XI. Nog zes andere kenmerken


Opdat Hij u geve met kracht versterkt te worden door zijnen Geest in den inwendigen mensch.

Efeze 3 : 16. a


Wel beschouwd is met de vier besproken punten de zaak reeds afgedaan.

Ook zonder meer, al lieten we ’t hierbij, is het pleit om Romeinen zeven voor den mensch in zijn natuurlijken staat te vindiceeren, onherroepelijk verloren.

Maar toch is het beter, in korten vorm gegoten, ook de zes overige eigenschappen van den persoon die zich hier aandient, ter loops even aan de „analogie des geloofs” d.i. aan de doorgaande openbaring der schrift te toetsen.

Alzoo zal elke uitvlucht worden afgesneden en de triomf voor wat onze vaderen beleden te volkomeren zijn.

En dan ligt nu het eerst aan de beurt wat we ten 5de noemden: „de onderscheiding tusqchen een inwendigen en uitwendigen mensch,” door den auteur met even |102| zoo vele woorden in deze verklaring gemaakt: „Ik heb een lust in de wet Gods naar den inwendigen mensch.”

Hoe wil er nu, zoo bidden we onze tegensprekers, in den hier bedoelden zin van een tweeërlei mensch bij mogelijkheid in den onwedergeborene sprake zijn? Immers, naar luid der openbaring ons over ons menschelijk wezen in de Schrift gegeven, is dát juist de diepte der zonde, dat de onwedergeboren mensch in zijn eigen ik opgaat; dat hij wel van een beteren mensch droomt en er meê dweept en dien bezingt in zijn lied, ja, als ideaal dien zich voor oogen laat zweven, — maar, en hierop komt het juist aan, dat hij dien beteren mensch niet als in zich wonende kent. maar als iets, dat nog buiten hem is, zoekt.

In den onbekeerde heb ge slechts met één mensch, met één persoon, met één levensuiting te doen. En wel is er in dien éénen mensch een worsteling, een tweestrijd, een aldoor geslingerd worden, maar die twee machten, waartusschen hij geslingerd wordt, zijn niet verder gedeeld dan in wil en gedachte en komen beide voort uit één en denzelfden wortel van één zelfde leven en één zelfde menschelijke persoonlijkheid.

Er staat in den onwedergeborene wel neiging tegenover plichtsbesef, wel een beter weten tegenover een slechter willen, maar niet mensch tegenover mensch, dat is een wil tegenover een wil, een denken tegenover een denken, een hart tegenover een hart; een leven dat zoo tegenover een leven dat anders is. Nog wel een leven der werkelijkheid tegenover een o, zoo prachtig en dweepend leven dat in idealen opgaat, maar een tweeërlei aanzijn, een tweeërlei existentie, een |103| tweeërlei menschelijke levensuiting is er in de realiteit, in den wortel zijner ziele, is er in zijn menschelijke persoonlijkheid niet.

Dat kan eerst komen door nieuwe schepping. Door de „schepping” in zijn gemoed van een nieuwen mensch, die er eerst niet was en er nu kwam. Of wil men, door het inbrengen, door Gods genade, tot binnen in zijn hart van dien idealen, van dien uit God Geborene, van dien dusver in Christus beslotenen persoon.

Dán zijn er in hem twee menschen. De ééne die bestemd is om „verdorven,” te worden en weg te vallen, en de anderen die geroepen is om te rijpen, om gevoed, om innerlijk gekweekt en door genade gekoesterd te worden, en eens, wanneer de te verderven mensch geheel afvalt en in het niet van den dood wegzinkt, zich volheerlijk in al het schitteren van zijn heilige, hemelsche tinten te ontplooien.

