XIII. Speel niet met Gods Woord!


Genen mensche is er die niet zondigt.

1 Kon. 8 : 46. a


Maar — zoo geven de Enthousiasten en hun aanhang ons dan ten bescheid — zij het dan al, dat, naar luid van Romeinen zeven, een strijd tusschen vleesch en geest heel dit leven door ons blijft naloopen, toch moet er ten leste een staat van volmaaktheid reeds hier op aarde aanbreken, waarin „aldoor te overwinnen” minst genomen mogelijk wordt. Immers, de auteur van Romeinen zeven is óók de auteur van wat in den brief aan de Philippensen staat: „Ik vermag alle dingen, door Christus die mij kracht geeft,” en in dit zeggen betoonde Paulus zich, verre van een dweeper, veeleer een getrouw discipel van Hem, die eens het groote woord sprak: „Alle dingen zijn mogelijk, dengene die gelooft.”

Zoo toch schrijft één dezer drijvers: „Maar dat deze laatste absolute volmaaktheid ook in anderen geweest is of heeft kunnen wezen, belet noch de heilige Schrifture noch de gezonde reden, noch ten laatste iets ter wereld. |122| Want indien aan den geloovige allen dingen mogelijk zijn, hoe zou het hem dan ook niet zeer goed mogelijk moeten wezen, nadien hij tot de bekentenisse der waarheid gekomen is, niet meer te zondigen. 1)

En dit zeggende zien de volmaakbaarheidsapostelen u dan met een vergeeflijk gevoel van zelfvoldoening, tamelijk triomfantelijk aan, een blik op u werpend waar de vraag uit spreekt: „Eilieve, zijt ge thans dan toch niet onherroepelijk geslagen?”

Toch kan dat oog vol victorie ons niet afschrikken, en antwoorden we op die vraag met kalme verzekerdheid: „Ons dunkt, neen!”

En, naar ons voorkomt, metterdaad niet op zoo geheel verwerpelijke gronden.

Immers, wat een woord van Jezus, of ook een woord van zijn apostel te beduiden heeft, zal wel allereerst moeten blijken uit den samenhang. Tot tekstverklaring doet het los citeeren van een woord niets af. Dat op den klank aanhalen van Schriftwoorden is eer oneerbiedig en onzedelijk. En de Enthousiasten, die deze aangrijpende woorden van den Heiland en zijn apostel in hun toespraken en liederen boudweg, als op de ten onderbrenging van de zonde slaande, zonder zweem of schijn van aarzeling dorsten naspreken, konden van achteren bezien wel eens berouw hebben over het droeve feit, hoe ze ook hierin weêr den te kleinen eerbied verrieden, dien men bij deze óvergeestelijke lieden steeds kan waarnemen ten opzichte van Gods Heilige Schrift.

Er is toch van hun beweren en voorgeven eenvoudig niets aan. |123|

Ja, zóó weinig aan, dat noch in het eene noch in het andere Schriftwoord van een overwinning op de zonde, van een „zedelijk” kunnen, van een triomf op vleesch en zinnenlust, ook maar sprake is.

Wat toch is het geval?

Het woord van Jezus, waarop men zich beroept, en dat Marcus 9 : 23 voorkomt, slaat uitsluitend op de macht om kranken te genezen.

Het was na de verheerlijking op den Thabor; toen Jezus, van den berg afgedaald, te midden der aangroeiende menigte, dien diep ellendigen jongeling vond, dien maanzieke, die, zich scheurende en wentelende in zijn schuim, daar als een toonbeeld van menschelijken jammer op den grond lag te stuiptrekken, en voor wien zijn vader bad en de handen wringend Jezus smeekte: „Och, Heer, zoo gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons!” En op die vraag nu volgt onmiddellijk dit antwoord van Jezus: „Zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft.”

Nu wete men hierbij dat dit antwoord naar een juistere vertaling en volgens zuiverder tekst aldus komt te luiden: „Gij zegt mij: Zoo gij iets kunt, — o, alle dingen zijn mogelijk ten behoeve van dengene die gelooft.”

