XI. De wedergeboorte der schepping


Gij , die mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, als de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, ook zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israëls.

Matth. 19 : 28. a


De wedergeboorte grijpt niet enkel plaats ten aanzien van den mensch, maar van de geheele schepping. Die dit uit het oog verliest, verstaat de verborgenheid der wedergeboorte niet.

Nooit komt de mensch in de Schrift voor als een wezen, dat op deze aarde neêrgezet is, zonder met die wereld in verband te staan. De mensch hoort bij de schepping, de schepping hoort bij den mensch. De mensch kon er niet komen, dan nadat de schepping en gedeeltelijke ontwikkeling van deze wereld was voorafgegaan, en omgekeerd is eerst in het tot aanzijn roepen van den mensch die schepping gekroond. De mensch is niet buiten deze aarde geschapen, en daarna van buiten af in deze wereld ingebracht. Hij is geformeerd uit het stof dezer wereld, d.w.z., uit de materie en haar |92| bewerktuiging, gelijk die reeds in de verschillende rijken der natuur was tot stand gekomen.

Tusschen den mensch en de schepping bestaat dus het innigst verband. Beiden vormen te zaâm een geheel. Evenmin als de mensch voltooid is zonder zijn eigenlijk lichaam, evenmin kan hij gedacht worden zonder dat tweede lichaam, dat we de wereld noemen. Elke voorafgaande schepping doelt op den mensch. In het ééne menschelijk lichaam is het resultaat saâmgevat van alle wonderen, die God de Heere in het delfstoffenrijk, in de plantenwereld en in het dierenrijk gewrocht had. Alles wat voorafging vormt slechts het voetstuk, waarop de mensch als beelddrager Gods zou geplaatst worden. Of wil men, de schepping is het rijk, waarin de mensch als Koning moest optreden, de tempel die op den mensch als zijn Priester wachtte, en eerst door zijn optreden als Priester waarlijk een tempel werd.

Het lot van den mensch werkt daarom op het lot der wereld terug.

Zoolang de mensch in zijn ongeschondenen, maar nog onbeslisten zedelijken staat verkeerde, is de naaste wereld om hem een paradijs, maar omgeven door een wereld, die nog vatbaar is om den vloek te ontvangen.

Toen ’s menschen natuur geschonden was en hij gekozen had voor de zonde, verloor ook de aarde haar paradijs en werd ze besloten onder denzelfden vloek, dien de mensch over zich had gebracht. „De aarde is vervloekt om uwentwil. Distelen en doornen zal ze u voortbrengen, en in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten.”

Maar hier volgt dan ook uit, dat, komt er in het lot van den mensch een keer ten goede, die gunstige |93| verandering ook op het lot der schepping moet nawerken. Deelt de schepping met den gevallen mensch zijn vloek, dan moet ze ook met den weêr opgerichten mensch die wederoprichting deelen.

Dus leert de Schrift het dan ook.

Na de hemelvaart is, zoo leert de Apostel Petrus, Christus Jezus in de hemelen ontvangen, om daar te blijven „tot de tijden der wederoprichting aller dingen.”

En niet eerst den Apostel was dit geopenbaard. Reeds de Profeten kenden dit mysterie, want Petrus voegt er nadrukkelijk bij: „die God gesproken heeft door den mond al zijner heilige Profeten van alle eeuw.” Ten bewijze heeft men zich dus niet te beroepen op een enkele Godspraak van Jesaia, omtrent „den nieuwen hemel en de nieuwe aarde.” De bedoeling des Apostels strekt veel verder. Hij betuigt, dat de wederoprichting, niet slechts van Israëls Koninkrijk, maar van alle dingen, dus van het heelal, tot het abc der Openbaring behoort, grondtrek is van geheel de innerlijke huishouding der Schrift, en derhalve een hoofdelement vormt in alle kennisse van God en goddelijke dingen. Jezus sprak dan ook tot de Joden, als van een geloof dat algemeen onder hen heerschte, toen hij zei: „Elias zal wel eerst komen en alles weder oprichten.”

Alzoo, onmisbaar bestanddeel van de prediking van alle Profeten in alle eeuw, is, dat alle dingen, die nu gevallen, ingezonken en vernederd zijn, eens weêr staan te worden opgericht.