Van die twee, is de voor het verderf bestemde mensch naar buiten, die tot heerlijkheid geroepen is, naar binnen gekeerd, en het lijden nu en het kruis der verdrukking zijn van Godswegen verordend om die twee almeer uiteen te trekken en tegelijk en door één zelfde zielsbewerking den één ten onder en den ander God op den troon te brengen. Zoo wordt dan door éénzelfde schikking Gods „de uitwendige mensch al meer verdorven en de inwendige mensch vernieuwd van dag tot dag”; gaat uit den kring der begenadigden de bede op „om met kracht door zijnen Geest versterkt te worden naar den inwendige mensch”, en belijdt het kind van God, te midden van zijn worstelen, dat hij nogthans „aan de wet des Heeren een behagen heeft, maar naar den inwendige mensch.” |104|

Ditzelfde nu geldt ten 6de ook van den strijd dien de auteur beschrijft: tusschen een hoogere Geest, die in hem werkt, en den geest die zijn vleesch bezielt.

Dit ziet op de aandrift, die telkens van twee kanten gelijk op hem aankomt, als van twee machtige stroomen, die hem willen meêsleuren, of van twee alles voor zich uit stuivende winden, die hem heen willen drijven in verschillende, ja in tegenovergestelde richting. Hij voelt en bekent zich als een scheepke, dat dobbert op de baren, en weet zeer wel, dat al zijn eigen roeien dwaze krachtsverspilling wezen en willen boomen in de onpeilbare diepte der zee belachelijk zou zijn, en belijdt deswege, dat alleen de wind, dien hij in de gereefde of uitgespannen zeilen opvangt, hem voort kan drijven naar den koers, die door de worsteling van dien wind met de roerpen die in zijn hand rust, bepaald wordt. Maar nu is het niet aldoor éénerlei wind dien hij opvangt, maar veeleer telkens weêr een andere wind, die dwars tegen den eersten instuwt, en tusschen die beide voelt hij zich als beklemd en benepen. En dat stuwen van dien wind voelt hij eenerzijds opkomen uit de verborgen diepte zijner ziele, als een machtig drijven uit den hooge en een voortstuwen van den Geest zijns Gods, — maar ook anderzijds een drijven daartegen ingaan dat telkens opzet en opvliegt uit al zijn leden, uit vleesch en bloed, uit wil en zin, uit denken en beramen, ja uit heel den wijden omtrek van zijn wereldsche, natuurlijke persoonlijkheid, — en tusschen die beide krachtig jagende orkanen kan hij, arme schepeling, met zijn povere stuurmanskunst niet uit! En daarom vliegt hem dan de angst om de ziel en slaat hem de vreeze om het hart, en roept en schreit |105| hij al is het dat zijn stem in het loeien der stormen wegsterft: Ai, mij ellendige wie zal mij verlossen van dit slingeren op de baren! Ik ellendig mensch wie zal mij verlossen van dit lichaaam des doods.

In de verste verte is er dus geen sprake van een strijd tusschen het booze bloed in de aderen en den goeden geest in onzen wil, maar wel terdege van een worsteling tusschen twee geesten, tusschen den geest die uit het vleesch en den geest die uit God is, een geest „uit de leden”, d.i. uit al de deelen en krachten en vermogens van het menschelijk wezen, en een geest uit den hooge, uit den Christus, uit God. En omdat beide aandriften het drijven zijn van geesten, brengen ze beiden een wil aan, die zich over den worstelaar gelden doet, en dien hij daarom noemt een wet, die hem in bedwang houdt: eenerzijds de „wet Gods” die tot de „wet des gemoeds” geworden is, maar ook daartegenover een „andere wet in zijn leden, die strijd voert tegen die eerste wet en hem telkens gevangen neemt onder die verfoeilijke, afschuwelijke wet der zonde, die gedurig nog heerschappij voert in zijn leden.”

Doorziet nu toch een iegelijk, dat zulk een zielstoestand dan eerst denkbaar, dan eerst mogelijk, dan eerst aannemelijk wordt, als de Heiligen Geest, in het binnenst verborgen van het menschelijk hart ingegaan, zich als een macht die van binnen uit drijft en aanzet, openbaren kan, — wat wil men dan toch bij zulk een zielsworsteling nog aan den onwedergeborene denken, op wien de Heiligen Geest zeer zeker van buiten kan werken, ja, dien de Heilige Geest desnoods als onwillig instrument voor zijn werken op anderen gebruiken kan, maar bij wien dit juist de onafwendbare jammer is, dat |106| de grendel nog op de deur van het hart bleef geschoven en juist het inkomen en binnendringen en als in zijn tempel woning maken aan den Heiligen Geest werd belet.

