II. Volmaakbaarheid

I. In welk gezelschap?


Wees dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is, volmaakt is.

Matth. 5 : 48. a


Lange jaren heeft, althans in de Gereformeerde Kerken, de Volmaakbaarheids-leer geslapen. Ze school wel in de practijk; ze sloop wel in de gedachten en overleggingen; maar als leer kwam ze haar tente niet uit, en als stelsel werd ze niet gedreven.

De prediking van ’s menschen diepe zondigheid en ellendigheid was door de Gereformeerde Kerk ons volk zóó in hart en nieren, in merg en been gestoken, dat een mensch ook maar te hooren zeggen: „Ik ben de zonde kwijt; ik ben de zonde te boven; maanden, jarenlang heb ik geen zonde gedaan!” heel ons kerkelijk publiek als heiligschennende verwatenheid in de ooren klonk en als het toppunt van eigengerechtige zelfmisleiding werd veroordeeld.

De ongeestelijke kerkbezoekers wilden er niet aan, omdat hun omgang met de „geheiligden” het hun wel anders geleerd had. De zoekende zielen schrikten er |4| van terug, wijl zulk een leer haar allen moed zou geroofd hebben. En de „kleingemaaken” die de Heer uit hun gevangenis uitleidde, leefden te dicht bij het Woord, hielden zich nog te trouw aan hun Kerk, en gaven te goed op hun eigen hart acht, om tegen zoo monsterachtige dwaling ooit anders dan den diepsten weêrzin te voelen opkomen.

Vanlieverleê intusschen begon dit anders te worden.

Bij ontstentenis van een Kerk, die als een teedere moeder, gelijk Calvijn het wilde, het gif van haar kinderen afweren en het brood hun bereiden kon; bij afwezigheid in de Gemeente van een degelijke, diep doorgaande, ordelijk geschikte en onderling samenhangende kennis van de heiligheden Gods; ook door het ontbreken in de prediking van niet weinigen van dat stevige beenwerk en die welgevulde spieren, die aan zenuwen en huid eerst kracht en beteekenis kunnen geven; niet het minst vooral door het importeeren in deze landen van alsoortige ongekeurde geestelijke waar van soms zeer verdachten oorsprong, heeft metterdaad de belijdenis van ’s menschen diepe zondigheid, ook ná zijn bekeering, in veler besef een geduchten knak gekregen; zijn een groep van kwalijk toegeruste en niet onderleide geesten weer afgedoold op het spoor der oude Perfectisten; 1) en, verstrikt in hun eigen overleggingen, meenen enkelen nu reeds weer Gode een dienst te doen, door opnieuw de zoo dikwijls reeds teruggeworpen Volmaakbaarheidsleer, met het zelotisme van den renegaat te drijven.

Dit legt ons den plicht op, om nogmaals te doen wat onze vaderen reeds vier malen deden, en opnieuw de |5| onhoudbaarheid aan te toonen van de gronden, waarop deze dwalende meening rust.

Hun belijdenis op dit stuk hebben onze vaderen eerst tegenover de Roomschen, toen tegenover de Socinianen, daarna tegenover de Geestdrijvers en eindelijk tegenover de Arminianen, met klem van redenen, zegevierend verdedigd.

Die strijd is thans vergeten. De wapenen, destijds in ons kerkelijk arsenaal ter bestrijding van het Perfectisme saâmgebracht, zijn door leek en leeraar allengs als overtollige weelde uit het oog verloren. De Gemeente staat dus ongewapend tegenover den aanval die op haar geloof en haar belijdenis geschiedt. En niets is derhalve billijker, dan dat de organen der pers, die de Gemeente in haar strijd voor recht en waarheid steunen willen, die uitnemende wapenen weêr voor den dag halen; ze zoo mogelijk naar den eisch des tijds omsmeden en aanvullen; en ze dan weer uitdeelen aan wie met ons wenscht pal te staan tegen elk pogen, óók van den wedergeboren zondaar, om weer een troon voor den mensch op te richten, in stee van hem met een verbrijzeld hart neer te werpen op de voet: schabel van den troon des almachtigen Gods.

