VII. Schriftuurlijke epitheta


Zoovelen dan als wij volmaakt zijn.

Phil. III : 15.

Niet dat ik alreede volmaakt ben.

Phil. III : 12. a


Op het terrein der Schrift zouden we dan nu de drijvers der volmaakbaarheidsleer afwachten.

Niet als ging, wat we hun dusver voorhielden, buiten die Schrift om, maar zóó, dat het dusver verhandelde meer de algemeene heilsleer der Heilige Schriftuur raakt, en we nu eerst tot die bijzondere klasse van Schriftuitspraken komen, die meer bepaaldelijk de volmaakbaarheid zelve óf schijnen te begunstigen óf blijken uit te sluiten.

En dan zij in de eerste plaats de aandacht gevestigd op die breede en lange reeks van Schriftuurplaatsen |63| waarin, met betrekking tot den wedergeborene, sprake is van „oprechtheid”, „heiligheid”, „reinheid” , „rechtvaardigheid”, „onberispelijkheid”, „onergerlijkheid”, en „volmaaktheid.”

Uit schier al die plaatsen nu, zoo meent men, blijkt op de overtuigendste wijs, dat de Godsmannen des Ouden en des Nieuwen Verbonds allengs tot een heiligen staat van hart en leven gekomen zijn; dat ze dezen heiligen staat voor een iegelijk die slechts zich zelf er aan geeft, bereikbaar achten; en in den naam Godes meer dan eens hebben uitgesproken, dat de volmaaktheid, ook in geboren zondaars, reeds hier op aarde is gezien.

Om te beoordeelen wat hier van aan zij, dient hierbij al aanstonds geschift.

Er is tegenover de Perfectisten sprake van een volmaaktheid, niet voor des menschén oog, maar voor God; niet in beginsel, maar in werkelijkheid; niet ten deele, maar zoo geheel, dat er afwezigheid van alle zonde en een onafgebroken gemeenschap met den Zone Gods uit volgt.

Voor zúlk een volmaaktheid nu kunnen we uiteraard al aanstonds niet gebruiken zulke plaatsen, waarin de Christenen tot heiligen levenswandel eenvoudig worden vermaand en aangespoord.

Een vermaning toch veronderstelt volstrekt niet dat de plicht waartoe ik aanspoor reeds terstond, voetstoots, in vollen omvang vervulbaar zij.

Men kan zeer wel een binnenvader van een weeshuis, die zijn betrekking aanvaardt, op het hart binden: „Zie vooral toe, dat de weezen niet liegen!” — zonder dat het, ook bij den heiligsten ernst, waarmeê men die vermaning voor zijn consciëntie legt, in wien ook op |64| zal komen, zich in te beelden dat het plotseling doen verdwijnen van elke leugen alsnu dan ook als vrucht van die aansporing volgen zal.

Elk gebod en elke vermaning van zedelijken aard, ’t zij in ons huis, op onze werkplaats of in onze bureelen gegeven, draagt altijd een absoluut karakter, en het, helaas, maar al te constante feit, dat dit volstrekte gebod nooit of nimmer door even absolute gehoorzaamheid achtervolgd werd, heeft toch niemand nog ooit den dwazen voorslag in den zin gebracht, om deswege elk gebod en elke vermaning voortaan van haar absoluut karakter te ontdoen.

En dit mág ook niet.

Wie het deed zou zich hiermeê aan het ideaal karakter van het heilige leven vergrijpen.

Omdat dit heilige leven steeds en immer onmiddellijk uit den wil en het wezen Gods nederdaalt, kán het nooit ten deele, kán het nooit ten halve op ons aandringen, maar komt het òf niet, doordien we ons hart verharden, — òf het komt met de gave ongeschondenheid van den volwichtigen goddelijken eisch.

