe lot nog geheel overschaduwd wordt door de wilde loten die opschieten van omlaag.

Dat betert dan van lieverlee wel, als er aan dien wilden stam meer gesnoeid wordt en aan dat nieuwe lot meer levenssap toekomt, maar toch, het blijft een dooreenstrengeling van wild en tam tot den einde, en |141| dan eerst kan aan die tweeslachtigheid voorgoed een einde komen, als eindelijk de hemelsche Landman het nu krachtig geworden lot geheel van den wilden stam afsnijdt, en bij het wegsterven van deze aarde overplant op een eigen wortel in den hemelschen grond.

En nu voeg bij dien toestand tweeërlei belijdenis, al naar gelang het kind van God van zich zelven spreekt, als voor zijn oude natuur nog aansprakelijk, dan wel als van die oude natuur in Jezus af.

Spreekt hij als voor die oude natuur van vroeger en van nu nog aansprakelijk, dan heet het achtereenvolgens: 1º van het verledene: a. „Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zoo maken we Hem tot een leugenaar;” en b. „Indien we onze zonden belijden, Hij is getrouw dat Hij ons onze zonden vergeve.” En 2º. van het heden: a. „Indien wij zeggen dat wij geen zonden hebben, zoo verleiden we ons zelven en de waarheid is in ons niet,” en b. „Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den Rechtvaardige.”

Spreekt hij daarentegen, als van die oude natuur door de wedergeboorte afgescheiden, dan geldt het getuigenis: a. „Uit dien goeden boom kan geen kwade vrucht voortkomen;” b. Ik nu doe ditzelve niet meer, maar de zonde die in mij woont;” en c. „Die uit God geboren is, kan niet zondigen.”

De onbekeerde en de bekeerde beiden nemen in hun leven aan zich zelf zonden waar.

Maar het verschil ligt hierin, dat de onbekeerde de zonde doet, zelf, willens en wetens doet. Terwijl de bekeerde de zonde ondergaat, als iets dat hij afbidt, dat hem een lijden veroorzaakt, waar hij zich van los wil voelen. |142|

Bij de kinderen der leugen is het een zondigen, waarbij men de zonde mint, en bij de kinderen Gods een zondigen, waarbij men de zonde haat.

Bij beiden weet de zonde nog te woelen en te werken. Maar, terwijl ze bij den onbekeerde het goed heeft en gevierd en in de kamers van het hart feestelijk onthaald wordt, heeft diezelfde indringster het bij de kinderen van God hard te verduren en lijdt er honger en wordt er rusteloos in den hoek gedrongen en na elk levensteeken, dat ze weer geven dorst, met dubbele slagen, al ziet het ook geen menschenoog, in de kameren van het hart gekastijd. |143|




1. Op volkomen gelijkluidende wijs.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ XIV, De Heraut No. 30 (30 juni 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004