XII. Wedergeboorte en prediking


Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.

Matth. 9 : 13. a


Zoo bleek ons dan, dat de wedergeboorte een oneindig rijker verschijnsel en een onvergelijkelijk sterker openbaring van Gods almachtige ontferming is, dan de Gemeente doorgaans vermoedt.

Ze vloeit uit de verborgen diepten van het Vaderhart, welt uit de onzichtbare bronnen der eeuwige liefde, drenkt den wortel onzer persoonlijkheid, besprengt de ontluikende kiem van ons beter leven, besproeit ons met haar frissche druppelen bij elke mijlpaal van onze geestelijke ontwikkeling, en zal ons eerst in de toekomst van onzen Heer Jezus Christus met haar volle, heerlijke stroomen overgieten.

De wedergeboorte is in den diepsten zin een mysterie, niet slechts naar haar oorsprong, maar evenzoo in haar werking.

Men bespeurt niet vanwaar ze komt, wordt niet |100| gewaar op wat wijs ze over ons komt, noch ook bemerkt men waar ze ons henenleidt. Ze grijpt den begenadigde aan, niet in zijn afzonderlijk bestaan, maar in en door de nauwe betrekking, waarin hij met de Gemeente van Christus staat. Onmiddellijk werkt ze, in zoover ze zonder een eigen daad van den Zoon, zonder een persoonlijke werking van den Heiligen Geest ondenkbaar is; en toch is ze aan het organisme der Gemeente gebonden, aan de genademiddelen van het Sacrament en het Woord. Aan geen tijdperk in het leven gebonden, komt ze bij den een eerst tot doorbreking op zijn sterf bed, terwijl ze een andermaal even vrijmachtig en koninklijk reeds het kindeke in de wieg met haar schaduw overdekt. Kortom, ze is die voor geen ontleding vatbare, met elken regel spottende, allen tegenstand overwinnende, elk middel aangrijpende werking van die zoekende liefde des Drieëenigen, waardoor het ontzonken en nog altijd dieper wegzinkend schepsel, in zijn val naar het verderf tegengehouden, allengs naar de heerlijkheid opgetrokken en in de teederste gemeenschap met het volzalige wezen onzes Gods hersteld wordt.

Bekeering, als bekeering tot zaligheid opgevat, is eerst mogelijk, nadat deze wedergeboorte bij aanvang in ons plaats greep. Zonder beding moet toegestemd, dat de menschelijke natuur, gelijk ze thans naar het vleesch is, den wil en het vermogen mist, om tot stilstand, tot omkeering en terugkeer op haar weg te komen. Volkomen waar, dat ook buiten het openbaringsleven de werking van het eeuwige Woord woelt onder den bodem onzes levens. Hij was in de wereld. Maar . . . de wereld heeft hem niet gekend. Een onbestemd besef, dat deze gevallen wereld hem niet bevredigt, een |101| onverklaarbare onvoldaanheid, een onbegrepen trachten en streven naar een beter en heiliger en heerlijker leven, spreekt ongetwijfeld reeds uit de zielsklacht der heidenwereld en uiteraard nog sterker en klaarder uit den weemoed der gedoopte, maar Christus niet belijdende wereld. In de consciëntie ligt ook voor den diepst gezonkene nog een trilling van het eeuwige in zijn dood, waardoor de volkomen gerustheid hem benomen wordt. Er spreekt uit de machtige wonderen der natuur, uit het woelen der volkeren en de schikkingen van eigen levenslot een stem zóó krachtig en doordringend, dat een volkomen kalme slaap in de zonde onmogelijk is; — maar tot een aangrijpen van den levenden God brengt deze veelvoudige werking nooit. Nooit één heeft zich bekeerd, of er lag een goddelijke daad van wedergeboorte achter zijn bekeering, onverschillig of bij zelf hiervan kennis droeg, of er nog niet van wist.

Was nu voor de Kerk de mogelijkheid gegeven, om te onderscheiden in welke personen al dan niet het werk der wedergeboorte zijn aanvang had genomen, dan sprak het vanzelf, dat haar roepstem tot bekeering alleen tot de wedergeborenen zou kunnen uitgaan. Alleen bij dezulken toch kan die roepstem doel treffen. Haar opvolgen kan alleen wie ze hoort. Wie ooren heeft om te hooren, die, en die alleen, kan de stem des Geestes beluisteren, die in, tot en door de Gemeente spreekt.

