IV. In of buiten Christus gerekend?


Ik leef, maar niet meer ik, Christus leeft in mij.

Gal. 2 : 20. a


Is in ons vorig artikel uiteengezet in wat zin „wij midden in den dood liggen” en „alleen God den zondaar, die dood was, levend maakt,” thans komt het dan aan op de juiste onderscheiding van het werk Gods aan dien zondaar, die „levend gemaakt is.”

Door de roeping komt „de eisch” om op te staan uit de dooden tot ons. Door de wedergeboorte wordt ons „de kracht” om op te staan toegebracht. Door de bekeering wordt de wil er toe geneigd om die kracht ter opstanding „haar werking” te laten doen. En in de heiligmaking wordt wil en kracht in harmonie gezet, om zoo „het zelfbewustzijn” als „de uiting” des nieuwen levens tot waarheid te maken.

De „heiligmaking” is dus niet óns werk, waarmeê wij tot God naderen, maar zijn genadegave waarmeê Hij zijn heiligen toekomt. Niet een natuurlijke werking van ons herboren gemoed, maar een tweede weldaad die ons uit ontferming wordt toegebracht. Een |34| uitnemendheid die we, zelfs ná onze bekeering, uit ons zelven nooit bekomen zouden, maar die (in weerwil van onzen toeleg om ook dat nieuwe leven voor ons zélf te nemen en dus te verzondigen) in ons gewrocht wordt door een machtdaad Gods.

Ze is verder een bovennatuurlijke genadegave, d.w.z. indien den bekeerde het Woord wordt voorgehouden, zonder meer; indien er niets dan een uitwendige zedelijke werking op hem uitgaat; indien het blijft bij een eisch aan het nieuwe leven om dan nu ook in daden zijn kracht te toonen; dan komt er hoogstens een vooze, verkankerde vrucht te voorschijn, die met „heiligmaking” niets gemeen heeft. Om tot dat „edele” te geraken is, behalve die „zedelijke” werking door het Woord, die hoogstens als middel dienst doet, nog de eigenlijke innerlijke werking van den Heiligen Geest noodig, die op bovennatuurlijke wijs een Gode betamelijke geschiktheid in ons hart instort en ons wandelen doet in zijn paden.

Bij onbekeerden kan daarom wel van „deugdsbetrachting,” maar nooit van „heiligmaking” sprake zijn. „Heiligmaking” is het uitsluitend privilegie van Gods kinderen, waarbij zij Gods akkerwerk zijn en Hij de Landman is.

Tweeërlei is daarbij Gods arbeid aan hun ziel, naardien Hij eerst den wil van zijn kind richt op wat Hij wil, en dan, ten tweede, als die wil, op tegenstand brekend, klagen moet: „Het goede dat ik wil, doe ik niet,” een zóó schikken van de dingen, een alzoo inrichten van de omstandigheden en zulk een instorten van krachten in zijn verlosten, dat het desniettemin tot een volbrengen van het goede komt. |35|

Van de zij der verlosten komt het dus óók bij de heiligmaking uitsluitend op het „geloof” aan. Dat is het ál, dat is het éénige, hetgeen ook in de heiligmaking, de eigenlijke daad van het schepsel is. Gelooft hij niet, d.i. waant hij een oogenblik met wat hij reeds ontving en heeft, zich zelf nu wel te kunnen heiligen, dan staat hij volkomen machteloos, is in volstrekten zin van heilige kracht beroofd, en doet niets dan nogmaals de oude zonde herhalen, nu op heilig terrein en in schijnheiligen vorm. Erkent hij daarentegen, ook na zijn bekeering: „Ik kan niet, Hij alleen kan mijns levens kracht zijn,” en komt hij er alzoo toe, uit zijn eigen leegheid tot de volheid in den Zone Gods op te zien, kortom, „gelooft” bij, o, dan vloeit het, dan stroomt het van uit den Hooge en wordt Jehovah, de almachtige Bewerker, heerlijk in zijn heiligen openbaar.