De ongelukkige vader dacht dat het aan het „kunnen” van Jezus leî. En nu antwoordt Jezus hem: Twijfel dáár niet aan; ik kan altijd; de vraag is niet of ik kan, maar of gij kunt, namelijk of gij kunt gelooven. De macht om het wonder der genezing te doen is in mij zeer stellig aanwezig. Maar die macht op zich zelve is nog onvoldoende. Zal die macht mijnerzijds kunnen werken, dan moet er uwerzijds aan de voorwaarde van |124| geloof voldaan worden. En gelijk we elders lezen „dat Jezus aldaar geen teekenen doen kon vanwege hun ongeloof,” zoo voegt Jezus in geheel gelijken zin dien bijna vertwijfelenden vader toe: „Vraag mij niet of ik kan genezen, maar laat mij u vragen of gij kunt gelooven, want alleen dan kan mijn wonderkracht werken; maar zóó, dat ze onder die voorwaarden dan ook stellig werkt: want alle dingen zijn mij mogelijk, als ik te doen heb met iemand die gelooft.”

En dat dit en dit alleen de juiste verklaring van Jezus woorden is, blijkt ontwijfelbaar zeker uit wat volgt.

Ware toch de bedoeling geweest dat „iemand die gelooft nu zélf alles doen kan,” dan zou men moeten verwachten, dat de vader na betuigd te hebben: „Heer dat doe ik, ik geloof!” dan nu ook zelf beproefd had om zijn kind te redden, en dat dit hem ware gelukt.

Maar zie, juist het tegendeel grijpt plaats.

De vader roept wel uit: „Ik geloof, Heere!” maar hij voegt er bij: „Kom mijne ongeloovigheid te hulp,” en daarop wordt de genezing van den maanzieke volbracht, niet door den vader, die geloofde, maar door Jezus die hem het geloof had afgevorderd.

Versterkt wordt dit nog door vergelijking met hetgeen Mattheüs verhaalt. Daar komen we namelijk te weten, dat Jezus, na het volbrengen der genezing, ook met zijn discipelen over de geloofsmacht gesproken heeft. De vader had namelijk, gelijk men weet, eerst den discipelen gevraagd om zijn kind te helpen. En eerst toen gebleken was, dat de discipelen het niet aankonden, het wel beproefd hadden, maar het op moesten geven, eerst toen had hij zijn toevlucht tot Jezus zelf genomen. Dit gaf aanleiding dat de discipelen, |125| van achteren zich beschaamd en teleurgesteld voelend, nu aan Jezus vroegen: „Heer, zeg ons toch, wáárom hebben we dit wonder niet zelf kunnen doen?” Waarbij natuurlijk deze gedachtengang is te denken, alsof ze zeiden: „Heere, gij hadt ons toch in onderscheiding van allen de macht medegedeeld om te genezen en de kracht verleend om duivelen uit te werpen, en zoo dikwijls reeds beleefden we dan ook de heilige vreugd, om door middel dier ons verleende macht ellendigen te redden! Och, Heere, waarom schoot dan nu onze kracht te kort? Want zie, ook nu beproefden we het maar we moesten het opgeven. De macht der krankheid was ons te sterk?”

En op die klacht nu gaf Jezus hún, niet dien vader ten antwoord: „Indien ge een geloof hadt als een mostaardzaardje, ge zoudt tot dezen berg zeggen: Word opgenomen en in de zee geworpen, en het zou alzoo geschieden”; een betuiging die derhalve in de beteekenis van wondermacht volstrekt niet op èlk Christen mag worden toegepast, maar uitsluitend geldt van die bijzonderlijk begenadigde getuigen, aan wie Jezus expresselijk en voor onbepaalden tijd en voor een aanwijsbaar doel deze extraordinaire goddelijke gave had geschonken.

Zoo blijkt dus dat de Enthousiasten zich door hun beroep op dit woord van Jezus in drieërlei opzicht schromelijk vergissen.

Vooreerst dat ze dit „alles kunnen” op dezen persoon toepassen, terwijl het blijkens den samenhang, niet op dien vader, maar op Jezus zelf slaat, die ten behoeve van dien vader alles kan, indien hij maar kon gelooven.

Ten andere, dat, ook al liet men de woorden: „alle |126| dingen zijn mogelijk”, niet op Jezus, maar op dien man slaan, er in elk geval hier schijn noch sprake is van een strijd tegen de zonde of een worstelen tegen de verleiding van het vleesch, maar uitsluitend van genezing. Niet dus van de macht om niet te zondigen, maar van de macht om wonderen te doen. Een kannen alzoo niet op ethisch, maar op physisch gebied.

En ten derde, dat, aamgenomen eens, dat ook dit niet zoo ware, en het „alle dingen” geacht kon worden ook de bestrijding der zonde in zich te sluiten, dan toch in elk geval dit „kunnen” afhankelijk wordt gesteld van het „gelooven”, en dat juist dat zich zelf aanklagen van niet te gelooven de sombere klaagtoon is, die door het triomflied van Romeinen zeven heentrilt.

