VI. Het ideaal van heiligheid wordt verlaagd


Heilig, heilig, heilig is de Heer der heirscharen.

Jesaia 6 : 3. a


De alles beheerschende, alles afdoende oorzaak alzoo, waarom de drijvers der volmaakbaarheid met beslistheid en zonder sparen moeten tegengestaan en gestuit, ligt dáárin dat ze het ideaal der heiligheid neertrekken tot de laagte van hun eigen zedelijk leven.

Al de kracht, al de wonderen energie, die de Christelijke godsdienst dusver ten toon spreidde, dankte ze juist aan die heerlijke, goddelijke, onnaspeurlijke hoogte, waartoe ze het ideaal des zedelijken levens en dus de heiligheid gedragen door de vleugelen der openbaring, wist op te heffen.

Hoe hooger dat ideaal staat, des te dieper wortelt de ernst des levens en des te rijker waken uit de verborgen schuilhoeken van het begenadigd hart de heilige krachten op, die de menschelijke samenleving op aarde voor inzinking behoeden kunnen.

Naar gelang een kerk dát ideaal hooger stelde, is de |54| zegen heerlijker geweest dien ze haar belijders bood, en vraagt men dan ook ter laatste instantie naar de verborgen oorzaak waarom het Protestantisme hooger staat dan Rome, en op Protestantsch terrein de invloed van de Calvinistische volkeren weêr merkbaar dien van de zusterkerken overschaduwde, dan zult ge beide malen geen betere verklaring vinden, dan deze: dat het ideaal van heiligheid veiliger te Wittenberg dan te Rome stonden nogmaals, zoo mogelijk, door den geloofsheld van Genève, zij het ook met een ietwes eenzijdigen levensernst, werd verhoogd.

Immers het ideaal van uw heiligheid is niets anders en niets minder dan de heiligheid van uw God. Wie dus op het eerste afdingt, doet te kort aan de eere des Driemaal Heilige zelven, en het wordt, uit zedelijk oogpunt metterdaad òf „een anderen God” te aanbidden, òf wel een aanbidden van denzelfden God, maar wiens volheerlijke deugden geen maatstaf meer voor uw eigen zedelijk leven zijn.

Beide verschijnselen deden zich op heidensch terrein voor.

Er zijn afgodsdiensten, gelijk die der Babyloniërs, der Kanaänieten en der Grieken, die zich wel terdeeg de heiligheid hunner goden als doelwit van eigen streven voorstelden, maar wier belijders dan ook, om uit te komen, vooraf hun eigen kleinheid en gebrekkigheid in het leven hunner goden hadden ingedragen.

En omgekeerd, waren er ook afgodsdiensten, gelijk die van Indië en China, die het ideaal van heiligheid in hun godsdienst tamelijk zuiver hielden, maar dan ook nimmer tot inniger gemeenschap konden doordringen met het leven der heiligheid, waarin ze zich die goden voorstelden. |55|

Alleen het Christendom had den moed beide te vereenigen, door u éénerzijds een voorstelling van Gods heiligheid te geven, die álles overtreft, wat ooit in Perzië of aan den Ganges van heiligheid gebazeld was; — maar er tegelijk anderzijds den eisch aan durft toevoegen: „Weest dan gijlieden volmaakt gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is,” d.i. stelt het ideaal uwer menschelijke heiligheid nooit lager dan de heiligheden van uw God.

Met het vasthouden aan die beide staat of valt uw Christendom dan ook.

Godes absolute heiligheid en de onmogelijkheid voor den mensch om met iets minder dan een dááraan beantwoordende heiligheid te volstaan, is de grondslag van geheelde wetsprediking; gelijk, omgekeerd, in de onmogelijkheid voor God, om op die heiligheid, uit liefde, ook maar iets te laten afdingen, gevoegd bij het mysterie om noehtans een verdoemelijk zondaar in een kind van dien Driemaal Heilige te kunnen omscheppen, ál de verborgenheid der godzaligheid ligt.

Zoo dikwijls, waar en door wien dan ook, aan een dier beide vastigheden getornd wordt, wordt alle vergelijk zonde en is weêrstand plicht.

Daarom konden noch mochten onze vaderen wijken, toen Rome en dat ideaal van heiligheid verlaagd, en de volle gemeenschap met den Vader verbroken had.

Daarom mochten noch konden ze er het zwijgen toe doen, toen -de Remonstranten, zij het ook in fijner trant, nogmaals „de levensgemeenschap van het kind met zijn hemelschen Vader” wilden uitruilen voor een meer „uitwendige betrekking tusschen God en zijn schepsel.” |56|

En daarom mogen noch kunnen ook wij thans zonder protest gedoogen, dat, doordien de sleutel der kennisse te loor ging, in de zielen der geloovigen weer een oude en verouderde en lang overwonnen dwaling post zou vatten, waardoor, in dweepzieke overspanning hier op aarde reeds naar een nu nog onmogelijke gemeenschap met den Heilige wordt gedrongen; en dat tot den heilloozen prijs van nogmaals het ideaal der heiligheid naar beneden te rukken, d.i. God, den Driemaal Heilige zelf van die gloriekrans zijner deugden te ontdoen en van de eerekroon zijner heiligheden te berooven.

