III. Terug naar de Schrift!


En de God des vredes heilige u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worden onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.

1 Thes. V : 23. a


Wie de „volmaakbaarheid” leert, diens geheele Schriftkennis is in de war.

Men moet nooit zich inbeelden, dat de drijvers van zulk een dwaling voor het overige gezond van harte in Gods woord staan en slechts op dat ééne punt krank zijn. Neen, wie zulk een dwaling voortplant, is altijd òf een verwarde van geest òf een denker, die denkt tegen Gods Woord in.

Hij kan een „verwarde van geest” zijn (en dat komt vooral in onze dagen veelvuldig voor) doordien het hem hapert aan degelijke kennis, en dus aan geregeld onderzoek, of ook, aan een ordelijk verband van wat hij in zich opnam. Men heeft dan eigenlijk nooit den dieperen samenhang van Gods heilige mysteriën doorworsteld; voelt daardoor niet, hoe al deze heilige schakelen tot |24| één keten aaneen zitten geklonken; en komt er daardoor toe, zonder het minste boos opzet, louter uit onkunde, door de eenzijdige bekoring van een verrukkelijke gedachte verleid, op den rok zonder naad een stuk van geheel andere stof te willen rijgen, of steen te willen vastsmeden aan goud.

Of ook men kan, gelijk Molino of Poiret, een zeer kundig denker zijn, maar om, in stee van in gehoorzaamheid aan de Schrift slechts ná te denken, wat vóór ons en ons ten behoeve gedacht is in Gods Woord, met zondige hoogheid die Schrift aan zijn eigen geest te onderwerpen, ’tzij ten einde haar aan flarden te rijten, gelijk de afvallige doet; ’t zij dan om haar als steunsels voor zijn eigen dwaling te misbruiken, gelijk de ketter.

Maar uit welken dier beide hoeken de valsche adem der „volmaakbaarheidsleer” u ook tegenwaaie, altijd kunt ge zeker zijn dat ge met een fundamenteele verkeerdheid in geheel de Theologie van zulk een drijver te worstelen hebt, en derhalve tot een omzichtig uitzetten van de bakens, eer ge hem bestrijden gaat, verplicht zijt.

Zij daarom ook onzerzijds vooraf uitgesproken, wat we van den zondaar en zijn toebrenging houden, opdat er geen spel met woorden zij en den lezer klaar voor oogen sta, wat in den loop van deze artikelenreeks de termen en woorden bedoelen.

En dan sta daarbij op den voorgrond, dat de mensch, naar luid der rijkste openbaring ons in de Schrift gegeven, een drievoudige bewerktuiging ontving, om met even zoovele werelden in gemeenschap te treden. T.w. zijn lichaam, waardoor hij in gemeenschap is met het stoffelijke; dan zijn ziel, waardoor hij in gemeenschap |25| staat met het onzichtbare; en eindelijk zijn geest, waardoor hij in gemeenschap treedt met de hooge geestenwereld, ’t zij met God tot zijn behoudenis of met Sathan tot zijn verderf. Dat de beide laatste, „ziel en geest” herhaaldelijk onder de ééne benaming van „ziel” worden saâmgevat, doet hierbij niets ter zake; mits men slechts klaar voor oogen houde, dat een onwedergeborene zoowel een „geest” heeft als een reeds bekeerde en geen voet aan de dwaling geve, alsof eerst door de wedergeboorte aan ziel en lichaam dat derde, de geest, zou worden toegevoegd.

Deze drie: „geest, ziel en lichaam”, zijn intusschen niet de mensch zelf; maar de drie onderscheiden organismen, die hij van zijn Schepper ontvangen heeft. Gij, uw persoon, uw ik, of hoe ge het noemen wilt, hebt de beschikking óver elk dezer drie ontvangen. Zij zijn dus van u zelf onderscheiden. Het zijn de instrumenten, waarvan ge u bedient, ’t zij ten goede, indien het naar Gods wil toegaat, ’t zij ter verwoesting, indien gij ze misbruikt naar eigen willekeur.

Aan elk dezer drie nu zijn voorts vermogens geschonken. Vermogens van tweeërlei aard, naar gelang ze dienen om iets, dat buiten u is in u op te nemen, of op iets, dat buiten u is, invloed te oefenen.

