II. Waardoor misleid?


Opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaring niet zou verheffen.

2 Cor. 12 : 7. a


De diep zondige doling der „volmaakbaarheid van Gods heiligen reeds hier op aarde” vloeit uit tweeërlei Oppervlakkigheid voort: uit een oppervlakkige voorstelling van wat Gods heiligheid eischt en uit een even zoo oppervlakkige voorstelling van wat het verderf der zonde werkt. Van beide heeft men een te geringen dunk. Men vormt zich van de heiligheid Gods een veel te laag en van het verderf der zonde een veel te licht denkbeeld, en komt er zoo ongemerkt toe, om zich in den zondaar, wiens kracht men overschat, een heiligheid, welker zuiverheid men onderschat, in te beelden als metterdaad aanwezig.

Kennisse „van God en zijn deugden,” en dientengevolge kennisse „van ons zelven en onze onheiligheid” (immers aller dege godgeleerdheid kern, vrucht en drijfkracht) is ook ál wat men ten deze behoeft, om zich tegen de besmetting dezer kettersche krankheid te |15| vrijwaren; mits deze tweevoudige kennis niet uit inbeelding en indruk opgemaakt, maar eeniglijk en zuiverlijk getrokken worde uit den Woorde Gods.

Wie op indrukken afgaat en zijn inbeeldingen tot een fundement legt, is ook hier wèg.

Wat toch is het geval?

De toestand, waarin de meesten van Gods, kinderen thans hun leven op aarde doorbrengen, staat ongelooflijk laag. Er is nauwelijks eenige verheffing des geestelijken levens. Telkens stuit ge op een zwakheid van wil, die u verontrust. Elk oogenblik hebt ge te toornen tegen een gebondenheid in de strikken der zonde, die u pijnlijk aandoet. De consciëntie werkt niet nauw. De polsslag van het bloed der ziel klopt traag. Er is verflauwing in het gelooven; machteloosheid tot verloochening; geen krachtiger gemeenschapsoefening met den Heiland; geen ijveren voor den naam des Heeren, geen overvloeiing der liefde; geen standhouden; geen volharding; geen levend gebed!

En dat lage peil neemt ge niet maar een enkel oogenblik, maar aldóór waar. In alle streken van uw eigen land is het zoo, en, naar de berichten die tot u komen, staat het in de meeste landen der Christenheid even droef geschapen. Het is uw persoonlijke, diep smartelijke ervaring en elke broeder, die u weêr zijn hart ontsloot, stort met u zijn ziel in dezelfde klacht uit. Ach, het schijnt de toestand, de blijvende, doorgaande toestand der Gemeente alzoo geworden. Tot dat zeer lage peil van geestelijk leven is de kring der heiligen op aarde, tot smading voor den naam des Heeren, maar al te bitterlijk gedaald.

Maar nu, ge hebt daar geen vrede meê; ge worstelt tegen die algemeene verachtering in genade, als ge uw |16| smeeking voor uw God brengt; o, ge dorst met heel uw ziele, of er aan het afmattende, het drukkende van dien zwoelen, lauwen dampkring geen ontkomen ware. „Heilig ons, o God der heiligheden!” wordt met klinimenden aandrang het dagelijksch roepen van den gebondenen geest in u.

Nu kan in zulk een toestand u één dezer vier overkomen:

Of dat ge een heiliger persoon ontmoet dan gij zelf zijt. Of dat ge met een kring in aanraking komt, die geestelijk iets hooger dan de uwe staat. Of dat ge op het historieblad terugleeft in een tijdperk toen de Gemeente minder diep zonk. Of ook dat u zelf de genade verleend wordt van een geestelijke verwakkering. En o, in elk dier vier gevallen begaat ge dan zoo licht dezelfde fout, die de arme begaat als hij met den rijkere in aanraking komt, van namelijk te wanen dat die rijkere nooit zorg kent, nooit den bodem van zijn geldkist ziet, en dat zijn schat onmetelijk is.

Indien men zelf zóó ongelooflijk laag staat als de meesten onzer, en er komt ons op onzen levensweg dan soms een godzalig man tegen, die, wijl het God almachtig zoo beliefde, op merkbare wijze zich ontworstelen mocht aan die algemeene, metterdaad epidemische lauwheid des geestes, o, dan dunkt ons de afstand tusschen dien bijzonderlijk begenadigde en ons eigen hart zoo onafzienbaar, zoo verreikend en bijna onmetelijk, dat we ons haast gaan inbeelden met een hemelsch persoon in aanraking te zijn geweest, en schier tot ons zelven fluisteren: „o, kwam ik ooit waar die man stond, dan was ik er!” Een uiting der ziel, die, naar ge bespeurt, van de meening dat in dien man het volmaakte bereikt was, o, zoo weinig verschilt. |17|

Hierin ligt dan ook de zielkundige verklaring, hoe Rome juist in de dagen der diepste zedeloosheid tot haar vereering van de heiligen gekomen is. Och, in het Zwitsersche Alpenland, waar álles hoog en elke heuvel een berg is, gaat men soms een alp van zes, zeven duizend voet onopgemerkt voorbij, terwijl in deze lage landen reeds een aardheuvel van eenige honderden voeten u van alle kanten als de berg wordt aangewezen. En zoo nu ook gaat het in het geestelijke toe.

