VIII. Volmaakt in trappen of in deelen?


Leerende een legelijken mensch in alle wijsheid, opdat we zouden een iegelijken mensch volmaakt stellen in Christus.

Col. 1 : 28. a


Indien ik na lang en doelloos dolen, na vruchteloos heen en weêr zwerven, eindelijk dan toch het kruispunt van heirbaan en bergpad bereik, van waar men mij gezegd heeft, dat ik nu maar al door, recht voor mij uit, heb op te wandelen, om te komen waar ik wezen moet, dan roep ik bij het zien van dat kruispunt, blij en overgelukkig uit: „Goddank! nu ben ik er” — ook al weet ik uitnemend goed, „dat ik er lang nog niet ben”: en nog uren gaans voor mij heb.

Mijn uitroep: „Nu ben ik er!” beteekent dan niet, dat ik metterdaad den eindpaal van mijn tocht reeds met den arm omklem, maar dat ik nu dan toch den weg betrad, waarlangs het bereiken van dien eindpaal mij verzekerd is.

Overgebracht nu op de worsteling van ’s menschen ziel om heilig te worden, beteekent dit ten eerste, dat |73| de arme mensch eerst eeuwen lang doelloos zocht en langs alle paden omdoolde, om den weg naar het ideaal der heiligheid te vinden, maar zonder ooit te vorderen, ja, eer al verder van dat hoogheerlijk ideaal afzwervend. En ten andere, dat hij door de wedergeboorte, door de bekeering, door het geloof in Christus, alsnu, op het kruispunt van een geheel nieuwe weg is geplaatst, welks aanvang nog wel zeer ver van het einddoel af ligt, maar die er toch desniettemin, zoo rechtstreeks, zoo ontwijfelbaar zeker, er zoo vanzelf, heenvoert, dat hij, reeds bij de eerste schrede „op dien verschen en levenden weg” verrukt en uitgelaten van heilige vreugde, uitroept: „nu ben ik er!” en de amtlieden van Sion hem inschrijven als: „weêr één volmaakt!

Zoo noemde men eertijds ook bij de heidensche mysteriën hèn „volmaakt” die voor het eerst in de verborgenheden van deze diensten waren ingewijd; wel wetend dat hun ontwikkeling in dit opzicht nu eerst begon, maar er even vast op gaande, dat die, nu ze eenmaal op het hooger standpunt waren geplaatst, vanzelf zou volgen.

Verre van gewrongen of gedrongen, is het dus veeleer volkomen juist en natuurlijk, wanneer ook de Heilige schrift de nog zeer onvolmaakte Christenen, en die erger nog, hun onvolmaaktheid in dit leven nooit zullen te boven komen, niettemin nu reeds „volmaakten” noemt ter aanduiding, dat door hen als nu het juiste standpunt ingenomen, de goede weg ingeslagen, en de rechten gang is gekozen, die hen gewisselijk en onfeilbaar eens tot het bezit der volmaaktheid leiden zal.

Zóó wanneer Jezus tot zijn discipelen zegt: „Gijlieden zijt nu rein om het woord dat ik tot u gesproken heb!” |74| of ook, als Paulus schrijft: „Ik onderwijs een iegelijken mensch en leer hem in alle wijsheid, opdat ik hem volmaakt stelle in Christus;” of Petrus getuigt van hen, „die dáárdoor hun ziele gereinigd hebben, dat ze gehoorzaam wierden aan de waarheid.”

Hierbij is sprake van volmaaktheid, naar gelang van het standpunt dat men inneemt, (de eerste categorie waarop ons vorig artikel wees), en zoo dikwijls ál de leden eener gemeente in Paulus’ brieven worden toegesproken als „heiligen en beminden,” als „volmaakten,” „geloovigen,” „uitverkoornen” en wat hooge eeretitels meer aan de gemeente dier dagen door Paulus worden toegekend, dan is hiermeê nimmer iets anders bedoeld, dan dat ze door hun belijdenis van den Christus Gods den eenigen weg die tot volmaaktheid brengen kan, als waar en vertrouwbaar ook voor zich zelven hadden aanvaard.

