X. De vier kenmerken van den Geest


Als uwe woorden gevonden zijn, zoo heb ik ze opgegeten.

Jeremia 15 : 16. a


Wat aan het slot van ons vorig artikel slechts summierlijk kon saâmgevat, dient thans breeder toegelicht: t.w. dat de persoon van Romeinen zeven de eigenschappen draagt van een kind van God.

Vooreerst toch belijdt deze worstelaar, met bange ontroering des gemoeds, 1. dat hij er zich zelf weêr telkens op betrapt, „hoe hij niet doet wat hij wil, en wél doet wat hij haat.”

Staat het nu bij den onwedergeborene zoo, dat hij, „naar den vleesche zijnde, bedenkt dat des vleesches is”; zich „aan de Wet Gods niet onderwerpt en dit ook niet kan”; ja, een hart,met zich omdraagt, dat, gekeurd naar den goddelijken maatstaf, „ten allen dage alleenlijk boos is”, hetzij dan in groveren of fijneren vorm, ’t zij bewust of onbewust; en is Messias juist daarin van alle in zonde geborenen onderscheiden, dat voor hem de ontboezeming der eere uitgaat: Gij, gij |92| alleen onder allen, gij en met u zij, die uwer zalving deelachtig zijn, gij, o Messias, hebt gerechtigheid liefgehad en de ongerechtigheid hebt gij gehaat!” — dan zou het immers een overbrengen zijn van de merkteekenen van Gods uitverkoren Middelaar op een die nog „dood in de misdaden” is, indien men als zielsbetuiging van een onwedergeboren hart de klacht uit vers 15 verstond: „Hetgeen ik wil dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik.”

Ter voorkoming van misverstand zij hier intusschen bijgevoegd, dat deze roerende klacht volstrekt niet beteekent, dat Paulus steeds, aldoor en geduriglijk het onheilige deed. Integendeel. Ook aan hem is, naar Gods trouwe, de belofte vervuld: „Ik zal maken dat gij in mijn inzettingen wandelt,” en ook in héin is zijn eigen betuiging waarheid gebleken, „dat er goede werken zijn, die God voorbereid heeft, opdat wij daarin wandelen zouden.” Maar omdat hij teeder met zijn ziel staat en God en niet zich zelven zoekt, vergaapt Paulus zich niet aan zijn goede werken en waakt hij er wel tegen dat die goede werken hem geen oorzaak van zelfverheffing worden. En daarom broedt hij niet over die goede daden, en behaagt er zich zelf niet in, en blijft er met zijn gedachten niet bij verwijlen, maar is maar aldoor bezig met dien diepen, vreeslijken hinder, dien het zijn ziel geeft, dat hij in dat ándere nog niet overwon, en die ándere hebbelijkheid nog niet meester is en over zich zelf gedurig reeds onvoldaan, nu denkt: „God is nog meerder dan mijn hart! o, wat zal het dan in zijn heilig oog zijn!”

Dáárin steekt al het verschil. Een „gemaakte” vrome sluit het oog voor zijn zonde en tuurt met trotsche |93| overlegging op het goed dat hij reeds deed. „o Ik dank U, roept zulk een uit, dat ik niet ben, gelijk die anderen; zie, ik vast driemaal per week, ik geef aalmoes!” en wat niet al. Terwijl, omgekeerd, een „uit God geboren” vrome, die werkelijk veel meer goede daden doet, er toch niet om denkt, er niet meê bezig is, er zijn ziel niet bij ophoudt, maar nog altijd worstelt, hoe van het hem aanklevend verderf af te komen, en daarom op de knieën valt en zich op de borst slaat en het uitroept. „ o, God, wees mij, arme zondaar, genadig!” o, Wat dunkt u, zou ook de tollenaar in den tempel soms een nog onbekeerde geweest zijn? De man, van wien Jezus getuigde, dat hij heenging „gerechtvaardigd naar zijn huis”?