In het hoogland der Apostolische tijden en der Hervorming stond reuzenalp naast reuzenalp, maar niemand vond daarin iets opmerkelijks, iets buitengewoons, en ieder zag uitnemend goed, dat zelfs de reuzenalpen nog op verre na niet aan den hoogen hemel reikten. Maar in den tijd die daar tusschen lag, in de verzinking der Kerk onder Rome, toen alles laag en zeer laag land geworden was, och, toen maakten de enkele edeler en beter figuren die hier en ginds hun kruis naar de wolken opstaken, een zóó imposanten, zoo wegsleependen, zoo betooverenden indruk, dat men, de wolken voor den hemel aanziende, dacht dat er tusschen hún kruin en den aanvang des hemels redelijkerwijs geen afstand meer kon zijn.

Aan hetzelfde gezichtsbedrog staan we natuurlijk bloot, bij een vluchtig bezoek aan geestelijke kringen, die minder diep zonken dan ònze omgeving. Stuit men b.v. hier te lande telkens op „geldgierigheid”; al meê een der machten waarin Gods volk gebonden ligt; en bespeurt men dat in Amerikaansche kringen die zondige band bijna gansch verbroken, en mild en overvloedig uitdeelen gewoonte is, — dan begaat men, o zoo licht, de vergissing van nu den geestelijken |18| toestand van zulk een ons vreemde omgeving verre te overschatten; te wanen dat met dezen brand op gelijke wijs ook alle andere strikken der zonde in dien kring der uitlandsche broeders zijn doorgesneden; en om den kleinen afstand dien ze ons vooruit zijn, dien anderen nog veel grooteren afstand geheel voorbij te zien, die ook hen nog scheidt van de heiligheden Gods.

Op geschiedkundig terrein vaak dezelfde misleiding. Geen quaestie of èn in de dagen der Apostelen en in de dagen der Hervorming, waren de werkingen van den Heiligen Geest krachtiger uitgaande en minder belemmerd, en stond dientengevolge de sneeuwlijn, als we ons zoo mogen uitdrukken, of wil men het peil, het niveau van de heiligheid der Gemeente, merkbaar hooger dan thans. Komen wij nu, te midden van onze beklagenswaarde matheid en dofheid, weer iets van die glinsteringen en schitteringen van het werk des Heeren op het historieblad te lezen, dan spreekt het immers vanzelf, dat de ziel er ons bij opspringt in ons binnenste; dat er iets in ons watertandt, of zulk een toestand ook tot ons mocht inkeeren; en dat we uit onze donkerheid in zooveel heerlijker lichtglans turende, o, zoo spoedig denken gaan, dat er van dien glans tot de glansen des hemels schier geen afstand meer bestaat.

En evenzoo nu kon het ons ten slotte ook in onzen eigen levenstoestand gebeuren, dat er, door een wondere inwerking van Gods vrijmachtige genade, schier plotseling; zoo onverhoeds, zoo nauwelijks meer ingewacht; toen we, toch geen gehoor vindende, reeds verstomd waren in onze gebeden; zulk een lossnijden van de banden van Sathan, zulk een ontbinden van de strikken der zonde, zulk een bewateren van den uitgedroogden |19| hof, zulk een overgieten met versche olie, zulk een aangrijpen en wakkerschudden van de ingezonken, versufte en dof geworden ziel in ons openbaar wierd, dat het ons was of we opeens een salto vitale, een levenssprong uit den kuil zonder water naar de oevers van de Godsrivier hadden gedaan, en ons niet anders konden inbeelden, of zaliger kon het nooit worden. Nóg verder, nóg hooger komen, neen dat nooit!

Gemeenlijk zelfs wordt men van dit viervoudig gezichtsbedrog op éénmaal het slachtoffer. Men komt in aanraking met een godzaliger dan wij zelven zijn; hoort door hem van kringen die geestelijk hooger staan dan onze eigen omgeving; begroet daarin weer iets van die machtiger Geesteswerking uit de beste tijden der Kerk; en wordt onder en bij dat alles zélf zoo sterk door den Geest bewerkt, dat het aan een opwaken uit de sluimering toekomt.

Maar nu dreigt dan ook het gevaar.

Het gevaar dat men in dien begenadigde wel voor zijn godzaligheid, maar niet voor zijn onzalige zonden; bij dien kring wel voor haar licht, maar niet voor haar schaduwzijde het oog opent; van dat glorietijdperk der Gemeente in de Hervormingsdagen wel de glorie maar niet de schande ziet; en zoo ook in zijn eigen geestelijk leven wel een verkwikking kent door nieuwe geestelijke gaven, maar tegen de nieuwe, juist daarmeê gekomen verleiding niet waakt.

Welnu, staat het zóó, dan ligt ook hier naast de heiligste hoogtepunten de diepste afgrond, en is Sathan op zijn post om u nogmaals uw eigen arglistigheid als een strop om de ziel te slaan.