Niet alsof de kinderen Gods niet zelf, in eigen persoon. de daden van liefde en gerechtigheid zouden werken. Immers, het verschil tusschen wedergeboorte en heiligmaking bestaat juist daarin, dat de mensch bij de wederbaring volstrekt lijdelijk, en bij de heiligmaking steeds werkend is. Zoozeer zelfs zijn deze daden zijn daden, dat God ze in dit en in het toekomende leven, uit genade, beIoonen wil. Bij den Heilige is wel de oorzaak dát het er toe komt, maar Hij laat het zijn kinderen doen, door wil en kracht alzoo bij hen in beweging te zetten, dat Hij het door hen doet en zij het doen in Hem.

Met de rechtvaardigmaking staat de heiligmaking dus wel terdege op één lijn, in zooverre beide, eer wij er aan toekomen, niet ten deele, maar geheel, gaaf en volkomen, buiten ons in Christus gegeven zijn en alleen |36| door het geloof kunnen worden toegeëigend. „Evenals hadde ik het al volbracht, wat Christus voor mij volbracht, in zooverre ik zulk een weldaad met een geloovig hart aanneem!”

Gesteld derhalve, iemand stierf in het eigen oogenblik van zijn bekeering, dan zou bij zijn ontwaken in der eeuwigheid niettemin een volkomene, zij het ook een nog niet uitgewerkte, heiligheid, zijn deel zijn.

Metterdaad grijpt dit alzoo bij de uitverkorenen onder de vroeg wegstervende kinderkens plaats, die, wedergeboren in de wieg of misschien reeds van ’s moeders lijf aan met leven begenadigd, nooit tot het oefenen van heilige daden op aarde komen konden.

Slechts bestaat er tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking dit verschil, dat de rechtvaardigmaking het verzondigde verleden bedekt en de heiligmaking der nieuwe toekomst uitbrengt. Dat de rechtvaardigmaking deswege buiten ons blijft en de heiligmaking in ons gewrocht wordt. En eindelijk dat de rechtvaardigmaking de schuld en niet de smet uitdelgt, terwijl omgekeerd de heiligmaking de smet en niet de schuld doet verdwijnen.

Zoowel als de gerechtigheid vooruit verworven is, die ons bekleedt, zijn ook de heilige „werken vooruit bereid, waarin we wandelen zullen” (Ef. 2 : 10), en zijn beiden alzóó door het geloof, en door niets dan het geloof, toe te eigenen, dat onze schuld in de diepte der zee komt te liggen, en „die heilige werken” als een licht van ons uitstralen, waardoor niet wij, maar de Vader die in de hemelen is verheerlijkt worde.

Streng genomen, heeft voor ons, na onze bekeering, het leven op aarde zijn beteekenis verloren, en niets is |37| dan ook dwazer dan te meenen, dat we na onze toebrenging nog zóó lang leven moeten als noodig is, om ons voor den hemel te bereiden. Waar toch bleven dan de zuigelingen die voor het graf gebaard zijn of de bekeerden die welhaast worden uitgedragen? Neen, maar om drieërlei oorzaak laat de Heer een deel van zijn uitverkorenen, ook na hun wedergeboorte en bekeering, nog op aarde. Ten eerste, om zijn verlossingsmacht van zonde en verderf te toonen; ten tweede; om een lokaas voor anderen te zijn; en ten derde, en dat wel als hoofdzaak, opdat een licht van den Vader der lichten in de duisternis dezer wereld zou stralen en zijn naam daarin groot zou zijn.

Anders wat óns eeuwig wel of wee aangaat, houde men onveranderlijk vast en late het zich door Pelagiaan noch Enthousiast ontrooven, dat Christus een volkomen Zaligmaker is, „zoodat wij álles in Hem hebben wat tot onze zaligheid van noode is.” Wijsheid, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing!

Hoe dus ook bezien, God drieëenig is en blijft onze Heiligmaker, en wat Gods kinderen op aarde te doen hebben, is niet zich zelven heilig te maken, wat hun toch nooit zou gelukken, maar om het in hun goede werken aan vriend en vijand te doen zien, dat Hij, die hun de heiligmaking toebracht en aldoor toebrengt, niet dood is, maar leeft.

Het geheim van deze schijnbare tegenstrijdigheid schuilt in de verborgenheid van Christus wondere gemeenschap met de zijnen.

