IX. De zielservaring van Gods heiligen


Het vleesch begeert tegen den geest en de geest tegen het vleesch en deze staan tegen elkander over, zóó dat gij niet doet, hetgeen gij wildet.

Gal. 5 : 17. a


Welke geestelijke gesteldheid nu bedoeld is, zoo dikwijls de eerste Christenen door de apostelen van Jezus als „heiligen en volmaakten” werden toegesproken, moet niet uit bevindingen of inbeeldingen, maar uit de Schrift worden opgemaakt.

In welk licht, zoo dient gevraagd, teekent ons de Schrift die eerste Christenen? Ja sterker nog, in welk licht doen de apostelen u hun eigen geestelijke gesteldheid beschouwen?

Immers, lag het ook in hún bedoeling de volmaakbaarheid te drijven, dan mag ondersteld, dat de apostelen, die hoogbegenadigde personen, wel allereerst en allerkrachtigst, zélven in dien staat van geestelijke uitnemendheid zullen zijn overgezet. Ondersteld, dat elke blik dien zij u in hun eigen zielsleven, in hun hart, in hun geestelijken toestand gunnen, niets dan stillen, |83| ongestoorden, heiligen vrede zal toonen, als een volheerlijk rusten met de ziel in de volheid van het Wezen Gods. Ja, ondersteld, dat voor en in hen het vleesch op zoo afdoende wijze tot zwijgen was gebracht, dat het zich, door de genade Gods, in hen niet meer roeren kon of bewegen. En indien, ook zoo, al diende toegegeven, dat zelfs de apostelen niet terstond bij hun optreden zoo hoog stonden, of ook dat, naar de verscheidenheid der gaven, ook onder hen wellicht een enkele der zwakkere geesten achterbleef, — dit staat dunkt ons vast, dat, òf heel deze theorie der volmaakbaarheid jammerlijk in duigen valt, òf dat althans een zoo uitnemend apostel als de man van Tarsen, ten minste in de latere jaren van zijn apostelschap, dit heerlijk standpunt moet hebben bereikt.

Nu bezitten we van dien Paulus, uit een tijd toen hij reeds twintig jaren als apostel had gearbeid; dus uit de latere periode van zijn leven; een beschrijving van zijn inwendigen toestand, die juist over het punt in geschil het meest gewenschte licht verspreidt, en ons, met een uitvoerigheid die verrast, met een volledigheid die bewondering wekt, en met een duidelijkheid, die elken twijfel bij den wortel afsnijdt, klaar als de dag, doet zien, dat deze uitnemende apostel van Jezus, zelfs in het meergevorderde tijdperk van zijn geestelijk leven, nog altijd ter prooi was en bleef aan die wreede inwendige worsteling, die door het binnendringen van den Geest in zijn menschelijke persoonlijkheid (die uit zich zelf voor niets dan vleesch gold) was ontstaan.

Geen wonder dan ook, dat de Perfectisten van alle eeuwen het onmogelijke mogelijk poogden te maken, om dit zielsgetuigenis door Paulus in Romeinen zeven |84| neergelegd, weg te cijferen of te ontwapenen. Ze begrepen uitnemend wel, dat met dit korte hoofdstuk hun zaak stond of viel, en hebben met een ijver, een betere zaak waardig, dan ook alle vondsten der redeneerkunst uitgeput, om te doen gelooven, dat Paulus in dit hoofdstuk niet van zich zelf maar van een ander, en van dien ander niet als van een wedergeborene maar nog onbegenadigde sprak of ook dit kapitale stuk der geestelijke bevinding toegepast op een derde geslacht van hybridische geesten, die noch dood noch levend, zoo min bekeerd als onbekeerd, een soort ondenkbare tusschenwezens zouden vormen, die voor den hemel te slecht en voor de hel te kostelijk, zweven zouden tusschen glorie en verderfenis in.

