V. Geen weeroprichting van het werkverbond!


Die door de gewoonte de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding des goeds en des kwaads.

Hebr. 5 : 14. a


Twee dingen zijn alzoo vast te houden: ook al stierf een kind van God terstond na zijne bekeering, toch zou voor den troon des eeuwige zijn heiligmaking onberispelijk zijn, — maar ook, wordt hem na zijne bekeering nog een leven op aarde toegeschikt, dan moet er, gevallen van krankzinnigheid uitgenomen, wel terdeege een waarneembare toeneming in heiligen zin en een in het oog springende afkeering van de zonde plaats grijpen.

Er mag in het leven na de bekeering nooit ontbreken wat men proces noemt, d.i. een gestadige ontwikkeling van kracht, een voortdurende ontplooiing van het schoon des hoogere levens, een steeds uitbotten en rijpen van vrucht. Stilstand is een eigenschap van den dood, maar niet van het leven. Een zoo machtige overgang als van |44| het rijk der duisternis in het Koninkrijk van den Zoon der liefde kan niet verborgen blijven. Een kind van God en „het licht onder de korenmaat” hooren niet bijéén.

Dat proces des nieuwen levens nu heeft drie verschillende kanten waaruit men het bezien kan, naargelang het 1. Door God zelf in ons gewerkt; 2 door ons persoonlijk ik in den geloove tot het onze gemaakt; en 3. voor de wereld in vruchten der dankbaarheid openbaar wordt.

Aan den pas bekeerde geeft, wat het eerste punt betreft, de Heilige Geest noch niet de spijze die Hij aan den geoefenden schenkt, er komen bij voortgaande ervaringen aan Gods kinderen openbaringen van kennis, ontsluitingen van een innige gemeenschap met den Heiland, bovenal bevindingen van kracht en genietingen van zaligheid toe, die aan den pas bekeerde nog onthouden moeten worden, wijl ze hem nog te machtig zouden zijn en de geregelde orde ook bij deze inwerkingen van den Geest niet kán worden veronzachtzaamd.

Evenzoo blijft, voor wat, ten tweede, ons persoonlijk ik aangaat de geloofsmacht bij het kind van God niet van den beginne tot den einde aan zichzelf gelijk. Wel is het geloofsvermogen in de eerste dagen na de bekeering zeer krachtig werkend. Maar dit is een natuurlijke óverspanning, die altijd vast na eenigen tijd, door inzinking achtervolgd wordt. Dan eerst komt de oefening komt de zielservaring, komt de geestelijke bevinding, en leert het persoonlijk geloof, door vallen en opstaan, hoe het op de paden des Heeren te loopen heeft. Daardoor worden de enkele vaster, de werking van het geloofsvermogen geregelder, hecht het zich inniger aan het Woord des Heeren, en leert het door bittere |45| teleurstelling, de krachtsverspilling van het óvergeloof en de Godverzoeking van het vertooningsgeloof wel af.

En, eindelijk, komt dan ook, ten derde, in de vruchten deze gezonde groeikracht van het groen geworden hout uit. De ongeloofelijke kracht namelijk van de gewoonte, die voor zijn bekeering in den dienst der zonde was, begint thans allengs in den dienst van het heilige over te gaan, de poel blijft wel goddelooslijk uitdampen uit den verpesten kuil van den natuur waarin we geboren zijn, maar de giftige dampen kunnen in zijn menschelijk organisme niet meer zoo sterk doordringen. De vermogens van zijn geest, de vleugelen van zijn ziel en de zintuigen van zijn lichaam ontvangen al meer een plooi, die maakt dat met gelijke krachtsinspanning voortaan al overvloediger resultaat verkregen wordt, en alzoo is de pas gezette vrucht beter tegen de koude nachtvorsten gehard.

Toch verlieze men nimmer uit het oog, dat het geloofsproces in Gods kinderen noch bij allen eenzelfden vorm draagt noch ook in alle oogenblikken en tijden zich zelf gelijk blijft.

