XII. Niet lager, maar hooger dan de massa!


Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont.

Rom. VII : 18. a


En nu dan over Romeinen zeven nog een woord in meer algemeenen zin ten besluit.

In den onwedergeborene; dat bleek dan wel overtuigend uit elk der tien bewijsmiddelen, die we aanvoerden; in den onwedergeborene valt een zielsworsteling, als hier beschreven wordt, niet.

Met een kind van God, met een uit den Geest geborene, met een die in Christus Jezus is, ja, in rechtstreekschen en gestrengen zin met een uitverkorene, wel ter dege met een door God begenadigde en uitgeholpene, hebben we in deze merkwaardige pericoop te doen.

Maar nu blijft dan nog de laatste vraag: met eer uitverkorene, ’tzij zoo, maar in welke periode van zijn geestelijken wasdom? In den aanvang van zijn toebrenging, op de middaghoogte van zijn geestelijken bloei, of bij zijn triomfeerende voleinding?

Die vraag dient gedaan. |112|

Immers, onder niet weinige broederen kwam het in zwang, dan ja wel toe te geven, dat Romeinen zeven van een waarachtig Christen gold, maar van dien Christen dan toch in een der ongunstigste toestanden van zijn geestelijke existentie, niet toen hij zich zelf, maar toen hij beneden zich zelf en zijn heerlijke roeping was. Een voorstelling nog onlangs in deze formule uitgedrukt: „In Romeinen zeven spreekt wel een waarachtig Christen, maar niet een waarachtige Christelijke zielsbevinding!”

Tegen deze voorstelling nu komen we in verzet.

Uit overtuiging.

In strijd met een vroegere overtuiging. Want als „onzuivere zielservaring van Gods kind in zijn zwakkere oogenblikken” gold Romeinen zeven eertijds ook voor den schrijver van dit opstel. Maar, gelijk hij nu erkent, ten onrechte.

Zoozeer zelfs ten onrechte, dat we niet aarzelen er voor uit te komen, dat, tenzij men juist omgekeerd aan een Christen in zijn voleinding denkt, de tegenstand tegen de toepassing van wat hier voorkomt op een verloste des Heeren zelfs voor de eigen consciëntie, laat staan dan voor het groote publiek, nimmer zal te breken zijn.

Denkt men, lezend wat in Romeinen zeven zoo kras en scherp geteekend ter neer is geschreven, aan de eerste wankele schreden van den pas bekeerde, en past men dus „het doen van het kwade,” het „verkocht zijn onder de zonde,” en wat dies meer zij, op gansch gewone, lage, zelfs dierlijke zonden van hartstocht en zinlust toe, in ernst, dan is het niet te weêrspreken, dat deze belijdenis dusdanig contrasteert met wat van |113| de verlosten des Heeren en hun vrijmaking in de Heilige Schrift gelezen wordt, dat de uitlegging altijd een gewrongene en gedrongene zal moeten zijn, die het „vleeschelijk, onder de zonde verkocht” met het „vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods” wil rijmen.

Maar bovendien, de ervaring die ge in uw omgang met pas bekeerden opdoet, druischt ook lijnrecht tegen de zielservaring van Romeinen zeven in.

Een pas bekeerde leeft gemeenlijk eer boven zijn kracht. Niet juist uit geveinsdheid, maar uit overspanning. Omdat het hem nog zoo vreemd is en hij den gang en het spoor op dat nieuwe levensterrein nog niet kent.

Wist dan ook een pas bekeerde, wat valleien der schaduwe des doods hij nog door zal moeten, hij zou het in de meeste gevallen, als het aan hem hing, dadelijk opgeven. Tegen die teleurstelling zou zijn ziel nog niet bestand, tegen die worsteling zijn bevreesd hart nog niet zijn opgewassen.

Hij leeft daarom in het enthousiasme, der eerste liefde, in de illusie der eerste genieting, in den zaligen droom van het eerste ruischen van den Geest.