Bitterheid tegen hen die in dit dwaalspoor verliepen of er anderen heenlokken, komt daarbij niet in ons op. Zoo ergens toch, dan is wel hier het woord des Heeren van toepassing: „Wie uwer zonder zonde is, werpe den eersten steen op den schuldige!” Och, dat men het toch inzage, niet slechts de Kerken der Hervorming liggen in puin, maar ook onze godgeleerdheid ligt machteloos op haar krankbed neder, en zoo in de belijdenis der Gemeente als in de prediking die haar stichten moet, ontbreekt, niet pas sinds tien, maar sedert |6| vijftig en tachtig jaren, dat pit en die diepte en die stevige samenhang, die onmisbaar zijn, zult ge belijders kweeken, die mannen zijn uit één stuk.

Hoe zou het ons dan kunnen verwonderen, dat te midden dezer chaotische verwarring, na het achtereenvolgens weer ten tooneele treden van bijna élke ketterij en élke dwaling, ten laatste ook die verbleekte schim van het Perfectisme weêr uit de graven verrezen is en den geest van sommigen heeft verleid.

Indien we, bij eenige dege oprechtheid, met hoe hartelijk leedwezen ook, rondweg belijden moeten, dat er schier niemand huidendaags zijn waren op de markt der geesten uitstalt of er ligt wormstekige vrucht met de goede in eenzelfde korf gemengd, en allerminst met toepassing op ons zelven aan die belijdenis ontkomen kunnen, waarom zou er dan bitterheid in de ziel grimmen tegen een dolende op nog eenzame paden, alleen wijl hij op een anderen doolweg afweek dan wij.

Neen, wat er bij het pleiten voor deze vierschaar der heilige waarheid zijn mag en zijn moet, is die ernst, waaraan ieder speurt dat het pleiten meenens gaat; is dat heilig enthousiasme, waarin de vreugde tintelt, dat men verwaardigd wordt, in zoo gewichtig geding te mogen meêpleiten; is, ja, zelfs een ongeveinsd toornen tegen al wat aan de eere Gods en zijn waarheid te kort doet; maar juist om tot dien ernst bekwaamd, om met dat enthousiasme bezield, om tot dien toorn gerechtigd te zijn, dient er van uit de diepte en niet van uit de hoogte gesproken te worden en blijve men zich, vooral in den strijd tegen de leer der Volmaakbaarheid helder van eigen onvolmaaktheid bewust. |7|


*

Het vraagstuk dat hiermeê te berde komt, dient in dezer voege te worden omschreven: „Is het al dan niet den wedergeborene mogelijk reeds in dit leven tot zúlk een trap van heiligheid te geraken, dat hij noch in gedachten noch in woorden noch in werken de allervolmaaktste wet des Heeren meer overtreedt?„

Stond het aan ons, we kozen liever déze korter formuleering: „Schudt een kind van God reeds, vóór of eerst in zijn sterven algeheellijk zijn zondaarsnatuur uit?” Maar wijl van den kant onzer tegenstanders (zooals hun oppervlakkige beschouwing dit meêbracht) schier nimmer op ’s menschen natuur, maar bijna uitsluitend op de zondige of heilige uitingen, al de kracht van hun pleidooi is gericht, dunkt ons de eerst gegeven omschrijving verkieslijk.

Op deze vraag nu is door de Christelijke Kerk in deze landen, en voegen we er van heeler harte bij, overeenkomstig Gods Woord, steeds geantwoord: „Neen, dat kunnen we niet, want ook de allerheiligsten, zoolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid; doch alzoo, dat ze met een erstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar álle geboden Gods beginnen te leven!” (Heidelb. Ct. vr. 114), om eerst „na dit leven tot deze voorgestelde volkomenheid te geraken.” (Ibidem vr. 115). Geheel in gelijken geest als de Kerk in haar Belijdenis, met het woord van Guido de Bres, beleed: „Wij, t.w. de kinderen Gods, kunnen geen goed werk doen of het is besmet door ons vleesch en ook strafwaardig” (art. 24). En hiermeê in overeenstemming sprak de Synode van Dordrecht zich bij het stuk van de volharding der heiligen in dézer voege uit: „De Heer verlost |8| zijn uitverkorenen in dit leven niet ganschelijk van het vleesch en het lichaam der zonde,” (hoofdst. V, art. 1), weshalve „aan de alderbeste werken der heiligen ook gebreken kleven” (art. 2).