Gij vindt Christenen bij wie dit geestelijk proces een volkomen geleidelijke ontwikkeling vertoont en met onverstoorbare gelijkmatigheid zijn heerlijken weg vervolgt. Maar deze zijn de minsten in aantal en, tegen hen over staan tal van broederen, die nu eenstehard, dan weêr te zacht loopen of door onvoorzichtigheid in kuilen vallen, waaruit ze dan straks weêr moeten opkomen. Anderen weêr, die lang winteren, om bijna zonder lente in een laten zomer over te springen. Ja, ge vindt er ook, bij wie ge slechts nu en dan de vonk ziet opgloren, die u de overtuiging hergeeft, dat er onder die doode asch toch iets smeult. |46|

Dat hangt af van de nawerking van het verleden of van de omgeving die ons bewerkt; af van de leidende geesten onder wier beademing we komen, af van de grondneiging van ons karakter; af van de oprechtheid of leugenachtigheid van ons vroom willen en bedoelen, of ook van de vrijmachtige verscheidenheid, waarin het den Heiligen Geest belieft zijn heerlijke glansen te doen uitstralen.

Maar welk verloop dit heiligingsproces ook bij ons neme, déze drie verschijnselen zijn daarvan onafscheidelijk: ten eerste, dat bij korter of langer tusschenpoozen weêr zondige uitwerkselen zich tusschen de werkingen van het goede indringen; ten tweede, dat aan alle werkingen van het goede iets heiligs ontbreekt, dat er aan zijn moest, en iets besmets aankleeft dat er niet aan hoorde; en ten derde, dat voor het bewustzijn van de uitverkorenen zelf hun schuld al grooter en hun heiligheid steeds onvoldoender wordt.

Over elk dezer drie een kort woord ter toelichting.

Vooreerst dan: de reeks van goede werken wordt altijd weêr door uitwerkselen der zonde afgebroken.

De tegenwerping, dat toch de volmaakbaarheidsdrijvers het tegendeel beweren, en dat men in Christelijke bedehuizen de heiligschennende taal heeft moeten aanhooren, dat een zondaar zeggen dorst: „Wie uwer overtuigt mij van zonden!”, of ook een ander roemen dorst „in deze laatste dertig jaren geen enkele zonde bedreven te hebben” — bewijst tegen onze stelling niets. Of acht ge dat de stelling: „Om te slapen moet het lichaam in rust zijn”, moet opgegeven ter wille der slaapwandelaars; of wel, dat de stelling: „Met de oogen toe, ziet men niet,” door den clair-voyant |47| onhoudbaar wordt; of ook, dat de Goddelijke stelling; „Een vrouw zal met smarte baren” wordt opgeheven door het feit, dat zich te laten chloroformiseeren almeer het waagstuk veler barenden werd?

Immers, het komt bij zulk een onderzoek er op aan, niet wat enkele individuen beweren, maar wat de gewóne zielsbevinding is. Hoe het in den regel toegaat. Bovenal hoe het toegaat als het normaal gaat, d.i. gaat naar Gods Woord.

Uitzonderingen, bovenal indien ze, gelijk hier, ingebeeld zijn, bevestigen den regel en stooten dien allerminst omver.

Zijn er dan ook onder Gods kinderen enthousiasten, die de nuchterheid des Geestes prijsgeven, zich dronken drinken aan den wijn hunner bezwijmeling, en zich, òf door onvoorzichtigheid òf met opzet, bedwelmen laten, dan rekenen zulke broeders slechts in zooverre meê, als uit hun geestelijke overspanning, niet tot wat werkelijk in hen omgaat, maar wel tot het tegendeel mag besloten worden.

Ten tweede, zelfs aan onze beste werken ontbreekt iets heiligs en kleeft een smet.

Ongetwijfeld komen de krachten des hoogeren levens blank als sneeuw van boven en met meer dan aardsche reinheid tot ons hart.

Maar als ge nu witte sneeuw op een met slip bezoedelden bodem doet vallen, kan ze dan bij de vermenging wit blijven?