Lezen we dus in de Heilige Schrift de vermaning aan Israël: „Zijt heilig, want Ik ben heilig”, of ook de vermaning aan de Christengemeente, „dat ze mochten onberispelijk zijn en oprecht, onstraffelijk als kinderen Gods en schijnende als lichten te midden van een krom en verdraaid geslacht” (Phil. 2 : 15), of hooren we kernachtiger nog en bezielder den Heer zelf zijn volgelingen oproepen dat. ze zijn mochten als „een stad op den berg”, als „een licht op den kandelaar”, of als een „zout, dat, zelf niet bedervend, van anderen het bederf weren kan”, — dan heeft reeds deze gansche categorie |65| van heilige teksten voor onze „volmaakbaarheidsdrijvers” zelfs geen arenlezing hoe gering ook, en brengen ze niet den Gereformeerden naam, maar wel hun eigen helderheid van geest in opspraak, door zich op zoodanige uitspraken te beroepen.

Evenmin hebben wij bij het pleit over de volmaakbaarheid iets uitstaande met plaatsen, waarin der vromen burgerlijke deugd geprezen wordt.

Dat zùlk een deugd toch bereikbaar is en bereikt moet worden, leeren we over en weêr; was nooit in geschil; en zal door geen kenner van Gods heilig Woord ontkend worden.

Wreed willen we niet zijn, en we weten uitnemend wel, dat zelfs een zeer diepe val het leven van Gods kind kan komen ontwijden, ontheiligen en storen; en dat dit wondere mysterie der zonde, onder de toelatinge Gods, alzoo doorwerkt, om elke hoogheid in ons af te breken, elk vertrouwen op eigen steunsel ook voor Gods kinderen tot zonde te maken, en een onoverkomelijken slagboom te leggen tegen élke poging om het genaverbond, ten hoon van het heiligst bloed, nogmaals tot een werkverbond te verlagen.

Maar wel zie een iegelijk toe, dat deze, ook onzerzijds volmondig toegestemde wetenschap, hem niet tot een onheiligen valstrik worde en tot het tegendeel leide van wat de Apostel noemt: „onze roeping en verkiezing vast te maken.”

Neen, neen, daarover besta geen oogenblik misverstand: uiterlijke, burgerlijke onberispelijkheid is zoo uitnemend wel bereikbaar dat Witsius u op het schitterendst zou kunnen aantoonen, hoe zelfs „de onbegenadigde op zijn beste” vaak meer nog dan deze uitnemendheid realiseert. |66|

Onberispelijk, onergerlijk van gedrag en leven, naar des menschen oordeel, is dan ook zoo de stellige, maar tevens minste en laagste en nog niets zeggende eisch waaraan elk Christen voldoen moet, dat onze Gereformeerde Synoden en Consistoriën op hun attestatiën de formule van „onberispelijk en onergerlijk” zelfs drukken lieten, en een iegelijk voor het kerkelijk gericht werd getrokken, die òf een berisping verdiende òf merkbare ergernis gaf.

Het is alzoo het geven van een slag in het aangezicht der historie geweest, toen een onzer volmaakbaarheidsdrijvers, lasterend wat hij niet onderzocht had, en zonder ook maar de buitenste omtrekken van het Gereformeerde kerkelijk wezen eenigermate te kennen, — miskend, gehoond en beleedigd heeft den hoog heiligen ernst, den diep zedelijken trek, en de huis en maatschappij en staat reformeerende geloofskracht, die, blijkens de onwraakbare acten der historie, juist in den Gereformeerden levensstroom door God is gewekt.

Had de auteur, die zich dit ten laste liet komen, het er dan ook op toegelegd, om in zijn eigen publiek stuk een zonneklaar bewijs van zeer tastbare onvolmaaktheid, ter weêrlegging van zijn eigen dwaling, te stereotypeeren, hij zou niet wel beter hebben kunnen slagen, dan toen hij, het negende der geboden voor niets achtende, een der prachtigste geloofsverschijnselen in Gods kerk met zijn haat aangrimde, en de verkiezing losscheurde van wat steeds haar prediking verzellen moet: de praktische kerkelijke tucht.