En ten bewijze dat de Kerk in deze landen hiermee slechts uitsprak wat de Gereformeerde Kerk alomme en allerwegen beleed, sta hierbij, dat de eerste Schotsche Confessie in haar 15de artikel eveneens verklaart: „Ook indien we na onze bekeering voorwenden dat we geen zonde meer hebben, bedriegen wij ons zelven en is de waarheid in ons niet, want niemand op aarde, dan Christus alleen, heeft ooit de gehoorzaamheid der wet volbracht, volbrengt die of zal die ooit volbrengen, gelijk God die eischt.” Dat de Tweede Zwitsersche Confessie zegt: „Ook in de wedergeborenen blijft de zwakheid, want overmits de zonde in ons woont en het vleesch in ons worstelt tegen den geest, kunnen de heiligen tot aan het einde huns levens niet volkomenlijk volbrengen” wat ze schuldig zijn (art. 9). Dat de Belijdenis der Fransche broederen belijdt: „De vrucht der zonde is zoo schrikkelijk, dat de allerheiligsten zelfs, hoewel ze haar weêrstaan, toch zoolang ze in dit leven zijn, aan haar besmetting en de zwakheid niet kunnen ontkomen” (art. 11). Dat de Engelsche broederen in hun Confessie van 1552 verklaren: „Ook in de wedergeborenen blijft de verdorvenheid der natuur, zoodat het bedenken des vleesches zich ook in hen niet aan de wet Gods onderwerpt” (art. over de erfzonde); en in die van 1562 betuigen: „Ook wie in Christus wedergeboren is, struikelt in vele en misleidt zich zelf, zoo hij waant zonder zonde te zijn” (art. 15). Dat de Boheemsche Gereformeerden leeren: „Er is niemand die |9| Gods geboden volkomenlijk houdt. Niemand die niet zondigt” (art. 7). En dat de Duitsche Gereformeerden, om nu van de Polen en anderen niet te gewagen, met zoo vele woorden bekennen: „In dit leven kan niemand de wet Gods houden, maar begaan we gedurig tekortkomingen en struikelingen, waarvoor we elken dag Gods genadige ontferming hebben in te roepen” (Conf. March. III, art. de gratia § 10).

Eveneens zij hier herinnerd, dat de Luthersche Christenen op dit stuk evenzóó dachten, en aan de zijde der Gereformeerden, tegenover heel het heir van ketters en dwaalgeesten staan. Zoo schreef Luther in zijn Groote Catechismus § 3: „Immers staat dit bij ons vast, dat geen mensch ter wereld de tien geboden Gods ten volle en volkomen houden kan.” Zoo lezen we in de Augsburgsche Confessie: „Weshalve wij der Wederdooperen leer verwerpen, alsof iemand in dit leven zoo ver in heiligheid vorderen kon, dat hij niet meer zondigde” (Art. 12 § 19), en desgelijks in de Apologie van deze Belijdenis: „Waartoe lang over deze volmaakbaarheid gespoken? Heel de Schrift, heel de Kerk roept ons toe dat geen mensch aan de wet kan voldoen. Zoolang we leven blijft er zonde in ons, weshalve ook de heiligen om vergeving van zonden hebben te bidden. Er erger dan blind is een iegelijk, die de zondige opwellingen van zijn hart niet als zonden oordeelt” (Art. 3 § 11) waarbij ten slotte nog naar de Formula Concordiae zij verwezen, waarin het nadrukkelijk heet: „Vanwege de verdorvenheid van ons vleesch blijft de heiligheid in dit leven steeds onvolmaakt en gebrekkig” (Art. 3. pag 686).