Aan dit gevangengenomen worden zelf ontleenen we ten 7de deze andere eigenschap: „dat de worstelaar in dit hoofdstuk zich onder de wet der zonde als een onwillige gevangene voelt, een karaktertrek die al evenmin in den onbekeerde vallen kan.

De onbekeerde „stelt, naar Paulus zelf getuigt, zijn leven om dienstbaar te zijn”, en wel dienstbaar te zijn niet aan God, maar „aan de ongerechtigheid”; hij is „slaaf der zonde” en wel als „een aan die zonde verslaafde”, d.w.z. als zulk een die zijn boeien kust en liefheeft en zijn onreinen, onheiligen meester mint.

Maar zoo staat het bij deze geestelijken strijder in het minst niet. Voor hem is er aldoor in het leven een afwisseling; om en om; een slingeren tusschen twee toestanden, aan den éénen kant een krijg, strijd, oorlog voeren tegen de wet der zonde, en dan weêr als krijgsgevangenen in de macht van die zondewet, een zichzelf verfoeien, om God-lof, straks, ja hetzelfde oogenblik weer verlost en vrijgemaakt, weêr altijd met nieuwen, met ongebroken moed, „naar den lust van den inwendige mensch” het aan te houden op de wet des Geestes en het leven Gods. Een gestadig zuchten: „o, ik ellendige!” maar even onveranderlijk door het jubelen der verlossing gevolgd: „Ik danke mijn God!”

Welnu ook dat onwillig gevangen zijn, om straks weêr verlost te worden, kan van den onwedergeborene niet worden geroemd. De onbekeerde is geen krijgsgevangene, die vrij was en, straks ontzet, weer ijlings in |107| zijn vrijheid jubelen zal, maar een in slavernij geborene, een aldoor in slavernij levende, ja, een die zelfs bij het morren tegen de ketenen die hij voortsleurt, toch nooit anders dan uit den eenen slavendienst in den anderen wil loopen en in den sterken Held, die hem los wou maken, geen redder begroet maar een vijand.

En nu weten we wel, dat sommige vromen het willen doen voorkomen, als liet Jezus nooit meer toe, dat de zonde hen ving, maar die dieper indrong in de paden des geestes weet, dat dit alleen hieraan ligt, dat deze oppervlakkige geesten er niets van merken als ze weer gevangen zitten, en daarom ook onmachtig zijn om steeds weêr met nieuwe tongen lof en eer te geven aan dien levenden redder die daarin juist zijn macht verheerlijkt, dat hij telkens uit nieuwe nooden en nieuwe dooden de gekochten door zijn bloed, naar ’s Vaders welbehagen, redt.

Gemis aan steeds dieper doordringen van het schuldbesef bij wie om eigen „vroomheid” zoo vaak den broe. der durven oordeelen, zou het niet tevens de oorzaak zijn, waarom men ten 8o. op Gods kinderen den uitroep niet dorst toepassen: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van dit lichaam dezes doods,” en zich bij den wedergeborene en vrijgekochte en tot Gods kind aangenomene dit diepe gevoel van verlorenheid niet kon verklaren.

Och, het hangt er maar aan, waarin uw rustpunt ligt.

Weet en belijdt men dat het er niet toe doet, wat wij van ons zelf oordeelen en gevoelen, maar dat het eeniglijk over ons wel en wee beslist, of en wat Christus, de zone Gods, dat Eeuwige Licht, over ons denkt in zijn heilige gedachten, — dan zal men ook voetstoots |108| toestemmen, dat men verloren kan zijn als men meent te leven, en omgekeerd een gevoel alsof men verloren was juist dan over zich kan krijgen, als onze beslotenheid in het bundelke der levenden boven allen twijfel vaststaat.