Alles is illusie voor hem. Hij leeft in de illusie, dat alle Christenen met wie hij in aanraking komt, heiligen zijn. In de illusie dat alle vromen niets dan God zoeken. In de illusie dat hij de diepte der zaligheid nu reeds indook en wonderwel doorzag. In de illusie dat de wereld geen grijpen, en de zonde geen invloed en de Sathan geen vat meer op hem hebben zal. Ja, in de stille, zalige illusie, dat het nu tot den einde toe wezen zal „een aldoor zoetekens voorttreden van heerlijke tot al heerlijker genieting!” |114|

Past daar nu Romeinen zeven op? Denkt ge in ernst dat zulk een nog bedwelmde van dit hoofdstuk ook maar de eerste letterkens, we zeggen niet spraakkunstig, maar geestelijk verstaat? Acht ge het inderdaad aannemelijk, dat hij ongedwongen, natuurlijk, zonder zich geweld aan te doen, naar waarheid zou kunnen getuigen: zie, dat is nu mijn geestelijk conterfeitsel, zoo ben ik, zoo is het mij te moede, dat, in al zijn strophen en rythmen, is mij de taal van mijn hart!

Och, eer het tegendeel is waar. Er is bij zulk een eer een te licht tellen van den strijd, een overmoedig inrennen tegen de wallen, een leven in een inbeelding, die zeer verre de wezenlijke kracht overtreft. En dat kan niet anders. Want waar de wet niet gekend is, daar is ook geen kennisse van zonde, en hoe wil, wie de diepte der zonde niet peilde, ook na verlost te zijn, uit zúlk een doodsnood van het hart klagen naar den Ontfermer.

En evenmin komt men uit met te zeggen: neen, niet een pas bekeerde, metterdaad een reeds ten deele gevorderde Christen spreekt hier, maar dan die gevorderde Christen toch in een oogenblik van inzinking, bijna geloofloos, waarschijnlijk na een diepen val!

Leg, om de onhoudbaarheid hiervan in te zien, er Psalm een en vijftig maar eens naast. En wat vindt ge dáár? Immers, een onweêrstaanbare aandrift van berouw, een schreien om verzoening, en een concentreeren van heel het geestelijk inzicht in die ééne bloedschuld, met haar wortel in die andere zonde, waarin zijn moeder hem ontvangen heeft!

Maar van dit alles vindt ge in Romeinen zeven immers niets. Hier geen enkele toon van berouw of |115| verbrijzeling der ziele, of ook van een diep wegzinken in schaamte voor den heiligen God. Hier geen enkele kreet die om verzoening en ontzondiging naar het hyzop der genade uitgaat. Hier bovenal zweem noch spoor van een innerlijk verscheurd zijn door een gruwel, die de consciëntie aan bloed reet en heel de ziel in vlam zette. Maar veeleer in tegendeel, de kalme, rustige overdenking en mijmering en zelfbespiegeling van een die danken kan, maar juist daarom ook den moed greep om stil en gelaten het ijzingwekkende van den toestand onder de oogen te zien, waarvan hij, om uit genade te kunnen leven, zoolang het in dit lichaam des doods blijft, niet verlost worden kan.

En immers dit laatste alleen komt overeen met den persoon en het karakter van hem, wiens woord in Romeinen zeven voor ons ligt, en wiens naam en waardigheid op zichzelf reeds had moeten afhouden van elke poging, om deze zielskracht te verstaan, ’tzij dan van den pas begenadigde, ’tzij dan van een die in duisternis verzonken lag.

Men bedenke het toch, dat een apostel hier spreekt. Een der uitnemendste en hoogst begenadigde apostelen. En die apostel, let wel, nadien hij reeds twintig jaren lang „genade voor genade” ontvangen had.

Voorts hebbe men er toch een oog voor, dat deze hoog begenadigde apostel hier spreekt, niet uit de herinnering van een vroegeren toestand, maar uit het heden d.w.z. uit den zielstoestand, waarin hij op dat oogenblik, onder het schrijven van dien brief verkeerde.