Zoo zelfs, dat met het oog op dit laatste punt, Romeinen zeven in plaats van door dit voorval uit Marcus weersproken te worden, er juist omgekeerd, lijnrecht door bevestigd wordt. Immers, de klacht van dien vader: „Ik geloof, Heere, en toch ik ben ongeloovig, och, kom mijn ongeloovigheid te hulpe!” is de kernachtigste en prachtigste commentaar, die zich op Romeinen zeven leveren laat.


*

Staat het beter met hun beroep op Paulus’ juichkreet uit Phillippensen 4 : 13: „Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft?”

Het mag betwijfeld!

Vragen we toch van welk vermogen, van welk kunnen, van welke geestelijke macht Paulus in den samenhang dezer woorden handelt, dan laat het verloop en de gang zijner gedachten ons allerminst in twijfel. |127|

Hij heeft weêr gebrek geleden. De beurs van den apostel was weêr ledig, en de gemeenten, in steê van hem rijkelijk te voorzien, en wat meer nog zegt, in tijds te voorzien, hadden getalmd en den tijd verbeuzeld, terwijl de apostel van Jezus nauwlijks het noodige had om brood te koopen. En toen nu ook die nood weêr doorworsteld was en Philippi, een der beste gemeenten, hem weêr geld gezonden had, toen schreef hij haar dezen brief, en in dien brief deze woorden: „Ik ben grootelijks verblijd geweest in den Heere, dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt; maar gij hebt de gelegenheid niet gehad. Niet dat ik hierover klaag, van wege het gebrek dat ik geleden heb, want ik heb geleerd altijd tevreden te zijn, hoe ik het ook heb. Och, ik weet vernederd worden en dan weêr overvloed te hebben. Alleszins en in alles heb ik mijn leerschool gehad. Ik weet verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft.”

Er is dus voor twijfel zelfs geen plaats. Geheel de samenhang toont en bewijst met overtuigende beslistheid, dat de apostel bij het schrijven van deze woorden, uitsluitend en eeniglijk aan het doorstaan van vernedering, van lijden, van nood en gebrek, en volstrekt niet aan de worsteling met de zonden des vleesches gedacht heeft. En zelfs indien men nog wilde tegenwerpen, dat Paulus zeer zeker hierop in de eerste plaats gedoeld heeft, maar dat de uitdrukking „alle dingen” toch te sterk is, om hierbij aan doorstaan van leed alleen te denken, dan wordt door het onmiddellijk voorafgaande „alleszins en in alles” hem ook deze tegenwerping zonder |128| sparen uit de hand geslagen. Want dit zal toch wel een ieder toegeven: het „alle dingen” van vers 13 moet even wijd of even eng van omvang zijn als het „alleszins en in alles” uit het vlak voorafgaande vers. En nu, wat onder dit „in alles” door den apostel begrepen is, heeft de apostel goedgevonden ons zelf allerondubbelzinnigst in deze duidelijke omschrijving te zeggen: „Alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden.”

Reeds hierdoor zijn de volmaakbaarheidsdrijvers ook ten opzichte van dit Schriftwoord van gedachteloos naspreken en citeeren op den klank af, zeer tot hun eigen schade, overtuigd.

Maar ga nu eens verder, denk nu eens het ondenkbare en stel voor een oogenblik, dat de samenhang, wat niet zoo is, hun uitlegging toeliet, en er dus wel terdege bedoeld was: „Ik vermag alle zonden te overwinnen,” wat, bid ik u, waren deze zonderlinge Schriftuitleggers dan nog gevorderd?

Indien er stond, ja: „Ik vermag alle zonden te overwinnen door de kracht die Christus mij daartoe eenmaal verleend heeft,” o, zeer zeker, dan hadden ze gewonnen spel, nog wel niet voor een iegelijk Christen, en wel allerminst voor hun eigen voorgewende zondeloosheid, maar dan toch voor den vorst onder de apostelen des Heeren, voor dit uitverkoren vat, dat de Heer zich gesteld had om, in anderen zin dan bij Farao, „zijn kracht in hem te bewijzen.”

Maar zelfs deze uitweg moet hun worden afgesneden.

Immers, de apostel zegt, „dat hij alle dingen vermag |129| door Christus, of liever gelijk er letterlijk staat, in den Christus die in mij de kracht er toe werkt.”