Om wat buiten u is in u op te nemen, ontving uw lichaam de zintuigen, ontving uw ziel het verstand en het gevoel, en uw geest het geloof. En omgekeerd, om op wat buiten u is invloed te oefenen, schonk de Heer aan uw lichaam het vermogen om op allerlei manier physieke kracht van zich te laten uitgaan; schonk Hij aan uw ziel den „wil”; aan uw geest „de liefde”.

Werken nu al de raderen van dit kunstig raderwerk |26| gelijk het behoort, loopen ze naar Gods ordening en richten ze hun kracht op het juiste doel, dan is die geest in u, door een gestadig gelooven, aldoor bezig kracht te ontvangen uit uw God, en evenzoo om door een gestadig lieven al wat ge uit God ontvingt naar dien God weêr in liefde, Hem ter eer, te doen uitgaan. Dan kent evenzoo die ziel in u (aan die werkzaamheid van den geest ondergeschikt) geen andere bezigheid dan om door verstand en gevoel „de waarheid der dingen” die buiten u zijn, te leeren kennen, en door den wil liefde jegens den naaste te oefenen. En blijft er alzoo ten slotte voor uw lichaam geen andere dienst over, dan om door de zintuigen „onvervalschte” indrukken op te vangen en door uw alzijdige lichaamskracht het stoffelijke in den dienst der liefde te beheerschen.

Maar door de zonde is geheel dit raderwerk uit zijn voegen gelicht en wringen die raderen zich nu onderling in hun verkeerden loop stuk.

De geest gelooft niet meer, wil niet meer ontvangen uit God, maar poogt te putten uit zich zelf of leent er zich toe om voertuig te zijn voor Sathan. En evenzoo keert die Geest in u zijn liefde van God af op uzelven en verspilt in zelfzucht doelloos zijn kracht.

Dienovereenkomstig is het ook de ziel er nu niet meer om te doen om door verstand en gevoel „de waarheid der dingen” in zich op te nemen, maar om „een schijn”, een valsche onware voorstelling der dingen te vestigen, gelijk die zou moeten zijn om het ongeloof en de zelfzucht van uw geest te rechtvaardigen. En spant desgelijks de wil zich niet meer tot liefde voor den naaste, maar woelt ze machteloos om den waren toestand der dingen naar valsche voorstelling te vervormen. |27|

En zoo ook dienen de zintuigen bij het lichaam niet meer om „zuivere indrukken” te ontvangen, maar om met onverzadelijk begeeren dat zichtbare naar zich toe te zuigen; en wordt ten slotte de lichaamskracht aangewend niet om de wereld aan den dienst der liefde te onderwerpen, maar om al wat is of komt aan eigen lust op te offeren.

En niet slechts dat in dier voege „geest, ziel en lichaam” in verkeerde richting werken, maar ook de vermogens die aan elk dier drie organismen geschonken waren, zijn door de zonde vervalscht en werken nu verkeerd. Het geloofsorgaan weigert en de liefde wordt zelfzuchtig of zinlijk; het verstand is verduisterd, het gevoel is verontreinigd, en evenzoo de wil machteloos geworden; ja zelfs de zintuigen hebben hun adel verloren en onze lichaamskracht is, onder den vloek, tot een schaduw verlaagd van wat ze eens was.

Eindelijk, om er ook dit nog bij te voegen, naar den grondaanleg van der menschen verschillende karakters ziet ge beurtelings den eenen mensch zijn geest, een tweeden zijn ziel en een derden zijn lichaam tot hoofdzetel van zijn zondig drijven kiezen.

Kiest hij het „lichaam” tot zetel van zijn zondig leven, dan verteert de zondaar in zinlijkheid; verdierlijkt zich; en komt om.

Slaat hij meer in de „ziel” de tente voor zijn zonde op, dan vergaapt hij zich aan schijnkennis van wetenschap en eigengerechtige betrachting van deugd.

En bouwt hij zich eindelijk de hutte voor zijn „zondig ik” op de spitse der bergen, in den „geest”, dan is de kanker der hoovaardij in hem gevaren; gaat hij naar den duivel aarden; en lacht in zijn eigen verderf. |28|

Maar langs welken weg dit „dood zijn in zonden en misdaden” dit „vervreemd zijn van het leven Gods” zich ook uite, steeds schift het gif der zonde allereerst in ons ik, in onze „persoonlijkheid”, in ons onnoembaar wezen, en niet slechts in de drie instrumenten (lichaam, ziel en geest) die ons ten dienste zijn of in de vermogens die aan deze instrumenten zijn verleend.