Het mag daarom van het hoogste belang geacht, dat deze verwringing, waaraan de tekst van Paulus’ zielshistorie bloot stond en nog alom bloot staat, met ernst worde te keer gegaan, en men de gemeente er weêr in doe lezen, wat de Heilige Geest er óns tot vertroosting en Paulus tot beschaming, dezen grooten apostel in deed neêrschrijven.

Daarbij zij herinnerd, dat de Gereformeerde belijdenissen en de Gereformeerde godgeleerden, met zeldzame eenparigheid de juiste uitlegging ten deze gehouden en steeds beweerd hebben, dat Paulus in het tweede gedeelte van Romeinen zeven niet van een ander maar van zich zelf, en van zich zelf niet uit zijn vroegeren onbegenadigden, maar wel terdege uit zijn wedergeboren toestand spreekt.

Het staat, om het in deze gewichtige zaak iets hooger op te halen, met deze uitlegging zóó, dat reeds in Augustinus dagen, vooral door de nawerking van |85| Origen’s afdoling, de averechtsche verklaring veld had gewonnen en oerspronkelijk zelfs door Augustinus gedeeld was. Maar gelijk bij dezen massieven kerkleeraar het inzicht in Gods genadewerk allengs een nieuw licht over geheel de theologie deed opgaan, zoo kwam hij ook ten opzichte van Romeinen zeven tot besliste, openlijke, cordate bekentenis van zijn dwaling en heeft hij, na het optreden van Pelagius, met Hiëronymus’ hulpe, weêr die oude, zuivere verklaring van dit hoofdstuk in eere gebracht, die sinds door bijna alle kerkvaders bevestigd, en zoo door Luther als Calvijn in de kerken der Hervorming overgedragen, eerst weêr bestreden is, toen in de Socinianen en Wederdoopers, in de Enthousiasten en Remonstranten de geestelijke mestizzo’s of mulatten (indien we deze gemengde kleurrassen op kerkelijk terrein zoo noemen mogen) beurtelings hun bekrompen moedwil, of wilt ge, hun blinden overmoed aan de hun hinderlijke waarheid hebben gekoeld.

Tegenover de Augsburgsche, Saksische en Wittenbergsche, alsook de Zwitsersche, Fransche en Schotsche Confessies eenerzijds staan dan ten deze ook de belijdenisschriften en publieke werken van Erasmus, Servet, Socinus, Arminius, Schwenkfeld, Barclay en anderen, terwijl onder de afwijkende Gereformeerden het eerst Amyraut in Frankrijk en professor Burman en de Zwolsche predikant Van Os ten onzent, in toenemende mate, op de volstrekte geldigheid van de orthodoxe uitlegging hebben afgedongen.

Sinds echter, en hier lette men op, is de geestelijke beteekenis van dit deel der Schrift derwijs uit het oog verloren, dat, op het voetspoor der onhebbelijkste rationalisten en van onze ondiepe, dorre supranaturalisten, |86| ondanks Spanheims prachtige verdediging, allengs weer de meeste uitleggers den verkeerden kant zijn opgegaan, en men er heden ten dage, ja, waarlijk op wordt aangezien, indien men, gewetenshalve, naar overtuiging en uit plichtsbesef, weer voor de oude, onvervalschte verklaring opkomt.

Natuurlijk valt het buiten het bestek van deze artikelen, op een wijze, die ook maar van verre op volledigheid aanspraak maakt, het pleidooi voor deze eenig juiste verklaring te hernieuwen. Zulk een betoog is in geen vluchtig weekblad, is niet in studiën van stichtelijken aard, is niet voor het groote publiek te voeren, en zou, om niet al te oppervlakkig te zijn, ons al vast een half jaar ophouden.

Dáárvan geheel afziende, wenschen we dan ook de ware interpretatie van Romeinen zeven slechts voor zóóveel ter sprake te brengen, als genoegzaam is, om de ongerijmdheid van het tegenovergesteld beweren te dien uitkomen en de aloude verklaring weêr ingang te doen vinden bij hem, die zelf de paden des Geestes kent.