Zelfs, we mogen het niet verzwijgen, maakt dit drijven der volmaakbaarheid van de zij der Enthousiasten, gelijk het ook nu weêr ten onzent plaats grijpt, een nog droever en pijnlijker indruk op ons, dan de leer „eener mogelijke heiligheid op aarde” bij Rome.

Bij Rome toch gold het bereiken van dezen volmaakten staat nog steeds als een zeer hooge uitzondering, die slechts aan zeer enkelen onder de hoogstbegenadigden werd gegund. En die enkelen, die men als zoodanig in de vereering van het volk aanbeval waren dan ook metterdaad grootsche figuren in hun tijd geweest; mannen of vrouwen, die als starren van eerste grootte geblonken hadden, en ’tzij door het vergieten van hun martelaarsbloed, ’tzij door een heldenstrijd voor de kerke Gods op wetenschappelijk terrein, ’tzij door een leven van zeldzame godzaligheid en zelfopoffering, in den regel toonbeelden waren geweest van wat de genade Gods op aarde vermag.

Welke dwaling nu hierbij ook insloop, toch bleef op zulk een manier ten minste de schijn van ernst bewaard en bespaarde men ons op heilig terrein den smaad van |57| het belachelijke. Er was dan wel geen volmaaktheid, maar er was dan toch ten minste iets zeer hoogs en zeer sterk ontwikkelds, iets dat eerbied afdwong en imponeerde.

Maar ook dien troost, hoe schraal ook, moet ge opgeven, als ge op het terrein der Enthousiasten overstapt, waar het steeds als regel gold en nog u wordt aangepreekt, dat deze hoogheilige staat, verre van slechts enkeler previlegie te zijn, veeleer aller gemeengoed kan worden, die maar gelooven willen in Christus en meê willen zingen in het choor onzer geestdrijvers. Dat toch niet allen in Christus gelooven ligt, naar hun zeggen, enkel daaraan, dat men of den Christus hun niet predikt, of dat zij dien gepredikten Christus liggen laten. En dat men, eenmaal bekeerd, niet in dien hoogen staat van heiligheid overgaat, ligt, zoo ge hen hooren wilt, weêr even eenvoudig enkel daaraan, of dat men de bekeerden niet met dezen gelukstaat bekend maakte, of wel dat de aldus voorgelichten weigerden het offer te brengen, waardoor de ingang in dat beter Koninkrijk wordt verworven.

Gevolg hiervan is natuurlijk, dat men in zekeren kring, bij zekeren groep, die om dit aas zich verzamelt en zulk een leerling toejuicht en waant dien overgang gemaakt te hebben, geheel op eigen keur of keur der vrienden afgaande, zich nu in gaat beelden, metterdaad dat standpunt bereikt te hebben; over en weer voor elkaar belijdt dat men nu die hoogere genade ontvangen heeft; ja, in der waarheid zich ingetogener, minder zelfzuchtig en zinlijk maakt om de proef op de som te kunnen leveren; en dusdoende allengs derwijze bedwelmd en verblind wordt, dat men ter nauwernood meer iets |58| voelt van het eer komische dan tragische schouwspel van een groep zeer ordinaire mannen en vrouwen. die in geen enkel opzicht hooger staan dan de gewone belijders, en die desniettemin de waanzinnige verwatenheid aandurven, om nu den volke toe te roepen: „Hier zijn de heiligen! Wie is er die ons van zonde overtuigt!”

Zie, bij Rome bleef u dan ten minste de nog iets beteekenende waarborg, dat men niet zichzelf voor heilig verklaarde, maar heilig verklaard werd. En wel heilig verklaard werd, meest na zijn dood, en niet dan na een onderzeek, dat, althans den schijn aannam van ernstig te zijn en met notoire feiten rekende.

Maar ook die waarborg ontvalt u bij deze Enthousiasten geheel. Zij toch worden niet heilig verklaard, maar verklaren het zichzelf of laten het zich door hun vrienden doen. Niet na hun dood, maar bij hun leven. Niet na onderzoek, maar afgaande op zeer oppervlakkigen indruk. Zich baseerende niet op feiten die notoir zijn, maar, ondanks tamelijk notoire feiten, op het beeld van eigen deugdelijkheid dat ze in den spiegel hunner inbeelding hebben gezien.

Men gevoelt welk gevaar hierin schuilt, een gevaar waartegen Rome ten minste nog gewaakt heeft, maar dat deze Geestdrijvers argeloos in den muil loopen, we bedoelen het doodelijk gevaar van geestelijke zelfverheffing, van zielstrots en hoovaardij.