Evenzoo is 2o. te oordeelen van het standpunt waarop deze worstelaar tegenover de Wet Gods staat. Van tweeërlei standpunt tegenover de Wet des Heeren is in de Heilige Schrift sprake. Aan den éénen kant staan de aardsche, wereldsche geesten, de hooghartigen, die op hun eigen arm vertrouwen, en die Gods Wet niet willen, die Wet verwerpen en tegenstaan, en zoo dikwijls die Wet op hen aandringt, die innerlijke vijandschap voelen opwaken. En aan den anderen kant vind ge den armen dienstknecht van Jehovah, aan wien het heet: „Zijn lust is in de Wet des Heeren!” en die betuigt: „o, God, u Wet is al mijn vermaking;” die „ze bepeinst bij dagen en bij nachten,” en telkens weêr zoo zielsverrukkend ervaart „hoe uw geboon mij tot uw liefde trekken!”

Vraagt men nu ook hier, aan welke dier beide kanten de klager uit Romeinen zeven staat, dan is het ons volstrekt onbegrijpelijk, hoe men ook hier nog een |94| oogenblik aarzelen kan. „Zoo stem ik de Wet toe, dat ze goed is”, en aan het slot: „Ik heb een vermaak in de Wet Gods naar den inwendigen mensch”, zijn toch, dunkt ons, zoo stellige uitspraken, dat het van heeleer harte partij kiezen voor de Wet van Jehova zijn roem en zijn eere blijkt te wezen.

Toch zal ook bij deze opmerking een woord tot toelichting niet te onpas zijn.

Immers men kan vragen, en vragen met recht, of er dan ook onder de onbekeerden niet tal van edele karakters en rechtschapen personen voorkomen, die veelszins voor de Goddelijke Wet ijveren en juist de wetteloozen tegenstaan, En dan hebbe men al aanstonds onze onbewimpelde verzekering, dat we er van verre niet aan denken, om alle onbekeerden voor wettelooze beIagers van wet en orde uit te maken. Integendeel, hun ijver voor recht en goede zeden is vaak verrassend; hun prijsstellen op het gezag der wet moedgevend; en hun waardeeren van wat recht en orde onder menschen in stand helpt houden, beschamend voor wie hun streven miskend had. Maar, en zie hier het alles afdoend verschil, waardoor ge de kinderen Gods van de kinderen der wereld kunt onderscheiden, — zij, de onbekeerden, ze willen wel een wet, maar niet de Wet Gods; of ook wel een Wet Gods, maar niet de Wet Gods uit, de Heilige Schriften. Hun wet, waarvoor ze ijveren, waarvoor ze lijden en worstelen willen, is „het goeddunken van hun eigen hart”, het inzicht waartoe ze zelven kwamen, de inspraak van wat ze hun consciëntie noemen, maar welbezien niets anders is dan hun eigendunkelijk, eigenwillig, zelfgekozen gebod. Geboden die ze dan, o, voorzeker, gelijk Paulus in |95| Romeinen twee zegt, zeer gaarne ontleenen aan een consciëntiegetuigenis dat oorspronkelijk goed was, waarin de sprake Gods nog nawerkt, en dat genoegzaam is om hun alle onschuld te benemen, maar dat nu bij de uitlegging in bijzonderheden geheel aan hun eigen willekeur is overgeleverd. Ja, geboden, waarvoor ze, o, zoo gaarne de autoriteit van Goddelijke oorsprong te hulp roepen, mits hún goedvinden en niet de Schrift voor dien goddelijken oorsprong mag beslissen. Maar geboden, die toch in den wortel, niet God in zijn Wet, maar het schepsel in zijn eigen gerechtigheid doen minnen, en wier dienst bijna altijd met felle vijandschap tegen die wezenlijke Wet Gods, die krachtens de Schriften onderwerping vraagt, bij deze uitnemende karakters gepaard gaat.

Sterker nog komt de aard en natuur van den wedergeborene 3. aan het licht door wat de auteur zegt in het 17e en 19e vers: „Het kwaad dat ik niet wil, doe ik”, maar zóó, dat hij er bij kan voegen: zoo nu, „doe ik datzelve niet meer, maar de zonde die in mij woont.”