Of iemand werkelijk „een geloovige,” in der waarheid „een uitverkoorne,” ook in Gods oog een zijner geliefde kinderen is, — kan op aarde door niemand dan door hemzelven met volkomen zekerheid geweten worden. De apostelen denken er dan ook in de verte niet aan door deze eere-benamingen een eere-eertificaat aan de enkele personen dezer gemeente uit te reiken. Veeleer toont hun onverbloemd kastijden van allerlei ruwheid en zonde, dat er aan het „volmaakte,” helaas nog maar al te veel ontbrak. Maar optredende met een Evangelie, dat het heil niet uit den mensch deed opklimmen maar van God nederdalen, laten ze van dien heilige canon ook in hun eeretitels niet af, en qualificeeren ze hun volgelingen niet naar wat in hen gevonden, maar door hen beleden wordt te vinden te zijn in God. |75|

Aan deze eerste beteekenis van volmaakt het naaste verwant is het volmaakt zijn in Christus.

Elk Christen is dat.

Ook de pas bekeerde.

Zelfs hoe hard het ook schijne, we moeten het ternederschrijven, zelfs het afgedwaalde kind dat weêr zoo schrikkelijk afdoolde en het goed zijns vaders ombrengt in een ver en vreemd land.

Ja, zóóver reikt dit „volmaakt in Christus,” dat onder de nog niet geborene, ook het geslacht van Gods kinderen, dat eerst hiernamaals het levenslicht zal aanschouwen, nu reeds in de lendenen van den Messias als „volmaakt in hem” besloten is.

Dit volgt onmiddelijk uit den aard van de „mystieke unie” en uit het mysterie van Christus’ plaatsbekleeding.

Immers, zijn werk moet niet meer volbracht worden, maar is volbracht. De verzoening is verworven en daarmeê de reinigmaking en de heiligheid te weeg gebracht. Hij is gekomen om den wil des Vaders te doen en heeft dien gedaan, en dat centrale, heerlijke, vlekkeloos reine menschelijke leven, dat hij uit den dood opgebracht en, in ons menschelijk vleesch, in den hemel heeft ingedragen, dat leven is nu de fontein en sprinkader waaruit eeuwiglijk de leden van het lichaam Christi het levensbloed hunner ziele zullen indrinken, of wilt ge, de goddelijke onuitputtelijke marmergroeve, waarin het heilig beeld van al Gods kinderen nu reeds besloten ligt.

Met de werkelijke al of niet volmaaktheid der Christenen op aarde heeft het dus volstrekt niets te maken, zoo dikwijls hun een volmaaktheid wordt toegeschreven in Hem. |76|

Hun leven is met Christus verborgen in God,” en al de arbeid hunner ziele moet maar zijn, om van wat op aarde, ook aan henzelven nog is af te komen en door het geloof zich met dat leven in Christus te vereenzelvigen.

„Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij!” blijft hun wachtwoord, en dienovereenkomstig kan hun toegevoegd: „Gij zijt volmaakt in Hem die het, Hoofd is over alle overheid en macht!” of wilt ge, sterker nog: „Gij zijt afgewasschen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd in den naam van den Heere Jezus Christus en door den Geest onzes Gods.”

Van geheel andere strekking is de eeretitel van „volmaakt,” zoo daarmeê, naar de derde categorie, de mate van onzen wasdom is bedoeld, b.v. in de uitdrukking: „der volmaakten is de vaste spijze.”

Er wordt dan gedoeld op de tegenstelling tusschen hen die pas tot het Evangelie toetraden en de zulken die de kennisse van het Evangelie naar den hun betamende omvang en de voor hen passende diepte, reeds verwierven.

De eerste heeten dan kinderen, die nog met melk worden gevoed, de anderen volmaakten of volwassenen wien de vaste spijze reeds kan aangeboden.

Bij dien wasdom heeft elk creatuur zijne eigen mate. Het lam is reeds tot een volkomen ram opgewassen, ook al blijft het nog verre beneden de mate van de grootte waarmeê de welp van den olifant geworpen werd.

Zoo heeft elke plant, elke boomsoort, en evenzoo elk dier en elk menschengeslacht de „mate zijner grootte” die hun van God beschikt is.