Nu is het opmerkelijk, dat Jezus in het beteekenisvol woord, dat we boven dit artikel plaatsten, voor deze „wederoprichting aller dingen” juist hetzelfde woord bezigt, dat anders uitsluitend gebezigd werd voor de |94| wederoprichting van den mensch. Immers, hij noemt de herstelling aller dingen: de wedergeboorte. „In de wedergeboorte zult gij zitten op twaalf tronen,” dat is, in den dag mijner heerlijkheid, als het nieuwe leven in de geheele schepping zal doorbreken.

Dit eenigszins bevreemdend gebruik van de uitdrukking „wedergeboorte” is door Jezus niet bij toeval gemaakt. Veeleer schuilt in dit gebruik een diepe zin.

Staan de mensch en de schepping niet los naast een, maar is het, naar luid der Schrift, en, voegen we er bij, volgens de resultaten der wetenschap, één levensproces, dat door geheel de schepping gaat, allengs hooger klimt, en ten laatste in den mensch zijn voltooiing bereikt, dan moet er ook tusschen de wedergeboorte van den mensch en de wedergeboorte der schepping een noodzakelijk verband bestaan.

De vloek is niet afzonderlijk op den mensch, en daarna afzonderlijk op de schepping gelegd, maar door den mensch is, al is de wijze van overgang ons onverklaarbaar, de vloek uit zijn persoon over de aarde gekomen. Gelijk er tusschen onze ziel en ons lichaam een overgang bestaat, dien nog niemand heeft kunnen aanwijzen, waarover hoogstens gissingen bestaan, maar waaromtrent nog alle vastere aanwijzing ontbreekt, zoo weten we ook dat er een overgang tusschen den mensch en de schepping bestaan moet, waarvan alle nadere verklaring ons onthouden is.

Geldt dit èn van de oorspronkelijke wording der dingen èn van den vloek, dan moet dit ook waar zijn bij de herstellende genade. Er moet dan ook bij die herstelling een samenhang bestaan tusschen de wedergeboorte van den mensch en de wederoprichting van alle |95| dingen, en het is dat verband waarop Jezus doelt, als hij die wederoprichting zelve met den naam van „wedergeboorte” bestempelt.

Intusschen is ons omtrent dien overgang der herstellende genade iets meer geopenbaard, dan omtrent den overgang van den vloek. Aangaande den vloek weten we alleen, dat het niet twee uitstortingen van Gods toorn zijn, de ééne op den mensch en de andere op de schepping, maar dat het één vloek is, die gelegd werd op die schepping, waartoe de mensch behoorde, en die met den mensch één geheel vormde.

Maar omtrent den oorsprong der herstellende genade weten we meer.

Geopenbaard is namelijk, dat deze overgang niet plaats grijpt van ons op de schepping, maar dat hij van den mensch Jezus Christus uitgaat.

Hij kwam tot deze wereld en nam ons vleesch aan. Dus, wijl dat vleesch in onmiddellijk verband stond met deze aarde en de geheele schepping, trad de Zoon door zijn vleeschwording met geheel de schepping in betrekking.

Hij nam dat vleesch, en daarmeê die schepping in zich op, gelijk ze was, dat wil zeggen, in den vernederden, gevallen en ingezonken toestand, waarin dat vleesch en die schepping door zonde en vloek geraakt was.

Van dat oogenblik af had hij het lot dier schepping onafscheidelijk aan zijn eigen lot verbonden. Een worsteling moest ontstaan tusschen den Zoon des menschen, die niet gevallen was, en die gevallen schepping, waaraan hij zich verbonden had. Maar hij was de sterkere, en daarom trok hij dat vleesch, die wereld, met zich op in den hoogen stand, waarin hij zelf stond. Dat is |96| zijn opstanding ten derden dage, die dus geheel wordt weggecijferd, indien men niet al den nadruk juist legt op de lichamelijke verrijzenis, de opstanding van het vleesch.

Door die opstanding is het lot der schepping beslist. Zich van dien Christus losmaken, kan de schepping niet meer. De individuën, die zich door hun ongeloof van den Christus scheiden, scheiden zich daarmeê tevens van het lot der schepping af; ze vervallen aan het verderf. Maar die schepping, met al haar krachten en machten, hoe ze ook tegenworstelen, moet aan den Christus onderworpen worden. In zijn opstanding heeft hij haar feitelijk overwonnen. Ze moet worden, wat hij wil dat zij zijn zal, en wat hij wil dat ze zijn zal ligt geprofeteerd en gewaarborgd in zijn eigen verheerlijkten persoon.