Het kwaad tast wel ter dege óók die instrumenten van „geest, ziel en lichaam” aan en ontreddert wel gewisselijk óók die vermogens. Maar bij beide is dit slechts een afgeleid verderf, d.w.z. een verderf dat deels, als uitvloeisel van ons zondig wezen, deels als straf voor onze zouden, uit ons verdorven ik, in die bewerktuiging en in die.vermogens indrong.

Toch is de aldus neêrgeworpen zondaar allerminst een steen of blok. Integendeel, ook in die diepte zijner ellendigheid blijft hij „mensch.” Hij zou zelfs niet zoo onuitsprekelijk ellendig zijn, indien hij het niet bleef. En hetzij hij nu verloren blijft of gered wordt, zoowel in die veroordeeling als bij die redding, handelt Godmet hem op menschelijke wijze, d.w.z. houdt de Heer rekening met den aard zoo van zijn wezen als van die instrumenten en vermogens die de Heer hem als mensch gegeven had. De overblijfsels, zooals onze belijdenis het noemt, van het beeld Gods in hem, handhaven ook in zijn verdorven staat zijn „menschelijke” natuur als zoodanig.

Hierdoor is het karakter van Gods heilsopenbaring dan ook bepaald. Zoowel van die historische openbaring, waarvan de afbeelding in de Heilige schrift voor allen saam is neêrgelegd, als van die subjectieve, die bijzonderlijk plaats heeft in de ziel van den enkele. |29|

Gods openbaring aan „menschen” is een andere dan zijn openbaring aan de „engelen”; en ovenzoo zijn openbaring aan den „zondaar” is en moet een andere zijn dan zijn openbaring in het Paradijs was.

Alzoo toch schikt de Heer in zijn neêrbuigende goedheid zich naar de gesteldheid waarin de zondaar thans feitelijk verkeert, dat ze altijd past op zijn toestand, ’t zij om hem schuldig te stellen wijl hij niet gelooft, ’t zij om het innerlijk genadewerk tot bewustzijn te brengen, indien het geloof in hem ontluikt.

Er is in die openbaring op een bezoedeld lichaam, op een zich zelf behagende ziel, op een in hoovaardij verteerden geest gerekend. Gerekend op verontreinigde en verzwakte zintuigen, op een verdoold denken, op een vervalschten wil, op een verbijsterde liefde, op een geloofsschijn die geen waarheid is. En gerekend bovenal op een zich zelf verafgodend eigen ik, dat achter dit geheele raderwerk wegschuilt en er zich de handen en de vingeren aan stuk wrong.

Tegenover deze openbaring in de Heilige Schrift staat de zondaar door eigen schuld dus indiervoege, dat hij er wel door veroordeeld, maar er niet door gered kan worden, tenzij de Heer nog een tweede liefdesopenbaring aan de eerste toevoege en hem nu ook persoonlijk begenadige in de ziel.

Ja zoo diep en schrikkelijk is de verdorven staat waarin de zondaar zich door de zonde geworpen heeft, dat geheel het werk der wedergeboorte en der wederlevendmaking, zoo in zijn „voorbereiding” als in zijn „uitvoering”, alleen en uitsluitend van den Drieëenigen God kan uitgaan.

Er is geen voorbereidende genade van den kant des |30| menschen, maar alleen van Gods zij, en zelfs door die genade die God almachtig voorbereidt komt het nog nooit of nimmer zóó ver, dat de zondaar, na afloop van die voorbereiding, het nu zelf wel áf zou kunnen, maar blijft steeds en onveranderlijk het feit vaststaan, dat het, zonder eenige de minste medewerking zijnerzijds, alleen Gods bovennatuurlijke inwerking door Woord en Geest is waardoor hij van dood levend wordt.

De zondaar is een zelfmoordenaar; hij heeft de hand aan zijn eigen leven geslagen; en wijl hij nu dood en des doods is, ook al voelt ge nog een tamelijke levenswarmte in hem nawerken, kán hij niet weêr opleven dan door een wonderdaad Gods.