Vooral doordien alle Enthousiasten den laatsten grond van hun geloof daarin zoeken dat zij hebben willen gelooven, d.i. in zichzelf, is het slechts een bijzondere genade geweest die sommigen van Gods kinderen, ofschoon ze op deze doolpaden verliepen, voor het vallen in dezen kuil der hoovaardij heeft behoed. |59|

Voeg nu daarbij dat deze dwepende lieden om hun stelsel staande te houden en zichzelf op de hoogte van hun stelsel te handhaven, de zedelijke verantwoordelijkheid ten laatste moeten wegcijferen, en immers ge doorziet ook zonder dat we er meer van zeggen, hoe hoovaardij van de vastigheid der conscientie losgemaakt, zoo vaak na met den geest begonnen te zijn, in het vleesch is geëindigd.

Want dit spreekt toch vanzelf, om hun sproke van „volmaaktheid reeds hier op aarde” voor hun eigen consciëntie te kunnen waarmaken, zijn deze geestdrijvers wel verplicht om de verantwoordelijkheid voor wat uit hun eigen vleesch opwelt, bedektelijk van zich af te schuiven. Ze zullen de verantwoordelijkheid op zich nemen voor wat ze doen; ook voor wat ze bedoelden; zelfs voor wat ze koesterden en toestemden. Maar als nu, des ondanks, uit vleesch en bloed, of ook uit dat ander vleesch dat in ons booze hart zit, of uit dat nog boozer vleesch in onze hersenen, het onheilige toch opwelt, het onreine toch opflikkert, het zondige zich toch aan ons maakt, zie, mits zij er dan maar niet in bewilligd hebben, achten ze hun heiligen persoon daarmeê dan ook niet bezwaard.

Het „Gij zult niet begeeren!”, dat goddelijk woord van den Sinaï, doodende al wie zijn aansprakelijkheid voor den wortel der zonde wegcijfert, moet dan wel door een, o, zoo verleidelijke onderscheiding tusschen „bewuste” en „onbewuste” zonden krachteloos gemaakt. En het gevolg is, dat het innerlijk, verborgen woelen der zonde, aldus van den band van Gods wet ontslagen, een overspelig huwelijk aangaat met de inbeelding van de hoovaardij des geestes, en zoo niet in het eerste, |60| dan in het tweede geslacht, vruchten teelt voor de schandelijkheid en het onreine.

Niemand zie in dit zeggen een persoonlijke insinuatie tegen de personen der leeraren van de Hervormde kerk, die gemeend hebben dezen démon der geestdrijverij weêr te moeten ontketenen.

Onze strijd gaat niet tegen personen.

Eer zijn we geneigd en deze leeraren en de opgewekte zielen, die op den adem hunner leering meêdrijven, te omvatten met al de teedere liefde, waarmeê alleen wie zelf geduriglijk afdoolt, anderen bij hun dolen minnen kan.

Maar dit ontheft ons niet van onzen plicht. En als we dan zien, hoe, louter door gebrek aan kennis, sommigen der teederste zielen, gelijk in vroeger eeuwen, zoo ook nu, door deze overspannen voorstellingen verleid worden, mag dan, zoo vragen we, van ons gevergd, dat we, ter wille van personen, de waarheid verzwijgen zullen, en mag er dan aanmerking op vallen, dat we de dingen noemen bij hun naam?

Neen, bij God, er hangt te veel aan. Te veel voor deze broederen zelven en de zielen die hen naloopen. Te veel voor de rust des gemoede en de kracht der godzaligheid. Te veel bovenal voor de eere van Gods heiligen Naam!

Natuurlijk eerbiedigen we ieders vrijheid, en al hadden we de macht, we zouden er niet aan denken dezen broederen het zwijgen op te leggen, ook al blijven we het onzedelijk keuren dat ze om deze verwoesting van het gereformeerde leven te drijven, den euvelen moed hebben, leeraars te blijven in een gereformeerde kerk.

Maar juist omdat we die vrijheid ook van de dolende |61| overtuiging als een palladium voor de eere van Gods waarheid liefhebben, dient er dan ook tegenover de dwaling haar bestrijding te staan, en behoort een iegelijk die dezen weg meê opgaat, wel te weten, hoe jammerlijk hij meewerkt, om het ideaal van Gods heiligheid te verlagen, en daarmee den wortel van het Christelijk leven te ontblooten.

Voorts wijl we weten dat deze broederen gewoon zijn, zich nog op de Heilige Schrift te beroepen, zullen we er alsnu toe overgaan hen voet voor voet ook van dat heilig terrein af te dringen, daarbij, zoo voor hen als voor ons zelven, gedachtig aan de bede die Jezus niet aan wereldlingen; maar aan zijn beste discipelen op de lippen leï: „Onze Vaderen die in de hemelen zijt, vergeef ons onze schulden!” |62|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ VI, De Heraut No. 21 (28 april 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004