Dat wonder is niet onder woorden te brengen. Slechts door vergelijking beeldt de Schrift het ons af, nu eens van een wijnstok sprekende, waarop we als ranken |38| tieren; dan van ééne plant, waartoe we met Hem behooren; dan weêr van één lichaam waarvan we als leden onder Hem, het Hoofd, staan; of ook als waren we een product van het eten van Hem die het brood des levens is en van het drinken van zijn bloed.

Doch in wat vorm ook uitgedrukt, hierop komt ontwijfelbaar deze gemeenschap, deze unio mystica, deze sleutel aller kennisse neêr, dat de wedergeborene, op zich zelf genomen, niets is noch heeft, maar al wat hij is en heeft, slechts wierd en is en zijn zal door en krachtens zijn saâmverbonden zijn met den Zoon van God.

Een zelfstandig, d.i. op zich zelf staand leven van Gods kinderen, is er niet en is ondenkbaar.

Zoomin het schijnsel blijft als ge het licht u wegdenkt, zoomin blijft er in den geloovige geur of smaak van eeuwig leven, als ge hem losgemaakt denkt van zijn Heer.

Hij werd niet uitverkoren dan in Christus, niet toegebracht dan door Hem, niet levend gemaakt dan in zijn kracht en zoo ook leeft hij geen oogenblik, is hij geen oogenblik ontzondigd noch geheiligd of bekwaamd tot iets dat niet verwerpelijk is dan doordien en voorzoover de levensgemeenschap tusschen Christus en zijn ziel aanwezig, werkend en vruchtdragend is.

Christus is de atmospheer, het element waarin hij zich beweegt en ademt, en tegelijk de vervulling van het niets en het ledig van zijn hart.

Dat hij leeft, wil juist zeggen dat niet meer hij leeft, maar dat Christus leeft in hem.

Dit mag echter nimmer in den dweepzieken zin verstaan, alsof de Christus persoonlijk den hemel zou verlaten, om in te dalen in zijn gemoed. |39|

Neen, zeer uitdrukkelijk leert de Schrift ons, dat Christus plaatselijk in den hemel blijft en met zijn verlosten slechts in verborgene geestelijke gemeenschap staat door den Heiligen Geest.

Hij is weg, maar na zijn heengaan zond Hij ons een anderen Trooster, die bij ons blijft in der eeuwigheid.

Die Heilige Geest is niet een kracht of uitstraling, maar God zelf, en gaat als God, d.i. met souvereine macht van oordeel en van liefde, in onzen inwendigen mensch in, om de bezieling onzer ziel en de Geestvan onzen geest te zijn en in de verlosten Christi als zijn tempel te wonen.

Uit dien Heiligen Geest komt ons nóch het leven noch de rechtvaardiging nóch de heiligmaking toe, maar wel dit, dat al deze schatten, die in Christus voor ons aanwezig zijn, nu ook op ons worden toegepast. „Hij neemt het niet uit het zijne, maar uit den Zoon!”

Terwijl wij namelijk, ook na onze wedergeboorte, zóó zijn, dat we de aderen des levens, waarmeê we aan den Zoon verbonden liggen, door ons onverstand en onze verkeerdheid, eer toedrukken dan werken laten, en dus met al onzen schat voor oogen, nochtans koud, onbezield en machteloos, d.i. ongetroost zouden neêrzitten, glijdt de Heilige Geest dan als de van God gezonden Trooster in het verborgen van ons innerlijk leven, om aan die levensaderen hun werking terug te geven en met den gloed des hoogeren levens uit Christus weêr koestering aan te brengen in ons verkleumd gemoed.

Ware nu die Heilige Geest slechts een kracht en niet persoonlijk God, dan zouden wij het natuurlijk zijn, die dien Geest bezigden. Maar nu die Heilige Geest |40| wel in der waarheid God is, te prijzen in eeuwigheid, nu is het die Geest, die ons aandrijft, ons omzet naar den wil des Heiligen, en ons bezielt.

Daarin nu hcéft dan ook de strijd tusschen vleesch en geest in de geloovigen zijn oorsprong.