Zoo leeren het de Apostelen des Heeren. Wie deze gewichtige openbaring uit het oog verliest, kan niet verstaan dat „hem alle dingen onderworpen zijn” (Ef. 1 : 22), noch ook dat het ’s Vaders welbehagen is, dat hij alle dingen verzoenen zou tot zich zelven, hetzij de dingen die op de aarde zijn, hetzij de dingen die in de hemelen zijn” (Col. 1 : 20). Of is het voor tegenspraak vatbaar, dat „alle dingen die op de aarde en alle dingen die in den hemel zijn” te zamen uitmaken de gansche schepping?

Uit die opstanding van Christus vloeit dus tweeërlei wedergeboorte voort. Ten eerste de wedergeboorte van den gevallen mensch; en ten tweede de wedergeboorte van de gevallen schepping.

Op de vraag: „Wat nut ons de opstanding van Christus?” antwoordt de Heidelbergsche Catechismus volkomen |97| juist: „Ten andere, worden wij door zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven”; waarmeê dus de oorsprong van onze wedergeboorte wordt aangewezen in de opstandingskracht van Christus. Geheel overeenkomstig de stellige verklaring van den Apostel: „Die u wedergeboren heeft tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden.”

Doch de Heidelberger weet evenzeer, dat hiermeê de vrucht van Jezus’ opstanding nog slechts ten deele is uitgesproken, en hij voegt er daarom bij: „Ten derde, dat zijn opstanding ons het onderpand is, niet van onze opstanding, want ook de verlorenen zullen opstaan, maar van onze „zalige opstanding”. Wat nu veronderstelt een zalige opstanding anders, dan dat het een opstanding zal zijn in een rijk der heerlijkheid; en hoe zal dit rijk der heerlijkheid anders uitbreken, dan door de wedergeboorte, of wil men, de wederoprichting aller dingen?

De band, die onze wedergeboorte aan de wedergeboorte der schepping verbindt, ligt dus niet in ons, maar in den verrezen Heiland, den mensch Jezus Christus, maar beide staan door hem dan ook in onderling verband.

Gelijk onze vloek eerst in den vloek der schepping voltooid werd, zoo zal dus ook onze wedergeboorte eerst in de wedergeboorte der schepping haar voltooiing vinden.

Afgeloopen, voleindigd kan onze wedergeboorte dan eerst zijn, als wij, met alles wat bij ons hoort, met onze geheele persoonlijkheid naar geest en ziel en lichaam, en dus ook met de levenssfeer die om ons moet zijn, om ons menschelijk wezen tot volle ontplooiing te doen |98| komen, in den glans van het herboren leven schitteren zullen.

Zoover is het thans nog niet.

Al is de levenskern van onze persoonlijkheid wedergeboren, daarom blijven we nog worstelen met de nawerking van de zonde in ons geestesleven.

Al zijn we wedergeboren naar den geest, daarom blijven we nog gedrukt door het lichaam der zonde en des doods, dat we met ons omdragen.

Ook al is, krachtens onze wedergeboorte, onze wandel nu reeds in de hemelen, toch blijven we nog verkeeren op een wereld, in een maatschappij, in een levenskring, die de heerlijkheid van den Christus mist.

Aan de voltooiing onzer wedergeboorte ontbreekt dus nog drieërlei: 1o. het volkomen afsterven van de zonde in den dood; 2o. het bekleed worden met een lichaam, gelijk aan het verheerlijkt lichaam van den Christus; en 3o. het gezet worden in het rijk der heerlijkheid.

Eerst als we dien dood zijn doorgegaan, dat lichaam ontvangen hebben en in dat rijk der heerlijkheid wonen, zullen we geheel herboren zijn.

Van onze volkomene wedergeboorte is de wedergeboorte van onzen inwendigen mensch slechts de aanvang.

Voltooid kan ze eerst worden in de wedergeboorte van alle dingen.

Wat daar tusschen ligt is de wedloop des geloofs. |99|




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004