Zelfs onder de leden in een zelfde gezin brengt weêr |77| elk individu, elke persoon, reeds bij zijn geboorte de vaste bepaling mede, van de hooogte, die het in zijn groei bereiken, maar ook van de hoogte, die het nimmer overschreiden zal.

Dan is er eerst een groeien, een uitzetten, een toenemen een wassen. En dat proces gaat aldoor tot eindelijk de wasdom naar zijn mate verkregen is, om dan opeens allen groei een einde te doen nemen, en voorts geen andere 'werking te vertoonen dan van innerlijke harding en bevestiging, sterking en vulling van het weefsel des lichaams.

Niet anders nu gaat het in het geestelijke toe.

Ook wie in Christus geboren wordt brengt de bepaling van de mate van zijn wasdom met zich. Vandaar na de eerste bekeering die honger, dat wegtrekken van alle levenssappen naar dat groeien der ledematen, en zoo allengs dat rijpen tot die mate der grootte die in de voorverordineeringe Gods ons beschikt was.

Daarop doelt Paulus als hij zegt: „Zoovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons naar denzelfden regel wandelen”; en doelt evenzeer wat de Hebreën te lezen bekwamen: „Een iegelijk die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid, want hij is een kind; maar der volmaakten is de vaste spijze, die door de gewoonte de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.”

Maar al heeft men nu ook eenmaal dien „wasdom naar zijn mate” bereikt, dan is hiermeê toch de „toeneming in Christus” nog zóó weinig uit, dat dan veeleer eerst recht beginnen kan, wat de briefschrijver enmiddelijk daarna noemt: „Laat ons nu tot de volmaaktheid voortvaren.” Zoo weinig, dat daarna de „inleiding |78| in het heilgeheim” zelf eerst komt; en eerst na afloop van dien groei de onderscheiding van Johannes zin krijgt van „kinderen,” en „jongelingen”, van „mannen” ,en „vaders in Christus.”

Wat nu eindelijk de laatste of vierde onderscheiding aangaat tusschen volmaaktheid in de deelen, die een kind van God alleszins, en volmaaktheid in de trappen, die hij op aarde nimmer zal bezitten, dan is ook hier het zegel der Schrift en der geestelijke ervaring onbetwistbaar.

Een korreltje mostaardzaad, hoe klein ook, bevat in zich de kiem, niet slechts van den stengel en zijn stoel en voor dien stoel de wortelvezels, maar evenzeer voor de takken en twijgen, voor de sprieten en bladen, voor de bloesems en vrvehten, die aan den mostaardboom in zoeler luchtstreek bij zijn voltooiing prijken.

Die korrel is dus gaaf, is ongeschonden, en is, wijl de kiem aller deelen er in ligt, een volkomen mostaardzaad.

Dat is het heilig en onveranderlijk kenmerk van al wat God doet.

Wij menschen, als we iets maken, moeten eerst stuk voor stuk, deel voor deel in gereedheid brengen om ze daarna aan elkaâr te hechten, vast te lijmen en ineen te zetten.

Maar bij al wat God werkt worden steeds alle deelen te gelijk voorverordineerd en wat de kiem betreft, tot aanzijn gebracht, om zich daarna elk in zijn orde te ontwikkelen.

Ons menschelijk werk is, onder de wording, nooit, Gods werk altijd volmaakt in de deelen.

Dit is waar van de plant. Dit geldt van dier en mensch. |79| Maar in sterker zin nog van ’s menschen geestelijke ontwikkeling na zijn wedergeboorte.

Is ’s menschen heiligmaking zijn eigen werk, dan gaat het ook hier zoo toe, dat hij stuk voor stuk, deel voor deel vooraf gereeed zoekt ie maken, om eerst daarna het een aan het ander te verbinden en in elkaâr te zetten. Er zal dan een neiging zijn, om ééne bepaalde zonde te bestrijden, terwijl op hetzelfde oogenblik een andere, niet minder verfoeielijke zonde vrij spel houdt. Er grijpt dan een oefening, plaats om zich b.v. in zijn gebeden en smeekingen te volmaken, of ook toe te leggen op mortificatie en nederigheid, — terwijl, onder die oefening door, de gierigheid vrij rondloopt en de prikkelbaarheid zich nog gevoeliger maakt en het lijden met anderen al meer verkwijnt. Sterke ontwikkeling aan de ééne, met wegteering en verkwijning aan de andere zij van ons wezen. Een wasdom maar in deelen onvolmaakt.