Men sla er toch acht op, dat hij dezen brief schrijvende, onder de bijzondere ingeving van den Heiligen Geest stond, die toch in den Romeinenbrief wel door |116| niemand mechanisch zal worden opgevat, en dus wel terdege een geestelijke verheffing van geheel zijn zielstoetand, van zijn inzicht en geestelijke vermogens onderstelt.

En eindelijk verlieze men toch niet uit het oog, dat aan Romeinen zeven het zesde kapittel van de mystieke unie met Christus voorafgaat, en dat het achtste hoofdstuk met zijn triomfkreet tegen de verdoemenis er op volgt — en dat derhalve van een ingezonken zielstoestand te spreken, eenvoudig door heel den context wordt gewraakt.

Voeg daar nu bij, dat „de vlinders in de Christelijke gaarde” bijna allen en altijd en als bij instinct dat netelig stuk der Schrift gemeden hebben, en met alle oppervlakkige geesten er of over heen gleden of er zich van afmaakten, en dat daarentegen de massieve geesten van een Augustinus, een Luther, een Calvijn, of ook van een Junius, een Voetius, een Witsius en wat lichten ge meer uit Christi kerke noemen kondt, zich juist omgekeerd vanzelf en telkens en met wonderbare aandrift naar dat Romeinen zeven voelden heengetrokken, als naar een bladzij uit hun eigen zielsworsteling, als naar een elegie uit hun eigen ziel opgeweld, ja, als naar de ontsluiering van een verborgen zielsgeheim waaronder ze gezwoegd, maar dat ze eerst niet begrepen hadden, — en oordeelt dan zelven of er niet alleszins oorzaak is, om met de oud-pelagiaansche uitlegging van den onwedergeborene, ook die nieuwmodische van den „ingezonken Christen” voor altijd bij dit wonderbaar kapittel te laten varen?

Och, de fout van al deze onhoudbare uitleggingen lei maar daaraan, dat men, met dit uit het bloed der |117| ziel geschreven hoofdstuk voor zich, boven Paulus ging staan, in plaats van zich ver en diep beneden hem te stellen.

Het overspannen dwepen met kritiek heeft nu eenmaal in onze dagen de ziel blijkbaar toegeschroeid voor de heiliger aandoeningen van bewondering en hulde, en zoo pleegt dan ons geslacht, en wij er onder, zich voor een woord van dezen uitnemenden apostel des Heeren te stellen, alsof wij er nu het onze eens van moesten zeggen; als zou onze goedgunstige uitlegging de wat harde en krasse taal van deze auteur wat te hulp komen; en als moest Paulus het zich voor zoo gewichtigen dienst dan ook laten welgevallen, dat we hem ons dachten in een laag-geestelijken toestand, waarop wij van onze vermeende hoogte dan eens konden neerzien.

Welnu, zet dat onprofijtelijke gevoel dan nu eens van u. Weet u aan dat drijven onzer eeuw, om altijd te critiseeren, eens te onttrekken. En onderwerp u eens liever, dan altijd anderen te willen onderwerpen aan uwen eigen geest.

Breng het u weêr eens te binnen, dat het een apostel is, die tot u spreekt, een heilige apostel, dat wil zeggen, een gansch uitverkoren vat, dat de Vader, in zijn eeuwige liefde voor den Zoon, dien Zoon bereid had; de man, die verwaardigd werd met de heilige verschijning van Damascus weg; de koene denker, wiens denken het eerst geheiligd is, om al de diepten van het bloed der verzoening en al de hoogten van de krachten der opstanding in te denken; de Evangelist van twee werelddeelen; de stichter van het Christendom in Europa; een kerkvorst, die geroepen om van de Schriften des Nieuwen Verbonds voor zich alleen de |118| helft met de vruchten van zijn pen te vervullen, door die brieven een vorst der kerke voor alle eeuwen en ook voor onze ziel gebleven is.