Die werking van den Christus in hem moet dus van oogenblik tot oogenblik vernieuwd worden. Bij elken nieuwen strijd moet het altijd weêr opnieuw diezelfde Christus zijn, die hem moet aangrijpen, die in hem zich openbaren en aldus de macht en mogendheid in hem in moet storten.

Al is het dus volkomen waar, „dat hij alles vermag indien de Christus de kracht er toe in hem werkt,” zoo volgt hieruit nog, allerminst, dat dit werkelijk alzoo van oogenblik tot oogenblik geschiedt.

Hiertoe is noodig dat Paulus „zwak zij.” Dan toch eerst kan hij „roemen in zijn zwakheden opdat Christus in mij wone,” 2 Cor. 12 : 9. En zoo zwak was Paulus in steê van altijd, integendeel zoo weinig, dat een Sathan hem driemaal met vuisten moest slaan om hem zwak te krijgen.

Ook dit „inwonen nu van den Christus” kan weêr alleen plaats grijpen door het geloof, naar luid van wat Paulus zelf aan de gemeente van Efeze toebidt: „Opdat de Christus door het geloof in uwe harten wone,” en zoo zijn we derhalve ook met dit Schriftwoord weêr juist even ver als met Romeinen zeven en landen we nogmaals aan bij de vraag: „Is er geloof, is dat geloof altoos durend, is dat geloof altoos werkend, of wel kennen ook die wateren van het geloof der ziele hun ebbe en hun vloed?”

Vraagt men nu ten slotte, hoe ten opzichte van die vraag Paulus zelf stond, dan gaan we veiligst met het antwoord aan denzelfden brief te ontleenen, waarin hij dit „ik vermag alle dingen” inlascht, en verwijzen onze |130| lezers dan naar deze drie bekentenissen: 1. dat hij van al zijn medearbeiders die bij hem zijn, met uitzondering van Timotheüs, dit schrikkelijk getuigenis geeft: zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is; 2. dat hij verklaart, nog te worstelen „om de kracht van Christus te bekennen;” en 3. dat hij er ter beschaming van allen valschen roem bescheidenlijk en nederig voor uitkomt: „Niet dat ik het alreede gegrepen heb of volmaakt ben!”

Hoe men het dus ook wende of keere, hetzij men op den samenhang lette gelijk het behoort, of, naar de vrijheid die deze overgeestelijke personen zich veroorloven, dien samenhang voor niets achte, voor het beweren der Enthousiasten, „dat elk kind van God, zoo hij maar wil, zonder zonden kan leven,” blijkt derhalve noch uit het „alle dingen zijn mogelijk” van Jezus, noch ook uit het „ik vermag alle dingen” van Paulus, ook maar een zweem van bewijs afleidbaar te zijn; indien althans eerlijkheid van betoog en logische gedachtenontleding voor den Christen nog zullen gelden.

Toch bega daarom niemand de onbarmhartige wreedheid, om deze overspannen en jubelende broederen deswege van valschheid in geschrifte ten opzichte van Gods heilig Woord te betichten.

Veeleer zijn we volkomen overtuigd, dat de zangers en sprekers die deze woorden aanhaalden en overnamen, geheel te goeder trouw te werk gingen en van dit misbruik van Gods Woord terstond zouden hebben afgelaten, indien ze geweten hadden wat ze deden.

Och, de zaak is eenvoudig deze.

Woorden als de thans behandelde hoort men telkens op de lippen nemen, buiten elk Schriltverband. Dus |131| doende went men zich er aan, een zin naar eigen goedvinden aan de daarin voorkomende gedachte te hechten. En in dien zelfgekozen zin groeit men dan derwijs in, dat, ook al leest men het soms vluchtig in den samenhang over, het vermoeden zelfs van „valsche Schriftverklaring” niet oprijst.

Studie, degelijke Schriftstudie zou natuurlijk een einde aan deze „Schimmelplanten op het Woord” maken, maar . . . . helaas, aan die degelijke studie van de Schrift hapert het juist.

Ja, hapert het in zulk een mate, dat we geen oogenblik twijfelen, of ook na deze onverbloemde tegenspraak, zal het misbruik van deze schriftwoorden toch wel ongestoordelijk zijn gang blijven vervolgen en de Heilige Schrift in deze kringen duurzaam haar kroon moeten afleggen voor de Canones der Enthousiasten en de Confessie der Perfectisten. |132|




1. Smalcius, Ref. thes. Franzii, p. 316.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ XIII, De Heraut No. 29 (23 juni 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004