Maar die mogelijkheid bestaat niet. Wedergeboorte is een mysterie. Ze grijpt plaats op het verborgen terrein van het onzichtbare leven en is dus ook voor de Kerk onwaarneembaar.

Hieruit vloeit voort dat de Kerk hiermeê niet mag |102| rekenen, en haar roepstem tot bekeering tot allen moet laten uitgaan. Tot allen, edoch niet tot allen op dezelfde wijs. Anders tot de gedoopte, anders tot de niet gedoopte wereld.

De niet gedoopte wereld, die nog buiten elk verband met de Gemeente staat, mist nog elken aanvang van wedergeboorte en moet dus van de wereld tot de Gemeente worden geroepen. De gedoopten daarentegen behooren reeds tot de Gemeente en moeten op grond van den Doop geroepen worden tot het Heilige der heiligen, dat in den Tempel der Gemeente ontsloten is, van den omtrek naar het middelpunt, van de oppervlakte naar de diepte, van het drijven in den stroom des levens tot het drinken van zijn wateren, van het stamelen van den naam van Christus tot de persoonlijke gemeenschap met den Christus zelf.

Hieruit volgt, dat de prediking in onze bedehuizen nooit het karakter mag dragen van de zendings-predicatie tot de heidenen. Wie alzoo predikt, miskent den Doop, sluit het oog voor de beteekenis van de Gemeente, rekent buiten het Verbond en laat het krachtigst wapen ongebruikt, waarmeê hij den zondigen mensch in zijn hoorders kan bestrijden.

Bekeering is een daad van den wil, niet een geheimzinnige omzetting van ons gevoel. God de Heer brengt ons niet werktuiglijk tot ons heil; Hij trekt ons niet alsof we „steenen en blokken” waren, maar Hij trekt ons als menschen. Zijn werking op onzen persoon is dus zoo als ze voor den mensch past, en bij den mensch, overeenkomstig den aard van zijn wezen, doel kan treffen.

Tot ’s menschen aard nu behoort het, dat elke krachtige levensuiting product moet zijn van de veerkracht |103| van zijn wil. Die wil, in den zondaar machteloos, moet dus met kracht bezield, moet gestaald en tot zoo geheel het leven beheerschende wilsdaad, als de bekeering is, bekwaamd worden. Dat noemden onze ouden, dat God den wil overbuigt.

Dat overbuigen nu geschiedt zooals het door het karakter en de geaardheid van onzen wil geëischt wordt. Niet uitsluitend door een werking des Geestes van binnen. Ook niet uitsluitend door een werking, die van buiten tot ons komt, Maar door de eendrachtige werking van in- en uitwendige genade saâm. De eerste plaats onder de middelen, die daartoe strekken, bekleedt het Woord.

Dat Woord komt tot ons op zeer onderscheidene manier.

Het kan tot onze ziel doordringen in persoonlijke toespraak, door lezing van eenig geschrift, soms zelfs door het woord van den spotter, dat we opvingen, maar in zijn hoogste uiting bereikt ons dat Woord slechts onder de ambtelijke prediking in het midden der Gemeente.

Als de Gemeente des Heeren zich in haar bedehuis verzamelt en het getuigenis voor de ziel wordt gelegd, komt het Woord tot ons in de volheid van zijn kracht, onder de gewichtigste omstandigheden en verzeld van een bijzondere genade.

Die bijzondere genade ligt in het mysterie: „Waar twee of drie in mijnen naam te zaâm zijn, ben ik in hun midden.” De werking des Heiligen Geestes vindt in de verzamelde Gemeente haar terrein. De organische geestelijke kracht van het Gemeenteleven openbaart zich niet in stembusagitatie of partijkabaal, maar in de prediking des Woords te midden van de verzamelde geloovigen. |104|

Dat dit Woord op zichzelf tot ombuiging van den wil niet volstaat, blijkt uit het feit, dat niet bij allen, die door het Woord bewerkt worden, die ombuiging van den wil plaats grijpt. Zonder de innerlijke roeping, die gevolg van de wedergeboorte, en niettemin een op zichzelf staande werking des Heiligen Geestes is, komt de wil in ons niet tot heilige kracht.

In die prediking des Woords vormt de eisch tot bekeering een onmisbaar element. Het Woord moet uitgaan, alsof allen die hooren zich bekeeren konden, opdat zij, die het krachtens hun wedergeboorte kunnen, het ook doen. Door dien eisch wordt de wil in ons voor een keuze gesteld. Hij moet volgen of tegenstaan, en ontvangt in beide gevallen een prikkel.