En hoe zou dan, bidden we u, het heilige Gods, dat vlekkeloos rein in ons gaat, onbesmet weer in goede werken uit ons kunnen te voorschijn komen, indien het daartoe den onreine en onzuiveren weg doorloopen moet van een bezoedeld menschelijk organisme? |48|

Ook al stelt men dus voor een oogenblik, dat voor zeker heilig werk de aandrift geheel van boven kwam en de wilswerking ongebroken was en het geloof onvermengd bleef, zelfs dan nog zou dat heilig werk het stofgoud van de vleugelen verloren hebben, eer het als vrucht onzer liefde aan den stam onzes levens werd geplakt.

En kan uit dien hoofde niets onbesmets van ons uitgaan, even uit denzelfde oorzaak stuit ge bij elk goed werk op een tekort.

Een tekort, niet alsof de genade Gods niet volkomen waren, maar zoo dat het onvolkomen werktuig, waardoor wij die genade in ons opnemen, den vollen stroom des levens niet doorlaat. De mond des geloofs kan zich daartoe nog niet wijd genoeg opendoen. En ook al steldet ge, dat het geloof zichzelf daartoe overtreffen kon, dan nog zou de gloed des levens bij zijn doorgang door ons koud wezen afkoelen, en een deel van de ontvangen kracht verloren raken, eer ze in het verborgene den weg had afgelegd, die van den wortel onzes levens door stam en kroon en tak naar bloesemknop en vrucht leidt.

God drieëenig is zeer zeker almachtig, maar die almacht heeft zichzelve in de begrensde natuur van het schepsel vrijmachtig een perk gesteld.

Zoomin nu als Gods almacht de wateren van den Oceaan in de bedding van de Zuiderzee zou kunnen besluiten, evenmin kan de almacht van Gods genade de volheid van zijn leven opeenmaal doen invloeien in een nog onontwikkeld, beperkt en nog onafgewerkt geestelijk creatuur.

Op dien grond leerde dan ook onze vaderen, en leeren wij met hen, dat een kind Gods, zelfs bij zijn beste |49| werken, voor wat ontbreekt nog de aanvulling van de plaats bekleedende gerechtigheid Christi behoeft, en voor wat er is de bedekking niet ontberen kan van de verzoening die er is in zijn offerande.

En dienovereenkomstig voegden we aan deze beide daarom ten slotte nog deze stelling toe: Voor het bewustzijn van Godsuitverkorenen wordt hun schuld al grooter en hun heiligheid al meer onvoldoende.

De schatten die er in het bloed van den Zoon van God, in zijn kruisverdiensten en in zijn doodsangsten liggen, zijn dermate overrijk en overheerlijk, dat men eerst van lieverleê en allengs ook dan nog slechts bij benadering, er de onbeschrijfelijke majesteit van kennen leert.

Deze verworven schat van balsem der ziel is namelijk van dien aard, dat hij niet dan door hem op de wonde te leggen kan gewaardeerd worden.

Hoe verder men dus doordringt in de keunisse der zonde en op die telkens beter gekende zonde voller en overvloediger dat bloed van den Zone Gods ter verzoening door het geloof toepast, des te onbelemmerder wordt ook ons inzicht in het wonder van Golgotha.

En dat langs drieërlei weg.

Allereerst doordien Gods kinderen, eerst bij voortgang in geestelijk leven, een ook maar eenigermate adaequaat inzicht krijgen in het diep verdervelijk wezen der zonde als zonde. Hoe hooger men klimt hoe ontzettender het inzicht wordt in de diepte waarin men dreigde neêr te storten. En zoo ook wordt eerst bij ons wassen in genade van lieverleê voor ons oog de schrikkelijkheid des verderfs openbaar waarvan de Heer der heerlijkheid ons door zijn bloed en tranen heeft verlost. |50|

Dan gaat bij het rijzen van de Zonne der gerechtigheid boven de kimme eerst van lieverleê dat vollere licht over ons verleden op, waardoor we in der waarheid ons vroeger leven buiten den Christus leeren haten en verfoeien.

Wel snijden we dit leven reeds af bij de bekeering, maar meer instinctmatig dan met klaar bewustzijn, en dat wel om de eenvoudige reden, dat de maatstaf om zonde en heiligheid te meten ons dan nog ontbreekt.