Hebt ge daarentegen met wezenlijke wedergeboorte, met doorgezette bekeering, met oprecht geloof, d.i. met een werk Gods te doen, dan komt er opeens een haat tegen alle zonden, een liefde voor alle deugden, en is, ook al trad die nog niet naar buiten, de kiem van alle heerlijkheden aanwezig. „Nog wel maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid, gelijk de Catechismus zegt, maar zoo nochtans, dat ze niet slechts naar sommige, maar naar alle geboden Gods met een ernstig voornemen beginnen te leven.” Een kustlicht, dat men bij alle prijzenswaarde pogingen in onze dagen, b.v. om den demon van den dranklust te bedwingen, wel zeer scherp in het oog dient te vatten, om niet ongemerkt uit de Christelijke strooming af te drijven. |80| Want die strooming is geen andere en kan nooit een andere zijn, dan dat het nieuwe leven in ons een werk Gods en niet van menschen zij, en alsnu volmaakt blijke volstrekt niet in een enkel stuk, maar in al zijn deelen.

„De mensch Gods moet volmaakt zijn,” gelijk Paulus aan Timotheüs schrijft dat is naar Paulus’ eigen uitlegging: volmaaktelijk toegerust tot alle goed werk.” Wat onberispelijk bewaard moet worden voor den dag van Jezus’ toekomst, is naar luid van zijn brief aan de Thessalonicensen: „een geheel oprechte geest, maar ook evenzeer de ziel èn het lichaam.” We moeten God liefhebben, niet slechts „met het hart, maar ook met de ziel, maar ook met het verstand, ja met alle vermogens (krachten) die aan ons wezen geschonken zijn.” Kortom een heiliging moet door Christus in ons uitgewerkt, maar zóó, dat Hij ons heilige, niet naar een enkel deel van ons wezen, maar „geheel en al”.

Zúlk een volmaaktheid echter, die ook naar onze overtuiging den kinderen Gods allezins toekomt, verschilt hemelsbreed van die andere volmaaktheid, die op zoo hinderlijke wijze door de Enthousiasten gedreven wordt: t.w. de volmaaktheid in de trappen.

Dit toch houd in zich, dat in het kind van God niet slechts alle deelen van het nieuwe leven in kiem aanwezig zijn, maar ook dat elk dezer deelen reeds hier op aarde zóó ver kan ontwikkeld worden, dat er geen tekort en dus geen zonde meer bij overblijft.

De volmaaktheid der trappen valt saâm met de volmaaktheid van Gods wet.

In dien zin volmaakt zijn sluit dus in zich, dat men al de geboden Gods en elk dier geboden in volkomen |81| geestelijken zin, in al hun omvang en naar hun zeer wijde, oneindige strekking, onafgebroken houdt.

Houdt, niet naar den Standaard des burgelijken samenlevens, noch ook naar den maatstaf die in uw kerk geldt, noch naar de opvatting die in uw vromen kring gangbaar is, maar houdt naar den commentaar van den Heiligen Geest, waarin Jezus ons heeft ingeleid.

Bovenal houdt, niet slechts met zijn uitwending, maar ook met zijn inwendig wezen, d.w.z. niet voor zoover menschen ons beoordeelen, of ook onze eigen mensch zich zelf bezien kan, maar gelijk we bij het al doorzoekend licht des eeuwigen doorschouwd worden door het heilig oog van onzen God.

En in die beteekenis nu , dat is naar de trappen, wordt de volmaakbaarheid op aarde nergens door de Schrift geleerd, altijd op het ernstigst door haar gelogenstraft, en, waar ze schijnt voor te komen, als zelfmisleiding gewraakt.

„Indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben, zoo misleiden wij onszelven en de waarheid is in ons niet!” |82|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ VIII, De Heraut No. 23 (12 mei 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004