De persoon (niet zijn „geest, zijn ziel of zijn lichaam”) wordt bekeerd. In hém, in zijn ik, in zijn ongrijpbaar menschelijk wezen is het ongeloof nu geloof en wat van Sathan was alsnu van God en zijne Christus geworden; niet krachtens wat in dat ik schuilt, maar krachtens hetgeen voor dat ik in den Christus verborgen is bij God.

Eerst daarna kan dus het nieuwe leven allengs een aanvang maken met de dienstbaarstelling van „de leden”, gelijk Paulus het in Rom. VI noemt, aan Christus en zijn gerechtigheid. Die „leden”, d.i. de instrumenten van geest, ziel en lichaam met al hun vermogens en krachten, die dusver voertuig waren voor wat tegen God inging, moeten nu voertuig worden voor wat God verheerlijkt. Maar dit kan niet dan met geweld. Want het raderwerk ligt stuk en verwrongen en heeft zijn gang en loop genomen, naar de zonde het wilde. Het werkt dus bij het geloof niet meê, maar tegen. Let wel, niet slechts uw lichaam, maar ook uw ziel, en zelfs uw geest die in u is, en evenzoo de vermogens die bij deze drie hooren.

Dat alles saâm heet uw „vleesch” of ook „de oude mensch” of ook „de ijdele wandeling die u van de vaderen overgeleverd is”, of ook „het lichaam” d.i. „de bewerktuiging des doods” met al haar zondige lusten en haar neigen en hellen naar het graf. En daartegen nu strijdt de Geest in u, om des ondanks „deze leden” alsnu dienstbaar te maken aan wat van God komt; die |41| bedding, waar het modderig slib in vastraakte, alsnu dienstbaar te maken aan het stroomen van het water ,des levens; en die vensters die door bezoedeling ondoordringbaar waren geworden, nu toch te doordringen en er stralen doorheen te schieten van het licht uit God.

Dit maakt dat er allengs, niet zoozeer in de werking van deze leden een hebbelijkheid ontstaat om zich voor het heilige te leenen, maar dat allengs uw nieuwe mensch, uw wedergeboren ik, bezield en aangedreven door den Trooster, de hebbelijkheid krijgt om die leden tot het vereischte oogmerk te dwingen, d.i. door de kracht die van Christus’ kruisverdiensten. uitgaat den ouden mensch met zijn begeerlijkheden, en de lusten des vleesches te kruisigen, te dooden en te begraven.

Zoo wordt gij, d.i. uw ik dat gelooft, wijl het leeft ,en leeft voor -zooveel het gelooft, door den Heiligen Geest aangedaan met heiligen zin, met heilige kracht en heilige vatbaarheid, om zoo dikwijls ge den Geest weer werken laat en niet weêrstaat, aan den ouden mensch te toonen, dat de rollen zijn omgekeerd en Jezus sterker is dan uw vleesch.

Met dien verstande echter, dat ook hier de genade Gods redelijk blijft en nimmer magischer-wijze toovert. Nooit dus zóó, alsof Christus het ééne oogenblik „al uw leden” geheel en volkomen buigen zou naar uw wil, om straks weêr slechts ten halve het vleesch in u te bedwingen, maar in dien zin, dat „het stellen van uw leden tot dienstknechten der gerechtigheid” een arbeid van geleidelijken voortgang is, zoodat door strijd en beproeving en door oefening der zinnen dit proces slechts langzaam, naar den eisch van alle organisch leven, gelukt. |42|

Tevens gaat het daarbij niet naar willekeur, doch naar de van God gestelde orde toe. Ook de „leden der ongerechtigheid” worden bewerkt „een iegelijk in zijn orde,” naar gelang bij den éénen of den anderen van Gods kinderen de loop van heel het raderwerk door geest of wil of lichaam zijn richting had gekregen.

En wat men ten slotte vooral niet vergete, ook in het gunstigste geval en bij de sterkste bedwinging blijven „die leden” toch altijd dienstknechten. D.w.z. ze dienen den Christus omdat ze moeten. Omdat het geloof hun te machtig is. Wijl ze niet anders kunnen.

Maar van nature blijven ze ten einde toe tegenstribbelen. Als egn veer zijn ze die omlaag blijft, zoolang ge die met machtige hand neêrhoudt; maar laat ge ze los, dan springt ze weêr ijlings op! |43|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ IV, De Heraut No. 18 (7 april 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004