Al wie hierop afdingt of hieraan te kort doet, geraakt in onverzoenlijken strijd met wat over de schrikkelijkheid der zonde en het uit haar gifvoorkomend bederf in de Schrift geopenbaard, door de consciëntie der verlosten in het uur hunner verbrijzeling doorleefd is, en nog, bij dagen en bij nachten, in de afschuwwekkendste feiten gezien wordt.

Noch ’s menschen schuld, noch van die schuld het besef, noch voor die schuld de verantwoordelijkheid, noch over die schuld het berouw, mag, door wien ook, hiermeê als weggecijferd worden beschouwd.

Dit mág niet, overmits God de Heer ons het tegendeel in zijn heilig Woord als reëel openbaart. Mag niet, omdat deze feiten Gods in de consciëntie even vast en onwrikbaar staan als alle overige daden Gods in ons inwendig leven. En mag evenzeer niet, wijl èn in de vertwijfeling der bij uitstek schuldigen, èn in de verbrijzeling der kinderen Gods, het feitelijk samengaan van de volslagen onmacht des zondaars en het sterke |31| werken der consciëntie, onherroepelijk en op onloochenbare wijze blijkt.

Immers dat wij met ons vervalscht zintuig en ons ontspoord verstand de lijnen waarlangs beide feiten in eenzelfde punt van Gods wondere glorie saâmloopen, nu niet meer, of wilt ge, nog niet, ten einde toe volgen kunnen, is hiermeê zoo weinig in tegenspraak, dat het er veeleer uit volgt.

Ware het anders, dan zou òf het samenstel van ons wezen, òf de inwerking van de zonde óp dat samenstel, anders moeten zijn dan we, op grond der Schrift en in overeenstemming met de belijdenis der gezuiverde Kerken, aangaven.

Niet op ons, maar juist op de ondiepe geesten, die de alverwoestende werking der zonde loochenen, rust dan ook de onmogelijke plicht, om reeds in deze nevelen de zuivere harmonie aan te toonen tusschen wat in ons omgaat en van Godswege aan ons geschiedt.

Wij voor ons kunnen slechts weêrgeven wat en zóóals God het in zijn Woord ons gaf; geheel afgezien van de vraag of we er tevens in slagen het in zúlk een orde saâm te leggen, dat wij zien dát het past.

En dan houde men, op het stuk van de redding des zondaars, van meet af steeds en gelijkelijk deze twee vast: ten eerste, God de Heere maakt door de wedergeboorte dat de zondaar het vermogen terugerlangt om te gelooven; en ten andere, Hij brengt hem door de daad der wedergeboorte niet tot een nieuw zelfstandig, geïsoleerd leven, maar in levensgemeenschap met den Christus.

„Gerechtvaardigd door het geloof in den Borg!” is daarom ook de eenige formule waarin de verbrijzelde zondaar ooit rust vond. |32|

Niet „leven”, niet „kracht” maar geloof, en dat geloof, voor wat het vermogen en den wil er toe aangaat, een gave Gods: ziedaar het middel ter behoudenis, maar om dan ook door dat geloof in een wondere, verborgene, onbeschrijflijke gemeenschap te treden met het „leven” en de „kracht” van den Middelaar.

„Wat moet ik doen om zalig te worden?” is de vraag der beangsten van ziel, waarop nooit een ander antwoord volgen mag dan het levensrefrein, dat in een enkel accoord zoo heerlijk deze beide factoren ineen doet vloeien: Geloof, ja, maar neen dat is niet genoeg, „geloof in den Heere Jezus Christus!

Hiermeê is uitgesproken dat ook een geredde in zich zelf niets is en blijft: dat zijn wassen in Christus wel een veranderde gesteldheid van zijn innerlijk raderwerk aanduidt, maar nooit met een allengs vol worden van het eerste leêge glas mag vergeleken; en dat de strijd tuschen vleesch en geest niet een strijd van ’s menschen geest tegen zijn bloed of zijn lichaam is, maar integendeel de strijd van zijn nieuwe persoonlijkheid die hij in Christus gewon, tegen den ouden mensch die, in geest èn ziel èn lichaam huizend, in hem zelf eischen bleef tegen den Geest zijns Gods. |33|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ III, De Heraut No. 17 (31 maart 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004