Maar krijgen we daar allengs kennis aan, dan begint ook dat verleden al zwarter te worden, niet om ons bij vernieuwing de ziel te beangstigen, maar om steeds dieper en voller ons te baden in de heerlijkheid van die kruisverdiensten, waardoor we van zúlk een schuld zijn verlost.

En ten slotte, klimt het schuldbesef evenzeer, wijl we ook bij onze beste werken, al meer letten gaan op de schuldige en zondige bijmengselen van onze onheilige bedoelingen.

Er komt meer verlichting, daardoor meer opmerkzaamheid en fijne tact, en „door de gewoonte worden de zinnen geoefend tot onderscheiding tusschen goed en kwaad.”

Zoo leert men allengs smetten zien, waar men eerst zich in eigen voortreffelijkheid behaagde, en het einde is, dat we zelf al minder worden en Christus almeer wast voor ons geloof.

Dat tegelijk hiermeê voor het besef van Gods uitverkorenen hun heiligheid al onvoldoender wordt, is van dit dieper indringen in het wezen der zonde slechts de keerzijde.

Wat heilig en goed en gerechtig is meenen we eerst |51| zelf wel te kunnen uitmaken. We gaan dan af op eigen inbeelding meten dan met den staandaard des zedelijken levens, die in onze vrome omgeving geldt, en rekenen dus naar een menschelijke wet.

Maar komt er genade, dan houden we het bij die menschelijke wet, die niets dan afgoderij in haar wortel en dood in haar vrucht is, niet uit.

De Heilige geest dringt ons dan naar Gods wet!

Wij zouden er niet heen willen, want die wet is een verterend vuur, dat niets geheels aan ons laat.

Maar weêrstand baat niet. We moeten er aan. We moeten in dat vuur. De Geest gunt ons geen ruste.

En leven we dan, na in die eischende wet Gods geheel verteerd te zijn, in de volbrachte wet Gods, d.i. Christus, weêr glorieuslijk op, dan ziet ons oog ook iets anders dan vroeger, dat meet het met een anderen maatstaf, dan rekent het bij alle geestelijke becijfering van nu aan met de oneindige Goddelijke differentiaal, d.w.z. dan meet Gods kind alle dingen en laat zich zelf en zijn werk door den Heiligen Geest meten, „naar de wet Gods” in haar oneindige geestelijke verdieping, of, wil men korter nog, naar de negen geboden met het tiende als Commentaar en Christus als Uitlegger.

Daartoe allengs gerakende bespeurt alsdan het kind van God hoe onheiliglijk laag en beschamend klein hij, om zich zelf te dekken, dusver van de heligheid zijns Gods geoordeeld had, en ziet nu, in Christus geborgen, bij Geesteslicht die heiligheden van Gods Drieëenig wezen al grooter, al rijker, al heerlijker worden, ja zoo in schittering en luister groeien en toenemen, dat al zijn eigen werk er al schameler en nietiger bij wegzinkt |52| en hij beseffen gaat, wat zonde en hoovaardij het was, toen hij eerst een tijdlang de majesteit des Heeren naar zijn eigen geestelijke gebrekkigheid verkleinen dorst.

Zoo is er dan in den begenadigde een geestelijk proces, dat hem Christi bloed al dierbaarder en de heiligheden Gods al heerlijker maakt en juist daarom eêler vruchten in hem rijpen doet, wijl ze uit oprechter geloof, d.i. uit dieper wegwerping van zich zelven, voortkwamen.

Ziedaar dan de keten, die de roeping van Gods kinderen met hun verheerlijking saám verbindt, en waarin geen enkele der schalmen, waarop we wezen, kan uitvallen.

Wie nu anders leert, die richt hetwerkverbond na de bekeering weêr op, vervormt de deugden Gods naar eigen hebbelijkheid, en raakt in zijn bedriegelijken waan al verder af van die waarachtige en zaligmakende kennisse Gods, waarin het eeuwige leven schuilt.

Als Icarus zweeft hij hooger dan God het een mensch op aarde gegeven heeft, maar om, als straks de was aan de vleugelen wegsmelt, dieper neêr te storten, dan het naar Gods aanbiddelijk bestel voor zijn kinderen reeds op aarde was verordend. |53|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ V, De Heraut No. 19 (14 april 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004