Tegenover „deze wolke van getuigen” nu, tegenover |10| dit eenstemmig getuigenis van de groote Kerken der Hervorming, tegenover deze eenparige stem der Evangelische Christenheid uit alle landen, staat anderzijds de breede phalanx van afgedoolden en bestrijders der waarheid, die, met Pelagius aan het hoofd, gesteund door Rome, bijgestaan vooral door de Jezuïeten en geestdrijvers, steeds de Volmaakbaarheid, reeds in dit leven, ten opzichte van de heiligen Gods hebben geleerd.

Blijkens de brokstukken door Augustinus in zijn boek „Over het rijk der natuur en het rijk der genade” hiervan bewaard, leerde Pelagius in zijn geschrift „Over de natuur” dat het „volbrengen van al Gods geboden den mensch niet slechts alleszins mogelijk was, maar dat met name Abel, Henoch, Melchizedek, Debora, Judith, Anna, enz. metterdaad en in der waarheid tot volkomen heiligheid in dit leven waren opgeklommen.”

Naar luid der Acten van het Concilie van Trente leert op gelijke manier de Roomsche Kerk: „Dat vervloekt is wie zegt, dat een in Christus gerechtvaardigde Gods geboden in dit leven niet volkomen zou kunnen volbrengen; dat wie kinderen Gods zijn Christus liefhebben, en wie Christus liefheeft zijn geboden bewaart, hetwelk zij met de hulpe van Gods genade dan ook kunnen. En dat, zij het ook dat de gerechtvaardigden nog vaak op vergeeflijke wijze in kleine zwakheden struikelen, dit hun heiligheid niet opheft” (Sess. 6. c. 11). Dienovereenkomstig leerde de Roomsche pleitbezorger Bellarminus, „dat volgens de Roomsch-Katholieken iemand die gerechtvaardigd is, wel tertege in volstrekten zin Gods geboden houden kan” (De Justificatione impii L. IV. c. 10). En evenzoo Becanus „dat zelfs het gebod. Gij zult niet begeeren, niet boven de zedelijke |11| macht van een kind Gods gaat, en dat derhalve licht te bewijzen valt dat alle geboden Gods door zulk een kunnen gehouden worden” (Handboek der Leerverschillen. L. 1. c. 17. 9. 1. § 2. n. 9. 3. § 1). Voorts behoeft slechts herinnerd te worden aan het oordeel der Roomsche Kerk over Maria en de dusgenaamde heiligen; alsook aan de leer van de overtollige goede werken, om elken twijfel weg te nemen, of de drijvers der Volmaakbaarheidsleer al dan niet met den Roomschen zuurdeesem behebt zijn.

Bijna in gelijken trant leerden de Socinianen, „dat de oude Catharen wel deugdelijk op het rechte pad waren, toen ze reeds in dit leven een volkomen gehoorzaamheid als bereikbaar stelden, en dat zij derhalve gruwelijk dolen, die hardnekkig ontkennen, dat iemand, wie dan ook, in dit leven reeds zoo ver in heiligheid zou kunnen vorderen, dat hij alle zonde ten laatste te boven kwam” (F. Socinus Praelect. Theolog. c. 26); en dorst, nog stouter, hun advocaat Valentijn Smalcius schrijven, „dat er een heiligheid is, daarin bestaande, dat men van der jeugd af als Gods geboden bewaart, gelijk die jongeling uit het Evangelisch verhaal, of wel, dat men eerst ná zijn bekeering zoo ver komt, dat alle zondige hebbelijkheid wordt uitgeschud.”

In hun voetspoor traden eindelijk de Arminianen, die bij monde van Arminius zelf verklaarden: „dat iemand door de genade van Christus in dit leven reeds zonder zonde zijn kan” (Op. p. 123 vg.); in hun Apologie leerden: „dat iemand in dit leven het zoo ver kon brengen, dat hij zich noch van eenige zonde noch van eenige schuld meer bewust is, een toestand die misschien nog niet de absolute volmaaktheid zij, maar er |12| toch zeer dicht bij komt” (p. 132); en in Limborchs Christelijke Godgeleerdheid, L. v. c. 79: „dat wel de begeerte in den mensch werken blijft, maar dat Gods geboden als zoodanig reeds in dit leven, ook met de bedoeling van ons hart, door ons kunnen volbracht worden.”