Wie in dit ontzaglijk woord een vrijbrief tot zondigen wil lezen, zie toe hoe hij zich voor God verantwoorde. Bij zulk een woelen der sehandelijkste onheiligheid houden wij ons zelfs niet op. Voor een iegelijk toch, die de kentering van de worstelingen des gemoeds kent, is het volkomen duidelijk, dat in dit woord eer een toon van triomf vernomen wordt, en er een hooge zegepsalm van zalige vrijmaking en ontbinding van banden en overwinning op den Sathan in ruischt. Zie, eertijds was het ook voor Paulus een vallen in zonde geweest, dat er hem al dieper in verzinken deed, er hem telkens al dieper onder bedolf, en na elke nieuwe |96| zondeopenbaring hem door vergoêlijking en verontschuldiging den zoen hernieuwen deed, waarin hij met de zonde leefde. Toen, Paulus weet het uit maar al te bittere ervaring, hield Sathan hem zoo jammerlijk verstrikt, dat hij niet slechts de zonde deed, maar ook zelf in die gedane zonde inzat, ze vasthield, en, zooal geen lof, er dan toch oogluiking voor had, wijl hij, door het vervloeken dier zonde immers den vloek ook over zich zelf zou hebben gebracht. Maar God zij lof; die geestelijke ellende, die diepe smaad, die rustelooze zelfonteering heeft nu dan toch uit. o, Hij is daarom nog wel niet wat hij met zoo vurigen, smachtenden dorst zou wenschen te zijn. Het is nog de hemel niet. Hij zit wel niet meer aan het booze, maar het booze toch nog aan hem vast. En telkens, telkens weêr, komt het nog tot iets dat hij niet gewild, dat hij afgebeden, dat hij verfoeid had. Maar, en zie hier al het onmetelijk verschil: met het vergoêlijken heeft het nu uit! Uit met het bedekken en verbloemen! Uit met dat nog vasthouden van een begane zonde, van een bedreven kwaad om het te koesteren! Integendeel, hij is nu dier zonde, ook al beging hij ze zelf, vijand. Hij keert zich tegen haar. Ze is hem een gruwel geworden. Niet toch hij, hij naar zijn diepste wezen, hij naar de liefde van zijn hart, deed ze meer, maar de zonde die in hem woont. Edoch een zonde, die, wijl ze niet slechts nog in zijn vleesch en bloed, maar nog evenzeer in zijn wil en zijn geest, en dus ook nog in de vermogens van willen en beramen sloop, hem, voor wat hij niet deed, nochtans in de schuld doet vallen en als een ellendige doet worstelen voor zijn God!

Komt dit nu, zoo vragen we, of komt het niet overeen |97| met wat de Schrift ons getuigt: „dat wie uit God geboren is, zelf de zonde niet meer doet;” dat „hierin de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar zijn, dat hij die zelf de ongerechtigheid nog doet, niet uit God is”; en dat een iegelijk, die niet maar voor de ongerechtigheid bezwijkt, maar naar de krasse uitdrukking, zelf „een werker der ongerechtigheid” is, in steê van bij Jezus te hooren, niets dan het: „Ga weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt”, in den dag van zijn toekomst te wachten heeft.

Even kristalhelder is 4. de conclusie voor den wedergeborene uit wat we in vs. 18 lezen: „dat het willen wel bij hem is, maar dat hij de macht niet vindt om het goede te doen!”

Van zulk een zielsbevinding weet een onwedergeborene niets. Wel zal hij, indien hij een edel mensch is, er voor uit komen, dat hij er nog niet is; dat hij nog verder en voorwaarts moet; en niet rusten kan, eer hij tot nog, hooger volmaaktheid is gestegen. Edoch, dit stemt hij alleen toe op voorwaarde, dat ge hem voorshands zijn ingenomenheid gunt met wat hij nu reeds tot stand bracht; hem nu reeds met „edele zelfvoldoening” op de verkregen winste laat terugzien; en hem althans niet stoort in zijn zelftevredenheid, dat hij reeds zóó ver op den weg vooruitschreed. Maar dring nu verder bij hem door en zoek hem de bekentenis af te persen, dat iets van de oude smet nog aan ál zijn ijveren kleefde en dus het beste nog verwerpelijk bleef, — en ge zult eens zien hoe de onbekeerde, gekrenkt in zijn hooge gedachten, met handen en voeten gaat tegenstribbelen, en úw kwezelende, vervelende, onmanlijke vroomheid belacht. |98|

Och, om zulk een woord niet na te praten, maar uit de ziel naar de lippen te voelen dringen, is iets anders, iets hoogers noodig; iets, dat alleen met het licht van boven en de kruisiging van het eigen ik komt. Daartoe moet het geloofsmysterie ons deel zijn geworden, d.i., die diepe verborgenheid dat alles aan het geloof en het gelooven alleenlijk hangt, en zonde is al wat uit den geloove niet eeniglijk en uit den geloove niet ganschelijk voortkwam.