o, Leef daar weêr eens in, zoo ge het kunt, en zeg het nogmaals aan uw eigen ziel, dat de auteur van dit stuk een kroon boven veler kronen nu reeds bij den Heer heeft. Ja, herinner het u bovenal, dat wie door dien apostel tot u spreekt, niet is een zekere geest van Israël noch ook een zekere geest van de eerste gemeente, maar God de Heilige Geest zelf. En immers, ge verwerpt ijlings, met de zalige genieting der ten volle overtuigden, elken voorslag, elke uitlegging en elke sfeer van gedachten, waar in het voor mogelijk wordt gehouden, dat in deze hoeksteen der Heilige Schriftuur — en dat toch is de brief aan de Romeinen, niet waar? — tusschen kapittel zes en acht in, eenige andere zielservaring als uit het heden ook maar zou kunnen zijn ingelascht; eenige andere dan die van een gezalfde des Heeren in zijn geestelijke voleinding, die zich zelven en den toestand zijner ziel alsnu bekennen leerde bij de klare en volkomen heldere glansen van den Heiligen Geest!

Maar hieruit volgt dan ook drieërlei:

Ten eerste, dat de zonde, waarvan hier sprake is, in geen anderen zin mag noch kan opgevat dan in dien van Paulus’ eigen leenspreuk: „Al wat niet uit den geloove is, dat is zonde.” Zonde dus al wat niet ganschelijk naar Gods Wet volbracht; algeheellijk tot zijn glorie bedoeld; maar ook eeniglijk uit den geloove gewerkt is. En aan dien maatstaf nu zich zelf en heel het leven zijner ziele metend, erkent en bekent dat de apostel van Jezus Christus, niet dat enkele daden in |119| zijn leven, of enkele woorden van zijn lippen gevloeid, of ook enkele gedachten, die hem door het hoofd schoten, maar dat gansch zijn existentie — gerekend buiten de bedekkende en aanvullende en vervullende kracht van Jezus’ kruisverdiensten — één tekort is, één in zonde zijn en één bezwijken. Een bezwijken, dat toch, o, gewisselijk door ’s Geestes inwoning en Christus’ voorbidding en ’s Vaders ordineering tot „een wandelen wordt in de goede werken, die God voorbereid heeft,” maar tot een wandelen, waarvan de ziel weet dat niet háár geloof het veroorzaakt, en haar dus, niet slechts nu en dan, maar altoos door schuldig blijft stellen; óók waar het toch tot heilige dingen komt.

Ten tweede, dat de zielservaring van Romeinen zeven niet aan alle Christenen mag voorgehouden als afspiegeling van hun bewusten toestand. Het is wel zoo met hem, als Paulus zegt. Zelfs erger nog. Maar hij weet het niet. Hij merkte het niet. En hij kan het nog niet inzien. Het hem toch te willen aanpraten zou dus niets dan veinzerij en dubbelhartigheid wekken.

Ja, zoo weinig vindt elk Christen zich in dit hoofdstuk terug, dat er velen zijn, die in Christus ontsliepen, zonder ooit tot die hooge klaarheid omtrent eigen toestand gekomen te zijn.

Och, om daar toe te komen, is leering van hooger van noode, of wil men, een proefondervindelijk te doen krijgen met de waarachtige wegen die God met den mensch houdt.

En ten derde eindelijk, dat, indien er onreine geesten zijn, die soms ook bij Gods kinderen nog hardnekkig blijven inwonen, en ze tot schandelijkheden verlokken, dit stuk uit Paulus’ hart als een schild durven opheffen |120| waarachter de ongerechtigheid tegen Gods toorn beschut en de onzuivere woeling tegen den pijl van het Woord veilig zou zijn, — men tegen deze geesten niet redeneeren maar ijveren moet, om ze, zonder sparen of deernis, naakt in al hun schaamteloosheid ten doelwit te stellen voor den toorn van hun eigen consciëntie en voor de wrake van den Heiligen God. |121|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ XII, De Heraut No. 28 (16 juni 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004