Onder de Geestdrijvers, die we in de laatste plaats noemden, staan de Wederdoopers vooraan, in wier naam Adriaan van Eeghen op de vraag: „Kan de mens sover komen door de hulp van den Heiligen Geest, dat hij onsondig is?” antwoordt: „Ja, want een Christen kan seggen: Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft” (c. 29, vraag 355). Een dwaling die de Mennonieten intusschen hebben uitgezuiverd (zie Schijn, Gesch. der Mennon. p. 139), zooals blijkt uit het antwoord door P. van Cuelen gegeven op de vraag „of de heiligmaking met hare vruchten volkomen kan zijn in dit leven?” „Neen, door de swacke en verdorven natuur kan de mensch in dit leven de volkomenheit niet volcomelijck beleven” (Protocol van Emden, p. 147).

Voorts is de Volmaakbaarheidsleer gedreven door de Enthusiasten Schwenkfeld en Weigel, door den theosoof Jacob Boehme, door den alvereffenaar Calixtus en door den Quiëtist De Molinos, die leerde: „dat de ziel in zoo heerlijken staat reeds hier op aarde kan geraken, dat ze van alle zonde af is, geen uitwendigen dienst van God meer noodig heeft en onaandoenlijk is voor al wat haar overkomt.” Ook de Piëtisten in Duitschland en de Labadisten hier te lande waren met dezelfde dwaling behebt; en Poiret, tegen wien Breukelman zoo kloek in zijn voorrede op het Genadeverbond te velde trok, ging zoo ver dat hij schrijven dorst: „Reeds een mensch, die pas bekeerd is, kan, als hij wil, al Gods |13| geboden onderhouden, en kwam hij verder, ja geraakt hij tot den hoogsten trap, dan kan hij ’t niet slechts, maar doet het ook en volbrengt volkomenlijk al de geboden Gods” (L’ Oeconomie de l’ operation de Dieu et de la cooperation de l’ homme To. VI, c. 9, p. 439). De Kwakers eindelijk, gingen onder Barclay, zij het ook bedachtzamer, nochtans denzelfden weg uit, als hij schrijft: „Wij gelooven dat degeen, in denwelken Christus een gestalte kreeg, van nature Gods wil doet en dat het den mensch mogelijk is den Christus in dier voege aan te hangen, dat hij niet dagelijks een overtreder wordt van Gods wet” (Defensio verae Theol. Thes. VIII § 1).

Nog voegen we hier ten slotte bij, dat ook hier te lande reeds van de eerste tijden der Reformatie af tegenstand tegen het Calvinisme en drijving van de Volmaakbaarheidsleer steeds hand aan hand ging; met name bij den bekenden Coornhert, die reeds in 1589 zoo kras en boud mogelijk schreef, dat „het antwoord van den Catechismus op vraag 143 ter wereld niet deugde, en dat integendeel de wedergeborene al de geboden Gods uit- en inwendig volbrengen kan, zonder in woorden, werken, gedachten of lusten iets te onderlaten wat God geboden ofte te doen wat God geboden heeft” (Dolinghe des Catech. Op. Tom. II. p. 300), en evenzoo een eeuw later bij zijn leerling, die de „Inleiding op het Christelijk leiden” schreef, waar het met even zoo vele woorden heet: „Ja wat meer is, het is ook, zeggen wij, noodwendig dat iemand zonder zonden zij, omdat men anders noch voor een Christen gerekend noch het eeuwige leven, dat den Christenen alleen beloofd is, verkrijgen kan” (bij arend Sjoers. Haarlem 1644. p. 38). |14|




1. Volmaakbaarheidsdrijvers.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Volmaakbaarheid’ I, De Heraut No. 15 (17 maart 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004