En dan zij al aanstonds opgemerkt, dat in dit zevende hoofdstuk van den brief aan de Romeinen zeer onderscheidenlijk van eenzelfden mensch in drie zeer verschillende stadiën van zijn leven gehandeld wordt.

Eerst van een periode toen deze mensch er wild op toeleefde, naar het goeddunken van zün eigen hart, een toestand waarvan we lezen in vs. 9: Zonder de wet zoo leefde ik eertijds.

Dan, in de tweede plaats, van een tijdperk toen hij door de wet zocht zalig te worden, waarop de auteur doelt in vs. 7: Ik kende de zonde niet dan door de wet, |87| en in vs. 9: Als het gebod gekomen is, zoo is de zonde weder levend geworden.

En eindelijk, is er ten derde sprake van een mensch die ook de onprofijtelijkheid van de wet heeft ingezien en nu leeft door den Geest, b.v. vs. 6. „Nu zijn wij vrijgemaakt van de wet alzoo dat wij dienen in nieuwigheid des Geestes.”

De persoon, van wien deze drie perioden ons geteekend worden, is aldoor dezelfde, wat daaruit blijkt, 1. dat er van geen verschil van personen melding geschiedt; 2. dat in elk dezer drie geestelijke phases steeds hetzelfde „ik” genoemd wordt: „ik leefde eertijds zonder wet”, „ik had de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, zonder de wet” en „ ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch”; en 3. dat deze verschillende perioden, als in tijd onderscheiden, worden aangeduid. Eerst toch vinden we een verleden tijd: „ik leefde”, en wel als aanwijzing van een lang verloopen verleden met de bijvoeging van eertijds: „ik leefde eertijds zonder wet.” Dan een steeds doorloopenden verleden tijd, ter aanduiding van de wetsperiode: „ik kende de zonde niet dan door de wet”, „de zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht”, „het gebod dat ten leven was, is mij ten doode bevonden”, „de zonde is weder levend geworden, en ik ben gestorven,” enz. Terwijl op deze beide reeksen van den verleden tijd, alsnu van vs. 14 af een zielselegie volgt, die stiptelijk in den tegenwoordigen tijd blijft en, tot den einde toe, spreekt van „wat ik wil dat doe ik niet en wat ik niet wil doe ik”, „ik weet dat in mij, d.i. in mijn vleesch geen goed woont,” „wie zal mij verlossen, ik dank God door Jezus Christus onzen Heer.” enz. |88|

Deze persoon nu, wiens drie geestelijke stadiën ons hier zijn voorgesteld, is niet een ander noch een denkbeeldig persoon, maar de apostel Paulus zelf. Dit blijkt reeds ten stelligste uit het veertig malen herhaalde gebruik van het persoonlijk voornaamheid „ik” en „mij”, waardoor, naar alle wet van reden, steeds en onveranderlijk de auteur zelf wordt aangeduid, tenzij het tegendeel ten duidelijkste en ten stelligste zij aangegeven. Dit nu geschiedt hier niet. Noch door het verband, waarin de deelen van het kapittel tot elkaâr staan, noch door de overgangen van het redebeleid. Alles loopt door. Het is één lijn, die door heel het hoofdstuk wordt volgehouden, en zelfs het vermoeden van overspringing op een denkbeeldig persoon mist elk steunpunt. Waar tot overmaat van bewijs nog dit afdoend argument aan kan worden toegevoegd, dat Paulus’ om van een ander dan van zichzelf zoo intieme dingen te kunnen meedeelen, „kenner des harten” had dienen te wezen en met meer dan menschelijke macht over eens anders ziel toegerust.