Maar ook hierbij onzerzijds gaarne het: „Broeder! ik heb het in onwetendheid gedaan!” inwachtend, bleek ons zooveel dan wel overtuigend, dat „uitwendige, |67| maatschappelijke deugdsbetrachting”, vooral in dien groven zin, waarin de publieke opinie het heilige oordeelt, zeer wel binnen het perk van onze geestelijke vermogens valt, zonder ons ook maar een enkele schreef boven het gewone peil der zondaren te verheffen.

Lezen we dan ook in Lucas’ eerste hoofdstuk, dat Zacharias en Elisabeth in al de geboden en rechten Gods wandelen „onberispelijk,” of bij Paulus, dat hij van zich zelven getuigt: „Ik was naar de rechtvaardigheid, die uit de wet is, onberispelijk,” dan is de vlak daarop gevolgde bestraffing van Zacharias, dat bij stom werd geslagen en de evenzoo vlak daarop volgende verklaring van Paulus: „Niet dat ik alreede volmaakt ben,” volkomen afdoende om te bewijzen, dat hier noch van heiligmaking noch zelfs van heiliglijk leven sprake is, maar alleen van die onergerlijkheid van wandel en ingetogenheid van zeden, waar zonder geen onzer zijn oogen anders dan met schaamte en blozen zelfs voor menschen zou durven opslaan.

Evenzeer eindelijk sluiten we van meet af de reeks Schriftwoorden uit, waarin de oprechtheid van ’s Heeren dienstknechten en dienstmaagden geroemd wordt.

De oprechtheid toch heeft ten deze een eng begrensde, scherp belijnde, stiptelijk aanwijsbare beteekenis.

„Leugen” is de wortel der zonde geweest en „de vader derzelve leugen een menschenmoorder van den beginne”. Gevolg hiervan was, dat de alsnu in zonde en dood geboren mensch even zoo min als Sathan „in de waarheid” kan staan. Vandaar dat de zondaar van zelf, zijns ondanks, in een leugenwereld leeft, in een onwaren toestand verkeert, in een onoprechten dampkring ademt, en zoo van alle zijde in de strikken van |68| dit leugenachtig wezen verward raakt, dat „oprecht zijn„ niet in een enkele zaak, maar als toestand, een voor hem onbereikbaar ideaal is. Ja zoo afschuwelijk staat het zelfs met deze leugen, dat men er te dieper in raakt hoe verder men in het heilige doordringt. Een onbekeerde kan nog eens waar zijn in een gewone zaak van het huislijk leven, maar woelt hij zich op in de heilige dingen, dan komt alles anders voor hem te staan dan het is; ziet hij zich zelven nooit dan in een valsche spiegeling; en is al zijn vroomheid niets dan verraad aan zijn eigen ziel gepleegd.

Vandaar de onbegrijpelijke zelfverblinding in de afgoderijen, zelfs der hoog beschaafde Grieken; vandaar de leugenachtige waan die nu weer kloeke mannen in een kloppenden tafelpoot een orakel doet zien; vandaar de vloek van het Farizeïsme, waaraan het heilige niet kán ontkomen; vandaar eindelijk ook de ontreddering van de kerk des Heeren, zoodra „de leugen” in haar kruipt.

Dat „leugenachtig wezen” nu kan geen mensch, wie ook, ’tzij uit zijn eigen hart uitnemen, ’tzij van zich weren in zijn omgeving, en zoolang God Almachtig hem niet op voor ons onbegrijpelijke wijze overzet van dat wrak der leugen op den vasten bodem der waarheid, blijft hij onoprecht; onoprecht in den wortel van zijn wezen; onoprecht ook al spreekt hij waarheid naar zijn beste weten; dan zelfs onoprecht als hij bidt.

Maar gebeurt dat onbegrijpelijke dan ook aan hem. Grijpt God hem aan. Wordt hij uit dat glibberachtige, verradelijke, leugenachtige wezen uitgenomen, opgetrokken en overgezet op het terrein der waarheid en des waren levens, o, dan is ook zijn ziel oprecht |69| gemaakt, oprecht zijn ademtocht en oprecht zijn bidden, ook al is het, dat het slib dat aan zijn voetzool bleef hangen hem ook op dit heilig terrein nog telkens doet uitglijden en zelfs het anders spreken dan zijn hart meent hem door een verduistering van genade nog een enkel maal overkwam.