Zoekt men dus zijn rustpunt in eigen gewaarwording, in eigen bevinding en zielservaring, dan moet men wel onwaar worden, zichzelf opdringen wat er niet is, en al de dagen zijns nieuwen levens zichzelf en anderen misleiden door het altijd zich bekleeden met zijn zondagsgewaad. o, Die armelijke opgeschroefde, altijd in een rol spelende zielen! Maar ze kunnen niet anders. Want ze moeten zichzelven vasthouden. En zoo komt aan het afmatten geen eind, en moet men om niet geheel in de wanhoop te slaan, dat „o ik ellendig mensch,” of men wil of niet. wel van den onbekeerde uitleggen, — want . . . . ware het anders . . . . ai, mij die valschelijk opgewonden vromen! hoe jammerlijk plofte ze dan bij het afsmelten der Icarus-vleugelen in de wateren van vertwijfeling, en van onverzegeldheid neer!

Maar neemt men zulk een vlucht niet, blijft men af van die hooge en al hooger dingen, en wandelt men met het „Ammi” en „Lo-Ammi” tot levensspreuk op de vlakke paden van Gods Woord, o, dan weet men uitnemend goed uit eigen verleden, dat het bekennen van „zijn eigen ellende,” dat het bekennen: „Ik ben een ellendig mensch”; dat het er voor uitkomen: „Ik ben zúlk een diep ellendige, dat ik mij zelf niet redden kan en naar een ander om verlossing roepen moet,” zeer verre van in den onbekeerde te vallen, veeleer lijnrecht tegen vleesch en bloed indruischt, en ook bij ons nooit over de lippen kwam, dan toen we, dés |109| onbewust, in het diepst des harten het zaad des nieuwen levens reeds hadden ontvangen.

Bij wat we in de 9de plaats noemden: het danke voor de in Christus ontvangen verlossing, houden we ons zelfs geen oogenblik op; en onze bestrijders mogen zelven toezien, hoe ze den nog onwedergeboren mensch voor verlossing, voor verlossing in Christus; voor verlossing in Christus danken laten.

En wat nu ten slotte de eigenschap aangaat die we ten 10de noemden: het dienen van God in den geest, of, gelijk Paulus zegt: „Zoo dien ik dan zelf met het gemoed de Wet Gods”, hierbij komt het natuurlijk alleen aan op de vraag, wat „dienen van de Wet Gods” is.

Daarop nu antwoorden we: Dienen, God dienen, is God als zijn Heer erkennen, gelijkelijk zijn eigen niet en Gods hoogheid belijden, en, ook al gaat het buigen van de stijve, stroeve, stramme leden ons nog maar kwalijk af, toch aan dat nederbukken lust hebben en, ondanks de pijn, die het veroorzaakt, dat buigen toch zoolang doorzetten, tot heel ons leven, ook al knielen we in het uitwendige nooit, van binnen en in de wereld onzes harten „één leven op de knieën” worde en God groot in onze kleinheid; ja, God God in onze verloochening van ons zelven zij.

En acht men nu soms ook hiervan, dat dit behagen hebben in wat nederig en klein is, en dit hellen naar wat ons eigen ik in de diepte neêrtrekt, en dit willens en met opzet creatuur, „schepsel”, d.i. niets voor of tegenover God zijn (dan door Hem en naar Hij wil) acht men soms, zoo eindigen we dit overzicht, dat óók dit den onbekeerde eigen, in den onwedergeborene natuurlijk of, wil men, den natuurlijken mensch aangeboren |110| is, — dan zouden we waarlijk tot de erkentenis moeten komen, dat de wateren waarin deze zielkenners hun polstok deden glijden, geheel andere wateren zijn dan die waarin wij ons dieplood neêrlieten.

Althans, de schijnvromen nu uitgezonderd, hoorden wij het refrein van: „Als ik zwak ben, dan ben ik krachtig”, in het triomflied der kinderen dezer eeuw nog nooit. |111|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ XI, De Heraut No. 26 (2 juni 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004