Gevolg hiervan zal zijn, dat de aanvankelijk opgewekten metterdaad wanen in eigen kracht tot bekeering te kunnen geraken. De noodzakelijkheid er van zien ze in. De neiging om er toe te komen is in hun wil reeds geboren. Zoo worstelen ze en pogen ze, tot eindelijk het Woord zijn vrucht voleind heeft in de deemoedige bede: „Bekeer Gij mij, Héer, zoo zal ik bekeerd zijn!”

Die bede is niet een op nonactiviteit stellen van den wil, maar juist zijn eerste levensuiting. Het opgeven van zichzelf is niet een zich willoos laten glijden, maar juist de hoogste wilsdaad. Aan God onderworpen te willen zijn, van God te willen afhangen, te willen dat onze wil door God bezield worde, is de afsterving van den ouden mensch en de opstanding van den nieuwen tegelijk. Toch is daarmeê de herstelling van den wil ten goede, d.i. de bekeering, niet voltooid. De bekeering gaat door heel het leven. Nog op het sterfbed |105| zijn verkeerde gangen in het hart, waarvan Gods kinderen zich te bekeeren hebben.

Deze voortgezette bekeering is intusschen van de oorspronkelijke en eerste bekeering in beginsel onderscheiden. De keus tusschen dood en leven, tusschen onze zondige natuur en Christus, tusschen de wereld en het Lichaam des Heeren, doen we slechts éénmaal. De voortgezette bekeering is uitvloeisel en waarborg van de beslissende bekeering, nooit een herhaling. Het is geen tweede planting naast de eerste, maar ontluiking en ontkieming van hetgeen in de eerste planting tot aanzijn kwam.

Dit doet haar niet dalen in beteekenis, maar leent haar juist hooger waardij. Kon de bekeering herhaald worden, dan zou het niet een eeuwig werk gelden en de gestadige vrees voor mislukking zou den ijver uitblusschen. Nu ze in voortgezette bekeering zich te uiten, waar te maken en in haar vruchtbare gevolgen te openbaren heeft, is ze voorwerp van den rusteloozen arbeid der Gemeente.

Kon men terugkeeren tot het Schriftuurlijk Gemeente begrip, een einde maken aan de prediking, die de ge doopten des Heeren met de heidenen, die buiten het Verbond staan, op één lijn stelt, en inzien dat de Gemeente een moeder is, die ons niet slechts baart maar ook voedt met haar melk, en ons opvoedt, — een gansch andere geestelijke arbeid dan tot dusver zou zich in de Gemeente van Christus openbaren.

We bedoelen niet allereerst den Missiearbeid in zijn veelzijdige vertakkingen naar buiten. Op den eisch, dat ook dit deel van den gemeentelijken arbeid niet slechts in stand blijve, maar veeleer van zijn eerste wankele |106| schreden tot vasten tred kome, mag door niemand afgedongen. Maar zonder aan dezen arbeid ook in ’t minst te kort te doen, eischen we toch, dat allereerst het oog openga voor de verplichting der Gemeente ten opzichte van haar eigen geestelijk, inwendig genadeleven.

De Gemeente van Christus moet nabij haar God leven doordringen in zijn tente, en uit de volheid van den Christus genade voor genade ontvangen. Zonder dien gestadigen toevoer van geestelijke kracht is haar arbeid naar buiten een blazen uit ledige longen, een schenken met de ledige kruik.

Daaraan nu schort het ons.

De kennis van het eigen hart, de kennis van het geestelijk leven, de kennis van de Schrift, en dientengevolge de kennisse van hem, wien te kennen het eeuwige leven is, neemt eer af dan toe.

„Opdat ik hem kennen mocht en de kracht zijner opstanding!” is nog iets anders dan enkele uitgelezenen in schoolgeleerdheid te bekwamen en kleine kringen van halve theologanten of theologiseerende vrouwen te vormen.

De kennis waarop het aankomt is een gestadig meer weten van de dingen die Godes zijn, door een gedurig rijper en dieper ervaren, eenerzijds van eigen ellende, anderzijds van de onuitputtelijke volheid, die in Christus is.

Die ervaring is geen bevinding van een enkele ziel in haar eenzaamheid.

Met al de heiligen te kennen welke de lengte en breedte en hoogte en diepte zij van de liefde Gods in Christus, is de levenstaak der Gemeente en voor u niet te genieten, dan door haar.




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004