Oprecht van staat en wezen is een iegelijk die uit het webbe der leugen is losgewikkeld en die nu God aanziet gelijk Hij is, en zich zelf beziet gelijk hij er aan toe ligt, en de wereld in haar holheid, ijlheid en nietigheid doorgluurd heeft, en nu weet wat er is van ’s menschen woord en ook weet wat er van Gods Woord aan is, en alzoo de wereld van zijn droomen, den God van zijn inbeeldingen, de hoogheid van zijn eigenwaan, ja, heel het onwaarachtig tooneel en de geveinsde vertooning van zijn leven en aanzijn voor waarheid, voor harde maar dan ook sterkende en verfrisschende waarheid heeft uitgeruild.

Spreekt dus Paulus van onze „geheel oprechte geest en ziel en lichaam”; gewaagt hij van een feestvieren „in de geheel ongezuurde brooden der oprechtheid”, of ook lezen we van Job, den hard beproefden lijder: „Hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid”, dan is in deze oprechtheid niets te loven noch groot te maken dan de macht Gods, die deze begenadigden uit de wereld der leugenachtige inbeelding in de wereld van zijn waarheid heeft overgezet, op het gevaar af dat ze nog een nawerking van leugen in zijn heilig erf indroegen.

En vraagt men dan nu ten slotte: welke plaatsen dan wel in aanmerking komen? — dan luidt ons antwoord: al zulke plaatsen, waar, onder waarborg dat het zoo is, van wedergeboren personen wordt uitgesproken, |70| dat ze heilig en volmaakt, of ook zonder zonde geweest zijn of konden zijn.

En zulke plaatsen zijn er! B.v. als Paulus zegt: „Zoovelen wij dan volmaakt zijn, laat ons allen naar denzelfden regel wandelen”; als bij de gemeenten aanspreekt als „heilige en beminde broeders”; als hij roemt „alle dingen te vermogen door Christus, die hem kracht geeft”; of ook als Johannes de uitspraak neerschrijft, „dat wie uit God geboren is, niet zondigen kán”.

Van al deze Schriftuurplaatsen nu zal ons blijken, dat ze, met wat kunst of machinatie ook, nooit zóó kunnen of mogen uitgelegd, dat ze ooit ofte immer „een volmaaktheid der trappen”, — en die alleen is in geschil — reeds hier op aarde leeren zouden. Maar dat ze integendeel geen andere volmaaktheid prediken noch toelaten, dan òf die van het standpunt, waarop Christus ons plaatst, òf die van het heil dat in Christus verborgen ligt, òf die van den wasdom naar onze mate, of eindelijk die van de deelen, waarin ons wezen uiteenvalt.

Van het nieuwe „levensstandpunt” spreekt Paulus b.v. Col. 1 : 28: „leerende in alle wijsheid, opdat wij zouden een iegelijk mensch volmaakt stellen in Christus.”

Van het „plaatsbekleedend” heil dat „in Christus” geheel afgewerkt gereed ligt, schrijft hij b.v. aan dezelfde gemeente van Colosse (2 : 20): „En gij zijt in Hem volmaakt, die het hoofd is van alle overheid en macht”.

Van den wasdom naar onze mate heet het b.v. in Hebr. 5 : 14: „Maar den volmaakten is de vaste spijze.”

En eindelijk van de volmaaktheid „der deelen” van ons geestelijk wezen lezen we in 2 Tim. 3 : 17. „Opdat de mensch Gods volmaakt zij; tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust”. |71|

Terwijl omgekeerd de volmaaktheid der trappen ten stelligste weersproken wordt, al ware het slechts in dit ééne ontnuchterend woord van den man die ons állen vooruit was: „Niet dat ik het alreede gegrepen heb, of alreede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het grijpen mocht.” |72|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ VII, De Heraut No. 22 (5 mei 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004