Hij verleidt u dan, om die indrukken, die ontvangen |20| gewaarwordingen, die ziels-ervaringen als fundament voor uw geestelijk huis te nemen, in steê van de vastigheden van Gods Woord. Hij beleest u, om nu toch toe te zien dat ge niet weêr terugzinkt, en daarom o, zoo snel vooruit, altijd voorwaarts te dringen, zoo niet heden, en ook morgen niet, dan toch eer der maanden voortspoeden, der heiligheid Gods nabij! En wat nog het gevaarlijkst van alles is, hij brengt u dan de gewoonte bij, om èn voor wie anders denken, èn voor wie met u dien weg op willen, telkens als ge ze weêr ziet, te roemen over weêr grooter zegen, en nog machtiger genade, en nóg wonderbaarder overvloeiing van liefde, in zoo áltijd verrassender en steeds klimmende toeneming, dat de één meenen zou aan den lof van ’s Heeren kracht te kort te doen (en ook zelf wel wat in het oog der broederen te dalen), indien hij soms minder dan die andere roemde; dèrwijs, dat wie eerst wel waarlijk door den Heer werd opgetrokken, nu allengs zich zelf gaat opwinden, en ongemerkt (dat de duivelen jubelen en Gods engelen weenen) als een „heiliger dan de gemeene geloovigen” hoog zweven gaat boven de schare die verkwijnt.

Hiermee nu is het ontstaan der Volmaakbaarheidsleer niet bij de Socinianen en Arminianen, maar bij de Geestdrijvers, in al hun wemelende schakeeringen, aangetoond.

Pelagius schuilt bij déze ketterij altijd achter het scherm. Maar bij de Arminianen en Socinianen sluipt die doolgeest in het onbekeerde hart of in het zich zelf genoegzaam denken; wordt een quaestie van koele berekening; en ontaardt, na slepend ziekteverloop, in openbaren afval. Bij hen die lust hebben aan het heilige |21| daarentegen, nestelt dit kwaad zich in het vrome gemoedsleven; slaat over in zelfverheffing; en ontaardt van meet af, eer men zich desbewust is, in gevaarlijke geestdrijverij.


Gevaarlijk in tweeërlei opzicht.

Vooreerst, wijl zij de vrome, onvaste, teedere zielen in haar garen lokt en ze door een vroegrijpe ontwikkeling een knak geeft aan haar geestelijken wasdom, dien ze niet licht weer te boven komen.

Maar ook, en zeker niet minder, doordien ze het gevoel van onvoldaanheid met den bestaanden toestand, dat een oogenblik in de Gemeente geprikkeld werd, weer te kwader ure, eer het vrucht kon dragen, afstompen en onaandoenlijk maken.

De Gemeente weet wel dat het niet goed met haar is. Ze ziet het wel in, dat, ook afgescheiden van het meeslepen der zondige natuur, dat ons om der zonde wil tot onzen dood toe is opgelegd, toch de levenstoon in de Gemeente, de publieke opinie der vroomheid, indien ge wilt, de gansch ordinaire zielstoestand van Gods kinderen, een nauwere en edelere moest zijn. En soms is er dan ook in haar midden als een beroerd worden der doodsbeenderen, zich heerlijk openbarende in dieper schuldbelijden, nauwer bij het Woord leven en afdoender verloochening van de wereld, van vleeechelijke genieting, van den geldschat en van het eigen ik.

En, o, dat kón heerlijk doorwerken!

Maar melden nu te kwader ure zich de „Geestdrijvers” aan en wordt „Volmaaktbaarheid” weêr veler geestelijk speelgoed, och, dan sluit de Gemeente weêr |22| ijlings het oog voor wat haar smaad is, trekt haar geestelijke voelhorens in, en acht zich gerechtigd, om, onder rechtmatigen toorn over dit onheilig „Perfectisme”, weêr vrede met haar doodschen staat te sluiten en elk „sta op uit de dooden, o Gemeente des Heeren!” te verdenken als de onheilige deun van den vogelaar die haar verstrikken wil.

Het is nu eenmaal niet anders, en het is goed dat het zoo is: de Gemeente wil van geen heiliger levenstoon hooren, tenzij ge haar „door de diepten den weg naar boven” kunt wijzen.

Alle zelfverheffing van Gods heiligen keurt ze met een krachtig instinct, dat uitnemend gezond is, als den heiligen schadelijk af.

Niet derhalve om dien vrijbrief tot voortsluimeren in ongeestelijke dorheid te bezegelen, maar om juist aan wie inzonk, dien vrijbrief uit de hand te slaan, moet dit drijven der Volmaakbaarheidsleer worden tegengestaan.

Tegengestaan niet flauwlijk, niet ten halve, maar energiek en geheellijk.

Zoo mogelijk tegengestaan van uit het onverwinbare standpunt dat onze vaderen steeds innamen, t.w. de belijdenis dat zelfs de beste daden der allerheiligsten in dit leven onvolkomen zijn en met zonde bevlekt. |23|




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ II, De Heraut No. 16 (24 maart 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004