En nu bij wien, zoo bid ik, uit vrouwe geboren en nog op aarde verkeerende, werd dát hooge, dát volheerlijke ideaal ooit bereikt. Of weet ge dan niet, dat juist het oprecht geloof altijd zichzelf wantrouwt, nog aldoor een tekort aan zich bevindt, en elk tekort, wijl het Gods glorie geldt, niet anders dan als ongeloof kan beweenen.

Zie, dan worstelt de ziel er wel naar, om alle eigen stut weg te werpen en eeniglijk aan dat eeuwige, heilige Wezen te hangen; dan laat ze wel niet af, om er altijd weer naar te grijpen, of ze nu, dan toch, nu eens eindelijk geen enkelen drup van eigen bezoedeling in de klare, heldere wateren des geloofs mocht mengen, ja, dan wil ze het, dan zoekt ze het, en dan zou ze, om het te bezitten, er alles voor geven, — maar, ach, tot dat eenig goede, eenig heilige, eenig voor God geldende komt het niet. En nooit, nooit nog heeft ze den beker des geloofs zoo, tot op den bodem uitgedronken, dat niet van de eigen lippen en van de eigen tong, al was het eerst bij de laatste teug, die ze in wou zwelgen, de ellendige druppel van het eigen ik er toch weêr in gemengd werd, om het ja niet voor menschen, maar toch voor de eonsciëntie, bij het licht des Geestes, weêr alles te bederven. |99|

Hoe hoog moet men dan niet wel staan, om van zulk een bevinding in het eigen hart te kunnen getuigen! Hoe moet men niet slechts wedergeboren, maar zelfs tot de vaste spijze gekomen zijn, om zulk een zielservaring te durven uitspreken! Ja, hoe ver moet men niet reeds gevorderd zijn in zijn worsteling met den Onzienlijke, om onder zulk een smart gebogen te gaan en uit zulk een diepte te klagen!

En dat zal men dan op een onbekeerde durven toepassen; dat aan een onbegenadigde in den mond leggen; dát voor een stuk uit de levensgesehiedenis van den onwedergeborene aanzien!

In ernste, men weet bij het aanhooren van zulk een ongerijmdheid niet waarover zich meer te verwonderen, over de volslagen onbekendheid met de gangen van het geloofsleven, die zich in zulk een onmogelijk oordeel verraadt, dan wel over het opheffen van elke scheiding tusschen bekeerden en onbekeerden, die bij zulk een ongeestelijke Schriftuitlegging door de kieren speelt!

En al moest ook toegegeven dat de sterkgekleurde betuigingen van dit uiterst gewichtig kapittel, met wat schikken en plooien en tusschen de regels lezen, toch ook voor het onwedergeboren leven wel pasklaar ware te maken, dan vergeet toch wie dat drijft, één ding, maar, een punt dat dan ook voetstoots zijn prachtig betoog weer geheel omverwerpt, dit namelijk: dat zulke dingen dan nog wel over den onwedergeborene door een ander konden gezegd worden, maar dat hij ze, ter oorzake van zijn hoogmoed, nooit zou bekennen van zich zelf.

Ware dus dit hoofdstuk, gelijk het begin van 2 Corinthe 12, in den derden persoon geschreven, er zou |100| ten minste nog een schijn van recht voor zoo onware uitlegging bestaan; maar nu het alles eerste persoon is, en het niet door een ander over hem, maar door den man wien het aangaat omtrent zichzelf wordt beleden, nu is reeds deze ééne omstandigheid zoo volstrekt afdoende en reeds dit ééne argument zoo volkomen beslissend, dat aan een ander hier dan een wedergeborene te denken, op Schrift en zielservaring beide even onweêrsprekelijk afstuit. |101|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ X, De Heraut No. 25 (26 mei 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004