Dat voorts de geestelijke toestand, waartoe Paulus in de derde hier beschreven periode gekomen was, niet zien kán op de laatste oogenblikken voor zijn breken met de wet, noch ook op zekeren middenstaat, maar wel metterdaad en uitsluitend zijn staat als wedergeborene, als begenadigde, als kind van God, op het oog heeft, duidt hij zelf aan door het constant gebruik van „den tegenwoordigen tijd”; een spreekvorm dien men, zonder meer, niet bezigen mag, tenzij men het oog heeft op den toestand, waarin men bij het schrijven verkeert; en wordt bovendien boven allen twijfel verheven door de analogie des geloofs. |89|

Onder „analogie des geloofs” verstaat men dat de deelen der heilsopenbaring onderling op elkaâr passen. De uitademingsorganen zijn bij een blad naar de analogie van de plant, bij een dierenvel naar de analogie van een dier, en bij uw eigen huid naar de analogie van het menschelijke lichaam. Vormt nu ook de Heilige Schrift, en de Openbaring waarvan ze het getuigenis biedt, een eigen organisme, met een eigen organisch leven, dan spreekt het vanzelf, dat ook in dit organisch geheel alles bij elkaâr hooren, op elkaâr passen moet en aan de levenswet van het organisme gehoorzaamt.

Zoo onmogelijk als het nu is, dat een boomblad de huid van het dier vervange of een dierlijk vel den dienst doe van een boomblad, zoo onmogelijk is het, dat een maatstaf van heilig en onheilig leven, die in de wereld thuis hoort, naar de analogie van háár leven, ergens ingelascht of ingeweven worde in de Schrift. Dat zou erger zijn dan een andersoortigen lap op het kleed. Dat zou tegen den aard, tegen het wezen, tegen de levenswet der Schrift indruischen en alle analogie in haar leven opheffen.

Daarom nu stonden onze vaderen er op, en wij, op hun voetspoor, met hen, dat bij de verklaring van eenig deel der Schrift steeds zou gevraagd worden of de voorgeslagen uitlegging met de doorgaande leer der Schrift overeenkwam, of, wilt ge, naar „de analogie des geloofs” was.

Ook hier mag en moet dus gevraagd, of ge in den persoon, die in het tweede deel van dit kapittel optreedt, al dan niet de kenteekenen en eigenschappen terugvindt, die doorgaande in de Schrift aan den onwedergeborene betwist en alleen in den wedergeborene als heilig privilegie gehuldigd worden. |90|

En ook dan, dunkt ons, kan er wel van een opzettelijk niet willen zien, maar niet van onzekerheid ten deze sprake zijn.

Immers niet den onbekeerde, maar alleen den „overgezette in het Koninkrijk van den Zoon der liefde” komt het toe; toe naar de eenparige sprake van heel Gods Woord; toe naar luid van de belijdenis der Kerke ; toe ook volgens het getuigenis des Geestes in ons: om 1. het kwaad niet te willen maar te haten; 2. een vermaak te hebben in Gods wet; 3. zélf het kwaad niet meer te doen; 4. ontevreden met zich zelf te zijn, op het stuk des heiligen levens; 5. in zich een inwendigen en een vleeschelijken mensch te onderscheiden; 6. een Geest van hooger met den geest zijns vleesches te voelen strijden; 7. zich onder de wet der zonde als onwillig gevangene te voelen; 8. zijn verlorenheid in te zien en te dorsten naar gestadige vrijmaking; 9. te danken voor wat men geestelijk won, en 10. God met den geest te dienen.

En ziet nu ieder, zelfs bij vluchtige lezing, dat dit gulden tiental geestelijke sieradiën door den eertijds gevierden Petrus de Witte, niet gedrongen noch gewrongen, maar schier van woorde tot woorde, als bij maniere van afdruk, uit kapittel zeven aan de Romeinen is overgenomen, hoe wil dan, zoo vragen we, zijn eigen ketterij bemantelen, wie, zonder de analogie des geloofs prijs te geven, dit ontzaglijk actestuk uit den strijd des geestelijken levens anders dan van den wedergeborene verklaart? |91|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ IX, De Heraut No. 24 (19 mei 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004